Abonneer Log in

Europeanisering van nationale politiek sinds de crisis

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 10 (december), pagina 25 tot 32

Tenzij voor een aantal slimme speculanten, valt er weinig geld te verdienen met de crisis. Ook niet door in te zetten op vermeende ‘wetmatigheden’. De crisis zou altijd leiden tot verkiezingsoverwinningen voor rechts; tot François Hollande. De crisis zou alle zittende regeringsleiders de kop kosten; tot Mark Rutte. De crisis zou gefundenes Fressen zijn voor eurosceptici; tot Geert Wilders. Toch zijn er een aantal trends te herkennen in de invloed van de eurocrisis die als ‘Europeanisering van nationale politiek’ gevat kunnen worden. In dit essay zetten we er een aantal op een rijtje, om te concluderen dat de richting van hun uiteindelijke invloed contingent is, afhankelijk van hoe ze politiek vertaald worden. Ze kunnen, aan de extreme zijden, nog steeds zowel leiden tot het uiteenvallen van de EU als tot de sprong naar een echte federale Unie.

Er is onenigheid of Zhou Enlai (de eerste premier van de Volksrepubliek China) het had over de gevolgen van de Franse Revolutie twee eeuwen eerder of van de Franse protesten in 1968 enkele jaren voordien, toen hij begin jaren 1970 ‘het is te vroeg om te oordelen’ zei. Maar, hoe dan ook, er zit wijsheid in het Chinese adagium dat te snel conclusies trekken onverstandig is.
Dat geldt ook voor de eurocrisis. Je haalt er minder gemakkelijk de media mee, maar voorlopig hebben diegenen die over het verloop van de crisis voorspelden ‘verwacht niets spectaculairs’ het gelijk aan hun kant, en niet wie het einde van de euro profeteerde, of zij die snelle verpopping van de Europese Unie tot een federaal model zagen aankomen. Ook nu, na meer dan vier jaar financiële crisis en bijna drie jaar crisis in en van Europa, is het onduidelijk waar we zullen eindigen. Er is zelfs geen begin van consensus over wanneer we over het ‘einde’ van de eurocrisis zullen spreken.

De onvoorspelbaarheid van politiek - en van de politieke gevolgen van de eurocrisis in het bijzonder - werd de voorbije maanden nog maar eens duidelijk toen bij onze noorderburen onverwacht de pro-Europese partijen VVD (liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie) en PvdA (sociaaldemocratische Partij van de Arbeid) de verkiezingen wonnen en ongewoon snel een regering vormden. De grote verliezer was de Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders die campagne had gevoerd met het voornemen om Nederland terug te trekken uit de euro en zelfs de Europese Unie. De eurosceptische Socialistische Partij (SP) stagneerde en bleef zo onder de verwachtingen en de peilingen, terwijl het Christen-Democratisch Appèl (CDA) zwaar werd afgestraft voor haar gedoogsamenwerking met Geert Wilders.
Nochtans hadden waarnemers in juni van dit jaar, na de verkiezingen in Frankrijk en Griekenland, nog gesteld dat de eurocrisis een regelmatigheid vertoonde: elke zittende regeringspartij werd afgestraft (inderdaad: in het jaar 2011 waren er vroegtijdige regeringswissels in Portugal, Ierland, Italië, Spanje en Griekenland; in alle vijf de GIIPS dus) en pro-Europese partijen verloren stemmen aan anti-Europese. In Nederland gebeurde dus net het omgekeerde: minister-president Mark Rutte werd beloond en de anti-Europese partijen verloren steun aan de pro-Europese.
Het is dus niet zo dat bevolkingen zonder onderscheid regeringen afstraffen omwille van de aanhoudende crisis, zoals soms gesteld. Noch is er een uniforme afkeuring van het in Europa gevoerde beleid over alle landen heen. Dat bewijzen de Nederlandse verkiezingen dus, maar ook de populariteitscijfers van Merkel in Duitsland, die volgend jaar een grote kans maakt om gewoon voor de tweede keer herverkozen te worden als Bondskanselier. Door de verkiezing van François Hollande was al een andere ‘wetmatigheid’ doorprikt: dat de crisis steevast tot overwinningen van (centrum)rechts zou leiden.

