Abonneer Log in

Ronald Dworkin (1931-2013). Filosoof van de gelijkheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 3 (maart), pagina 41 tot 43

Op 14 februari 2013 overleed Ronald Dworkin. Dworkin was een Amerikaans politiek en rechtsfilosoof die samen met auteurs als John Rawls (1921-2002) een van de belangrijkste paradigmata van de hedendaagse politieke filosofie heeft geijkt: het liberaal egalitarisme. Dworkin was een liberal, in de Amerikaanse betekenis. Dat betekent dat zijn standpunten verschilden van de zogenaamde conservatives. Hij vond dat de staat meer aan herverdeling moet doen (versus neoliberalisme en ongeremd kapitalisme) en dat de overheid en het recht neutraal moeten zijn om de menselijke vrijheid te garanderen (versus een paternalistische overheid die bijvoorbeeld pornografie of abortus wil verbieden of een bepaalde seksuele moraal naar voor schuift).

De baseline van het liberalisme is de idee dat de overheid haar burgers als vrije en gelijke individuen moet behandelen. Mensen hebben (liefst grondwettelijk beschermde) rechten die niet zomaar geschonden kunnen worden (rights as trumps) en mensen verdienen als dusdanig gelijk respect. Voor Dworkin komt daarbij dat wanneer vrijheid en gelijkheid met elkaar in conflict komen, gelijkheid moet primeren. Dit laatste betekent niet dat mensen steeds exact gelijk behandeld moeten worden, de overheid moet ze as equals behandelen. Deze idee van gelijkheid impliceert dat bepaalde individuen of (kansen)groepen bevoordeeld moeten worden omdat ze anders geen faire toegang hebben tot de basisgoederen (resources) en kansen die noodzakelijk zijn voor elk menswaardig leven. Zonder dit extra voordeel (positieve discriminatie) worden deze door de natuurlijke loterij benadeelde mensen niet als gelijken behandeld.

In zijn invloedrijk tweeledig artikel What is Equality (1981) maakt Dworkin het onderscheid tussen choice en circumstance. Als een overheid gelijk respect wil opbrengen voor de mens als vrij individu, dan moet ze haar burgers verantwoordelijk stellen voor de keuzes die ze maken en moeten mensen gecompenseerd worden voor die dingen waardoor ze bevoor- of benadeeld worden maar zelf niets kunnen aan doen. Met andere woorden, de overheid moet zich niet inlaten met ongelijkheid die voortvloeit uit de keuzes die mensen maken (investeren of niet, studeren of niet, sparen of niet, veel vrije tijd willen of niet, dure levensstijl aanhouden of niet); de overheid moet zich wel bezighouden met ongelijkheid die het resultaat is van het lot dat mensen treft (slechte gezondheid, leven met een handicap, een natuurramp, ongewilde werkloosheid, rijke of arme ouders). Dworkins liberalisme resulteert aldus in een combinatie van vrije markt (voor het reguleren van de choice) en een systeem van solidaire herverdeling (ter compensatie van de circumstance). Hiermee legt Dworkin de basis voor luck egalitarianism dat erop uit is de effecten van brute (bad) luck te minimaliseren opdat mensen zoveel mogelijk gelijke kansen op zelfontplooiing zouden hebben. Concreet: wie werkloos is omdat er geen arbeidsplaatsen zijn, kan een compenserende werkloosheidsuitkering krijgen; mensen die moedwillig niet willen werken, niet.

Dworkin verduidelijkt de basisintuïtie van het luck egalitarisme met een gedachtenexperiment. Wanneer een groep mensen aanspoelt op een onbewoond eiland, dan kan dit eiland fair worden verdeeld volgens de verschillende ambities en preferenties van de afzonderlijke individuen door een veiling te organiseren. Iedereen krijgt 100 schelpen en kan bieden op de verschillende delen van het eiland die te koop worden gesteld. Dit zou een faire verdeling moeten opleveren waarbij iedereen min of meer tevreden is. Wie jaloers is op het stuk van de buurman, had tijdens de veiling meer moeten bieden. De verdeling doorstaat met andere woorden de envy test.

