Log in

'Migrant zkt toekomst. Gent op een keerpunt tussen oude en nieuwe migratie'

Uitgelezen

Migrant zkt toekomst. Gent op een keerpunt tussen oude en nieuwe migratie

Pieter-Paul Verhaeghe, Koen Van der Bracht, Bart Van de Putte
Garant, Antwerpen, 2012

Migratie en diversiteit zijn thema’s die nauwelijks nog uit de media zijn weg te slaan. Sinds de electorale doorbraak van het (toenmalige) Vlaams Blok zijn deze topics heikele politieke thema’s gebleven. Ook in de Gentse context was er recent veel aandacht voor de instroom van migranten uit Midden- en Oost-Europa. Dit boek - geschreven door drie onderzoekers van de UGent - neemt de oude en nieuwe migratiestromen naar Gent onder de loep. De centrale stelling is dat Gent zich op het vlak van migratie op een dubbel keerpunt bevindt. Enerzijds maken de ‘oude’ migranten in Gent de transitie van een etnische enclave naar de vorming van een etnische mozaïek. Anderzijds zijn er aanwijzingen dat er voor de nieuwe Gentse migranten net een fase wenkt van enclavevorming - vooral dan voor de Bulgaren onder hen. De centrale stelling wordt ondersteund met de nodige empirische data. Wat het boek daarnaast opmerkelijk maakt, is dat het geheel uiterst leesbaar is neergepend. Geen overvloed aan statische analyses en vakjargon, maar wel een vlot geschreven werk doorspekt met de nodige anekdotes. Bij momenten doet het boek denken aan de stijl die van Congo een bestseller maakte.

Drie concepten staan centraal in het boek: etnische netwerken, etnische enclaves en een etnische mozaïek. Etnische netwerken slaan op de losse verbanden die ontstonden tussen de (Turkse) gastarbeiders die in de jaren 1960 naar de Arteveldestad kwamen. In die jaren was er geen sprake van eigen Turkse instituties - geen Turkse bakkers, kappers of moskeeën. Pas sinds de jaren 1970 was er stilaan sprake van ‘enclavevorming’. Mede door de sociaaleconomische achterstelling transformeerde de Turkse minderheid zich tot een relatief gesloten enclave, gekenmerkt door sociale achterstelling en een hoge ruimtelijke concentratie, en het ontstaan van een ‘Turkse zuil’. Stilaan maken die ‘oude’ migranten de overgang naar een etnische mozaïek. Het boek toont overtuigend aan dat er zich voor de oude Gentse migranten een keerpunt in de geschiedenis voordoet. Gebruik makend van data uit het rijksregister toont men ontegensprekelijk aan dat zowel de ruimtelijke segregatie als het aandeel van immigratiehuwelijken afneemt. Zo ontdekken de auteurs een duidelijke suburbanisatie van de ‘oude’ - vooral Turkse - migranten. Terwijl de wijken van de typische Turkse enclave - zoals de Brugse Poort - steeds minder Turks kleuren, neemt de diversiteit toe in bepaalde middenklassewijken in de Gentse stadsrand, zoals Wondelgem, Sint-Amandsberg, Oostakker en Gentbrugge. Wat de importhuwelijken betreft, stellen de auteurs een sterke daling vast tussen 2001 en 2008. Tegelijkertijd zitten de gemengde Turks-Belgische en Marokkaanse-Belgische huwelijken in de lift. Uit deze bevindingen trekken de auteurs de conclusie dat de Turkse en Marokkaanse Gentenaars steeds meer met dan naast de Belgische Gentenaars leven. Ze noemen dit de fase van de ‘etnische mozaïek’.

De auteurs buigen zich daarnaast ook over de ‘nieuwe’ Gentse migranten uit Midden- en Oost-Europa. Eerst en vooral vallen de grote verschillen tussen de etnische groepen op. De meeste Poolse Gentenaars zijn actief op de arbeidsmarkt en doen aan tijdelijke arbeidsmigratie. Het merendeel van de Slowaakse Gentenaars zit zonder werk en vertoont het patroon van cirkelmigratie: men komt voor een tijdje naar België, reist dan door naar een ander land of keert terug naar Slowakije, om daarna opnieuw naar België te trekken. De Bulgaarse Gentenaars ten slotte zijn werkzaam in vaak dubieuze en dus zeer precaire statuten. In tegenstelling tot de Poolse en Slowaakse Gentenaars lijkt hun verblijf in Gent meer permanent te zijn. Alhoewel het koffiedik kijken blijft, vertoont vooral de Bulgaarse minderheid in Gent de eerste tekenen van ‘enclavevorming’ - waarbij de Bulgaarse wijken sterk overeenkomen met de traditionele Turkse wijken in de 19e eeuwse gordel.

Ondanks de sterke empirische onderbouw van de centrale stelling van het boek komen er toch een aantal bedenkingen en kritieken naar boven tijdens het lezen van boek. De voornaamste kritiek is dat - hoewel het duidelijk is dat er een tendens is naar etnische mozaïekvorming - bij de ‘oude migranten’ zowel de ruimtelijke segregatie als het aantal importhuwelijk hoog blijft. We zien nu dus de eerste tekenen van verandering, maar stellen dat er al sprake is van een etnische mozaïek is een brug te ver. Een frappant voorbeeld hierbij is dat bij personen van Turkse origine er slechts 2% interetnische huwelijken zijn - alhoewel dat bij de jongeren een stuk hoger ligt. Een andere cruciale vraag die opborrelt bij het lezen van het boek is wat de lessen zijn voor het stedelijk beleid. De teneur van het boek is bovenal beschrijvend. Deels is dat ook de sterkte van het boek: in een politiek heikel onderwerp als migratie en diversiteit hebben we nood aan gedegen empirische analyses. Toch kan me zich de vraag stellen waarom het 50 jaar duurde vooraleer we de eerste tekenen zien van een ‘gezonde’ etnische mix. Het idee dat het ook een halve eeuw zal duren vooraleer we de nieuwe Gentse Oost-Europeanen hebben ‘geïntegreerd’, is daarnaast niet echt geruststellend. Laat dat voer zijn voor verder onderzoek.

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 10 (december), pagina 68 tot 69