Maar dit korte, alle kanten uitschietend overzicht wil niet zeggen dat de eurocrisis helemaal geen invloed heeft op nationale politiek en verkiezingen. Er is wel degelijk sprake van een tendens die soms een ‘Europeanisering van nationale politiek’ wordt genoemd. Juister gaat het om een toegenomen wederzijdse invloed tussen de eurocrisis en nationale politiek. Alleen is het effect niet eenduidig. In wat volgt, tracht ik een aantal trends op een rijtje te zetten, waarbij telkens zal blijken dat het vandaag nog te vroeg is om te oordelen waarin die ontwikkelingen uiteindelijk zullen uitmonden.

EUROPA IS VOORPAGINANIEUWS

Jarenlang was het een frustratie van politici, journalisten en academici die zich met Europese politiek bezighouden: er is weinig (media-)belangstelling voor de Europese Unie. Het was zelfs één van de verklaringen voor het falen van de Europese Grondwet in het midden van het vorige decennium: te weinig debat over Europa. Europa heeft nood aan een verhaal én aan politiek conflict over dat verhaal.
Na drie jaar crisis mag het voor velen waarschijnlijk wel wat minderen met dat debat over Europa. De Europese Unie en de euro zijn naar voor geschoven op de krantenpagina’s, van de buitenlandkatern naar de voorpagina. Zoals dat meestal gaat, niet omdat er goed nieuws te rapen valt.
Een misschien positief gevolg is wel dat bevolkingen wellicht nooit méér hebben geweten over de Europese Unie dan nu. Terwijl tot voor enkele jaren de meeste vrouwen ‘ECB’ zouden geassocieerd hebben met een hen onbekende voetbalclub, en de meeste mannen met een te mijden confectiewinkel, weet iedereen nu dat het voor de Europese Centrale Bank staat. Net zoals in cafés het ESM (Europees Stabiliteitsmechanisme) al eens over de tongen gaat. Begin dit jaar kon Paul Magnette nog schertsend vragen ‘who the fuck is Oli Rehn?’, ondertussen heeft Terzake een portret over de voormalige Finse eersteklassevoetballer gemaakt.

De vraag is nu welk effect op de legitimiteit van de Europese constructie(s) dit zal hebben. Zal de verhoogde aandacht voor de EU door de eurocrisis tot gevolg hebben dat het Europese niveau blijvend geassocieerd wordt met economische crisis, aantasting van sociale verworvenheden en ondemocratische dictaten? Of zullen burgers juist sneller wennen aan het idee dat Europa een belangrijk deel van politieke besluitvorming (definitief) heeft overgenomen van het nationale niveau? En zal de toegenomen discussie niet langer gaan over of Europa zich met, bijvoorbeeld, pensioenen en loonvorming moet bezighouden, maar welk pensioen- en werkgelegenheidsbeleid Europa moet voeren? Het valt voorlopig niet te zeggen. ‘We moeten van Europa’ wordt door de één als breekijzer gebruikt, door de ander verfoeid. Het verschil tussen het niet eens zijn met het soort beleid dat door Europa wordt gevoerd of met Europese inmenging op zich is niet altijd even duidelijk, en riskeert dus ook door de burgers te worden verward. Zelfs in het boek Voor Europa van Guy Verhofstadt en Daniël Cohn-Bendit is er een spanning tussen hun militantisme voor meer Europese integratie en hun ongenoegen over de huidige crisisaanpak door de instellingen, die ze niet helemaal weten op te lossen.

WAT IN ANDERE LANDEN GEBEURT, BELANGT ONS AAN

Niet alleen het supranationale Europese niveau is sinds de crisis meer aanwezig in de nationale politiek en publieke discussie. Ook de politieke en economische situatie in andere Europese landen is dat. Om nog een voorbeeld te geven: hoeveel kandidaten van De Slimste Mens zouden voor 2010 de juiste trefwoorden bij ‘Papandreou’ hebben kunnen geven, ook al kwam in oktober 2009 de derde Papandreou in drie generaties aan de macht als Griekse eerste minister? Nadat de eurocrisis tot uitbarsting kwam in Griekenland, werd Georgios A. Papandreou één van de bekendste politieke figuren in Europa, zeker nadat hij eind oktober 2011 aankondigde een referendum te organiseren over het nieuwe reddingspakket dat toen ter tafel lag, wat hem uiteindelijk zijn positie zou kosten.