Wat nu wanneer niet alle drenkelingen dezelfde mogelijkheden hebben en er mensen bij zijn met een handicap of een zwakke gezondheid? Wil het resultaat van de veiling fair zijn, dan moeten deze mensen vóór de veiling plaatsvindt gecompenseerd worden met extra schelpen. Een blinde heeft immers meer basisinvestering nodig in vergelijking met de mensen die niet blind zijn. Om dezelfde reden zouden mensen die vaak ziek zijn, iets achter de hand moeten kunnen hebben voor de periode waarin ze buiten hun eigen verantwoordelijkheid om werkonbekwaam zijn en geen inkomen hebben. Om te vermijden dat alle beschikbare schelpen op voorhand al in de gemeenschappelijke pot verdwijnen zodat er geen ruimte meer is voor het eigen initiatief, stelt Dworkin het verzekeringssysteem voor als de meest faire optie. Als iedereen zich even in gedachten terugtrekt achter de sluier van onwetendheid (waardoor men niet weet in welke positie en met welke mogelijkheden en beperkingen men straks in de samenleving terecht komt), dan is het redelijk dat we ons verzekeren tegen factoren van ongeluk en pech die buiten onze wil plaatsvinden. Als we niet weten of we straks al dan niet als een persoon met een handicap door het leven zullen gaan, is het redelijk dat we een deel van ons startkapitaal vooraf in een gemeenschappelijke pot steken zodat we daar een beroep kunnen op doen indien dat nodig zou zijn. Zo lijkt het rationeel dat iedereen bijvoorbeeld 30 van de 100 schelpen (over de juiste verhouding kan worden gediscussieerd, wat hier telt is het principe) in het gemeenschappelijk verzekeringssysteem stopt.

Met dit gedachtenexperiment verduidelijkt Dworkin dat de welvaartsstaat, waarin de vrije markt, het vrij initiatief en het eigendomsrecht (de veiling uit het gedachtenexperiment) wordt gecombineerd met een systeem van substantiële belastingen (verzekering uit het gedachtenexperiment) waarmee sociale voorzieningen als werkloosheidsuitkering, ziekteverzekering, minimumloon en pensioenen worden betaald, gebaseerd is op een morele grondslag van vrijheid en gelijkheid. Hiermee verzet Dworkin zich tegen de idee dat een sociaaldemocratische welvaartsstaat een zwak compromis is tussen socialisme en ongeremd kapitalisme - een systeem dat voor socialisten de gelijkheid te weinig centraal stelt en voor libertaire kapitalisten de vrijheid te veel beperkt. De sociaaldemocratische welvaartsstaat is geen wishy-washy systeem, maar een eigenstandig model met een solide morele onderbouw, gebaseerd op vrijheid, gelijkheid en bescherming tegen ongewild nadeel.

Het is een van de grote verdiensten van Dworkin dat hij de morele argumentatie die ten grondslag ligt aan de idee van de welvaartsstaat heeft proberen te expliciteren. Hij doet dat overigens mede met een traditioneel ‘rechtse’ terminologie: verantwoordelijkheid. Mensen die hun droeve lot aan zichzelf te danken hebben, moeten daar zelf verantwoordelijkheid voor opnemen. Slechts het ongeluk dat aan onze keuzevrijheid ontsnapt verdient overheidscompensatie. Het werk van Dworkin is ongetwijfeld nog steeds inspirerend voor sociaaldemocraten, zeker nu het door de crisis opnieuw belangrijk is om de morele grondslag van de welvaartsstaat terug duidelijker te thematiseren. Belastingen en sociale voorzieningen zijn geen aanslag op het eigendomsrecht maar een redelijke investering in de toekomst van ons allen als vrije en verantwoordelijke individuen. Vanuit dat inzicht kan het sociaaldemocratische programma wervend zijn voor iedereen.

Patrick Loobuyck
Redactielid Samenleving en politiek en moraalfilosoof aan de Universiteit Antwerpen

Ronald Dworkin is onder meer auteur van volgende boeken: Taking Rights Seriously (1978); A Matter of Principle (1985 - met daarin zijn artikel Liberalism); Law’s Empire (1986), Life’s Dominion: An Argument About Abortion, Euthanasia and Individual Freedom (1993); Sovereign Virtue: The Theory and Practice of Equality (2000 - met daarin zijn tweeledig artikel What’s Equality? dat oorspronkelijk in Philosophy and Public Affairs 1981, 10verscheen) en Justice for Hedgehogs (2011) met een samenvatting van zijn kerngedachten.

ideologie - filosofie - Ronald Dworkin - in memoriam

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 3 (maart), pagina 41 tot 43