De aanwezigheid van de politiek en politici van andere Europese landen tijdens verkiezingen was wellicht het meest opvallend tijdens de Franse presidentsverkiezingen. Angela Merkel steunde expliciet de kandidatuur van Nicolas Sarkozy (om later haar positie te matigen). François Hollande was tijdens een bezoek aan Londen niet welkom in Downing Street 10 bij zijn collega Cameron.
Ook in eigen land zijn er vele voorbeelden van hoe politiek in andere landen onze binnenlandse politiek binnenkomt. Wanneer over sociaaleconomische hervormingen wordt gediscussieerd wordt steevast verwezen naar het Duitse voorbeeld, omdat het land dankzij hervormingen tussen 2003 en 2005 goed door de crisis laveert. Omgekeerd wordt naar Griekenland en andere perifere landen verwezen hoe het niet moet, en worden parallellen gemaakt met ons land, dat zou dreigen het ‘Griekenland aan de Noordzee’ te worden. Catalanen noemen zich de Duitsers van Spanje, en wanneer ze vervroegd naar de stembus trekken dan haalt dat tegenwoordig onze journaals, terwijl velen onder ons vroeger niet eens wisten dat er ‘comunidades autónomas’ bestonden in Spanje. Enzovoort.

Opnieuw kan dit effect verschillende richtingen uit. Of we zullen ons dankzij de reportages over wanhopige Griekse, Spaanse en Portugese studenten, werk- en daklozen, et cetera, beter kunnen inleven in hun situatie en inzien dat (een gebrek aan) Europese beslissingen een gelijkaardige invloed hebben op bevolkingsgroepen over de verschillende lidstaten heen. Dat kan dan leiden tot de langverwachte lotsverbondenheid en solidariteit tussen Europeanen die zich in dezelfde sociaaleconomische positie bevinden, en dus het vervangen van de nationale door de sociaaleconomische breuklijn als belangrijkste ordenende politieke dimensie in Europa. Of de eurocrisis, door een soms stereotyperende berichtgeving, kan de (culturele) verschillen tussen verschillende Europese bevolkingen (verder) in de verf zetten, en zo de politieke integratie alleen maar verder laten afdrijven. Zo is een mogelijke verklaring voor het feit dat regeringsleiders in Zuid-Europa worden afgestraft maar worden beloond in Nederland en Duitsland (of zo ziet het er toch naar uit), dat de Europese crisisaanpak van harde besparingen meer aansluit bij de Noord-Europese calvinistische cultuur.

Net als bij de andere trends hangt de toekomst af van politieke keuzes nu. Het debat in Duitsland is al een heel eind verschoven weg van de stereotyperende, moralistische anekdotes over luie, spilzieke, corrupte Zuid-Europeanen. Merkel en co hebben, weliswaar traag en beperkt, de gedeelde en structurele oorzaken van de crisis erkend, alsook de inspanningen die men in Zuid-Europa al heeft geleverd. In andere landen, bijvoorbeeld Nederland, is men nog niet zover. Nochtans vereist een uitweg uit de eurocrisis waarbij de huidige samenstelling van de muntunie behouden blijft zo’n gedeeld schuldbesef, om draagvlak te creëren voor evenwichtige oplossingen (euro-obligaties met voorwaarden, slimmere besparingen en hervormingen in Zuid-Europa in ruil voor investeringen uit en stimulering van de vraag in Noord-Europa, enzovoort). Als de Europese Commissie wil vermijden dat het euroscepticisme in landen in moeilijkheden verder toeneemt, moet zij zulke gebalanceerde voorstellen doen (zoals al meer het geval is in de meest recente landenspecifieke aanbevelingen in vergelijking met eerdere).

WE LEVEN NIET OP EEN EILAND

Het verlengstuk van de vorige trend is dat men er in de nationale politiek in EU- en eurozone lidstaten alsmaar meer van doordrongen is wat de gevolgen zijn van het eigen lidmaatschap. Verschillende decennia konden de gevolgen van het deel uitmaken van een gemeenschappelijke markt (en later voor 17 lidstaten van één muntzone) min of meer worden genegeerd, en dus verborgen gehouden voor de burgers. De economische (en monetaire) integratie zorgde voor meer economische groei (althans, zo gaat de theorie), maakte de koek groter, en lidstaten konden relatief vrij beslissen hoe die koek te verdelen, waaraan de groeiende welvaart te besteden.

De realiteit is dat de Europese integratie altijd al de beslissingsvrijheid voor nationale lidstaten heeft beperkt. De rechtstreekse manier is door bevolkingen vrij gemakkelijk aanvaard: landen doekten hun douanes op zodat goederen en kapitaal vrij konden circuleren, en maakten samen afspraken over productstandaarden zodat bedrijven echt voor een grote afzetmarkt konden produceren. Maar zelfs zonder fiscaliteit en sociaal beleid naar het Europese niveau te brengen beperkt die eengemaakte markt nationale beleidsautonomie. Als bedrijven volledig vrij kunnen beslissen waar zich in de EU te vestigen en vervolgens hun producten eender waar in die markt kunnen aanbieden, dan liggen lidstaten in continue concurrentie om bedrijven te behouden of aan te trekken, en worden zij dus structureel verleid om de belastingsdruk, loonkost en (arbeids-)reglementering te verlagen. Zolang het goed ging, viel dit weinig op: bedrijven hadden niet veel reden om zich hard op te stellen ten opzichte van overheden en sociale partners, en zelfs als de welvaartsstaat relatief minder sterk groeide, gingen de meeste groepen er in absolute zin wel op vooruit. En als het wel eens fout liep, was er nog altijd de mogelijkheid om de munt te devalueren.

Dat laatste is onmogelijk geworden voor de lidstaten van de eurozone. In combinatie met de crisis maakt dat ook de gevolgen van de interne markt an sich duidelijker. Zo is het steeds meer aanvaard dat de Duitse loonmatigingspolitiek van het midden van het vorige decennium misschien onvermijdelijk was vanuit Duits oogpunt door de beperkingen van haar lidmaatschap van de interne markt en gemeenschappelijke munt, maar dat dit beleid ook medeverantwoordelijk is voor de huidige eurocrisis. In België heeft de crisis de spanningen tussen sociale partners verscherpt, doordat het bedrijfsleven onze hoge loonkosten verantwoordelijk stelt voor bedrijfssluitingen en werkloosheid, en alsmaar harder en ongenuanceerder op de nagel van competitiviteit klopt. Voor vakbonden en socialisten is het, zeker na de sluiting van Ford Genk en verplaatsing van de productie naar Valencia (wat daar ook de echte redenen voor mogen zijn geweest), duidelijker dan ooit dat ons sociaal systeem niet houdbaar is zonder minimumafspraken op Europees niveau, zowel wat betreft de financieringsbasis van de overheid (o.a. vennootschapsbelasting) als de generositeit van de uitkeringen.

Opnieuw is het onduidelijk waartoe dit zal leiden. Totnogtoe lijkt de aanpak van de crisis te leiden tot een Verduitslanding van Europa: het Duitse model van loonlastenverlaging om de competitiviteit aan te zwengelen wordt al dan niet vrijwillig gekopieerd in andere landen. De (psychologische) impact van het Griekse precedent mag niet worden onderschat. Voor veel landen was het een wake-up call om snel werk te maken van ‘gezondere overheidsfinanciën’ en een ‘meer competitieve economie’. We zouden echter kunnen stellen dat de slinger te ver is doorgeslagen. Het Griekse voorbeeld van de gevaren van onduurzame publieke financiën en van een niet concurrentiële economie heeft andere belangrijke oorzaken van de eurocrisis en noodzakelijke hervormingen ondergesneeuwd, zoals de hervorming van de financiële sector. Bovendien is er, doordat elk land zonder onderscheid in een besparingskramp is geschoten, een merkwaardig gebrek aan macro-economisch bewustzijn in de eurozone. De eurozone (of EU) is geen kleine, open economie en de dynamieken van besparingen zijn dan ook anders op het niveau van de 17 of 27 dan voor een afzonderlijk land. Enerzijds hebben politici uit de crisis geleerd dat ze niet op een eiland leven, anderzijds is de reflex te veel geweest om te kijken naar andere eilanden, in plaats van de eurozone of de EU te beschouwen als het (grote deel van het) continent dat het is.

Niet alleen op nationaal niveau zijn de uit de eurocrisis getrokken lessen te veel gericht op schuld en competitiviteit. Dat geldt ook voor de hervormingen aan de Economische en Monetaire Unie, die momenteel voltooid zouden moeten worden in een rapport opgesteld onder redactie van Herman Van Rompuy. Dit bevat vier dimensies: financieel, budgettair, economisch en politiek. ‘Sociaal Europa’ is de grote ontbrekende pijler in dit rapport. Maar voorbeelden als Ford Genk zouden de katalysator kunnen zijn om eindelijk ook werk te maken van deze dimensie van Europese integratie. De crisis heeft al veel kortgeleden nog ondenkbaar geachte nieuwe stappen in Europese eenmaking mogelijk gemaakt; vakbonden en socialisten zouden dit momentum niet mogen laten passeren om ook een minimum aan Sociaal Europa te realiseren.

VERKIEZINGEN DOEN ER NIET ZOVEEL TOE

Deze vierde les is wellicht de meest controversiële en pijnlijkste voor nationale politici. Zoals boven toegelicht zijn verschillende regeringen uit het zadel getild tijdens de eurocrisis. De oppositie surfte daarbij op de onvrede bij het electoraat over de koers die de regering voerde in de eurocrisis, en beloofde vaak om een aantal zaken anders te doen: in Griekenland ging het over het herzien van het besparingsprogramma, Hollande zou het Fiscaal Compact heronderhandelen, Rajoy beloofde in Spanje de belastingen niet te verhogen, enzovoort. Toch moesten de winnaars van de verkiezingen snel hun beloften inslikken, en veranderde er algemeen gesproken relatief weinig aan het beleid.

Dat komt doordat een nieuwe regering in een lidstaat, eens verkozen, geconfronteerd wordt met de bestaande spelregels van de Europese constructie en crisisaanpak, die boven kort werden toegelicht. En ook met de heersende machtsverhoudingen in de verschillende Europese instellingen. Sowieso kan de impact van één land niet zo heel groot zijn. Dat land is steeds maar één van de 27 (in EU verband) of 17 (in de eurozone) leden van Europese Raad en de Raad. Door Europees links werd bijvoorbeeld veel verwacht van de verkiezing van Hollande, als een cruciaal keerpunt naar links in de aanpak van de eurocrisis. Maar de socialistische Franse president en ministers komen terecht in een Europese Raad en Raden van Ministers die nog steeds overwegend rechts zijn. Dat wil niet zeggen dat de verkiezing van Hollande ook compleet zonder gevolg is geweest. Het is wel degelijk zo dat de aandacht voor groei en werkgelegenheid is toegenomen, en dat er barstjes zijn gekomen in het eenzijdige geloof in besparingen.

Een ander voorbeeld dat hierbij aansluit is het opnieuw aangewakkerde separatisme in een aantal regio’s (vooral Catalonië, Baskenland, Schotland en Vlaanderen), en de verkiezingen en referenda die over dat thema (zullen) gaan. Dit separatisme heeft enerzijds een duw in de rug gekregen door de eurocrisis. De rijkere regio’s (Vlaanderen en Catalonië, maar ook bijvoorbeeld Beieren en Noord-Italië) geloven dat zij onafhankelijk gemakkelijker de crisis zouden doorstaan dan in de huidige situatie waarin zij via ‘transfers’ steun verlenen aan armere regio’s in hun land. Maar tegelijkertijd wordt deze ambitie getemperd door de angst dat onafhankelijkheid zal leiden tot de uitsluiting van de EU (en die kans is inderdaad groot). Daarom worden nationalistische politici als Artur Mas in Catalonië en Bart De Wever hier gedwongen om te spreken over confederalisme in plaats van regelrecht separatisme.

CONCLUSIE

Lange tijd werden verkiezingen voor het Europees Parlement tweederangsverkiezingen genoemd: ze gaan zelden over Europese thema’s, maar zijn referenda voor de regerende partij of coalitie in een land, zeker daar waar ze samenvallen met andere verkiezingen. Sinds de crisis duikt er in de politicologie een nieuw perspectief op de verhouding tussen de Europese Unie en verkiezingen op: nationale verkiezingen ‘Europeaniseren’. Ze gaan mede over het (crisis)beleid dat op Europees niveau wordt gevoerd, ze worden nauw gevolgd in andere Europese hoofdsteden, waar men, soms actief, supportert voor één van de kandidaten, en andere Europese lidstaten worden tijdens de campagnes als voorbeeld gebruikt voor hoe het wel of zeker niet moet. Nationale verkiezingen hebben een veel grotere weerklank in de rest van Europa. Vroeger waren Griekse verkiezingen goed voor een telexbericht in een kolommetje op pagina 11, nu beheersen ze dagenlang ook ons nieuws. Merkel en Di Rupo zijn prominent aanwezig geweest om respectievelijk Sarkozy en Hollande te steunen in de veelbesproken Franse presidentiële race. Het zijn nog geen toestanden zoals bij Amerikaanse presidentsverkiezingen, maar er is toch al meer sprake van een ‘Europese publieke verkiezingsruimte’ dan vier jaar geleden.

Inderdaad is sinds de crisis Europa (zowel Europese Unie, eurozone als andere lidstaten) veel meer aanwezig in het politieke en publieke debat. Het is echter nog allesbehalve duidelijk of dit tot meer wederzijds begrip en een normalisering van politieke contestatie in Europa zal leiden. Of, daarentegen, de wederzijdse beschuldigingen zullen leiden tot een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen Europese volkeren en in de Europese instellingen.

Een schijnbare paradox is dat, in deze crisis, nationale verkiezingen nooit een grotere Europese dimensie hebben gehad, en verschillende als doorslaggevend voor de toekomst van (het land in kwestie in) de euro werden gezien, en tegelijkertijd verkiezingen nooit een kleinere impact lijken te hebben gehad. De verklaring is dat de crisis op zich (en de sterkere greep van de financiële markten) en de nieuwe instrumenten van coördinatie, controle en sanctionering (Europees semester, six pack, two pack, Fiscaal Verdrag) die al zijn ingevoerd of beslist, de lidstaten van de EU en de eurozone in het bijzonder in een nog strakker keurslijf stoppen.

Het tijdperk van ‘permissieve consensus’ (de idee dat de bevolkingen weinig geïnteresseerd zijn in Europa maar vertrouwen in wat hun politici en supranationale actoren op Europees niveau doen) lijkt met deze crisis alleszins definitief voorbij. Er is een politisering van Europese politiek die voorlopig vooral tot uiting komt door een soort van Europeanisering van nationale verkiezingen. Maar ook de Europese parlementsverkiezingen van 2014 zouden wel eens veel geanimeerder kunnen worden dan voorheen, zeker als men beslist om er ook een presidentiële verkiezing van te maken, waarbij de kandidaat van de grootste Europese fractie automatisch verkozen wordt tot Voorzitter van de Europese Commissie. Als deze verkiezingen echt zouden draaien rond verschillende ideologische projecten voor Europa, en niet rond nationale thema’s of meer of minder Europa, dan heeft de crisis voor een normalisering van de Europese politiek gezorgd. Minstens evenveel dan welke institutionele hervorming dan ook, zou zulk pan-Europees ideologisch debat Europa dichter bij een federale Unie, een Verenigde Staten van Europa, brengen. Maar het is natuurlijk nog veel te vroeg om daar iets over te zeggen.

Ferdi De Ville
Doctorassistent aan het Centrum voor EU-Studies van de Universiteit Gent en actief bij Poliargus.

verkiezingen - Europa - eurocrisis

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 10 (december), pagina 25 tot 32