Abonneer Log in

Hernieuwbare-energie-coöperaties: kansen en uitdagingen

DE REVIVAL VAN DE COÖPERATIE (9)

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 4 (april), pagina 78 tot 83

Rechtstreeks mede-eigenaar zijn van windturbines en zonnepanelen en er de elektriciteit van kunnen afnemen; dus vennoot zijn van de coöperatie die groene productie-installaties bezit en uitbaat; een stem hebben in dat bedrijf; evenveel te vertellen hebben in de Algemene Vergadering als je buurvrouw die een veelvoud van jouw aandelen heeft; voldoende transparantie krijgen om inzicht te verwerven in je bedrijf; tevreden zijn met een billijke vergoeding voor je financiële investering; kunnen rekenen op een goede dienstverlening; greep krijgen op je eigen elektriciteitsvoorziening: dat is het model waar echte REScoops1 - hernieuwbare-energiecoöperaties - voor staan. Het is ook het model dat Ecopower CVBA uitdraagt en verdedigt, sinds kort ook op Europees niveau. Het lijkt een ideale formule. Dus waarom zou niet iedereen - gebruiker of ondernemer - daarvoor kiezen? Deze bijdrage wil dit toelichten en kanttekeningen plaatsen.

ECOPOWER PRIL, EEKLO ALS DOORSTART

Ecopower werd in 1991 opgericht om projecten voor kleine waterkracht te ondersteunen, via leningen aan andere ondernemingen. In het begin kabbelde de coöperatie stilletjes verder, met een vijftigtal vennoten die hun aandeel wellicht eerder als renteloze lening beschouwden. Intussen timmerden de Ecopower- initiatiefnemers via ODE-Vlaanderen, de organisatie voor duurzame energie, aan een gewijzigd ‘klimaat’ voor hernieuwbare energie.

Eind jaren 1990 was het zo ver. Er kwamen nieuwe steunmaatregelen voor hernieuwbare energie en Ecopower nam een doorstart: een nieuwe raad van bestuur, alle leningen werden terugbetaald en de cvba was klaar voor meer en beter. Dat lukte toen Ecopower een opdracht ‘won’ van de stad Eeklo. Opdracht: twee windturbines bouwen op stedelijke grond, tegen een financiële vergoeding. Selectiecriteria: de grootte van de vergoeding voor het recht van opstal (de ‘huur’ van de grond), de voordelen op energievlak voor de stad, een rist andere zaken maar bovenal: participatie. Daar stonden veel punten op: kunnen de burgers mede-eigenaar worden van deze windturbines? En voor welke volume van het project? Het was spek naar de bek van Ecopower: alle projecten staan immers open voor 100% rechtstreekse participatie. Met het project in Eeklo werd veel meer concreet: een serieuze investering, veel meer coöperanten én het was een welkome open deur naar een echt coöperatief bedrijf: geen leningen aan andere bedrijven, maar projecten in rechtstreeks eigendom, het werk aan een draagvlak in en voor de samenleving.

Twee faits divers. Ik herinner me nog goed de verontwaardiging van een Eeklonaar op de informatievergadering van de stad. Die keuze voor Ecopower? Terwijl een eventueel dividend beperkt blijft tot 6%? Schande! Het waren volle Lernout & Hauspie-tijden met enorme luchtbeldividenden. De stad motiveerde standvastig: er waren door een onafhankelijke jury criteria geformuleerd, de dossiers werden zo beoordeeld en Ecopower scoorde het best.
En ten tweede, al is dat dan voor de annalen én voor de toekomst: al dat werk van toen werd vrijwillig geleverd en zo is het nog een hele poos gebleven. Misschien is dat typisch voor coöperaties, die immers ontstaan vanuit een drang, een streven naar waarden, een meer dan persoonlijke behoefte of nood. Ik vertel dat er hier bij omdat dit vaak vergeten wordt door starters. Maar vooral omdat we nu zien dat coöperaties vandaag kunstmatig in het leven worden geroepen als financieringsvehikel en -machine. Daarover verder meer.

DIENSTVERLENING AAN DE LEDEN

Eeklo was een belangrijke stap, maar zeker evenveel betekenis heeft de liberalisering van de elektriciteitsmarkt. Bij de oprichting in 1991 stond al in de statuten dat de coöperanten stroom ‘moesten’ afnemen zo gauw dat kon. Geen kip die toen dacht dat dat ooit mogelijk zou zijn. Maar met de liberalisering van de elektriciteitsmarkt werd dat dwaze - of visionaire? - idee ineens mogelijk. De leden van de Algemene Vergadering drongen er op aan dat ze ook de elektriciteit van hun projecten zouden kunnen afnemen. Ecopower vroeg een leveringsvergunning aan voor Vlaanderen en levert sinds juli 2003 dus groene stroom aan de coöperanten. De elektriciteit wordt verrekend aan een vast bedrag per kWh, hetzelfde over heel Vlaanderen en hetzelfde voor dag- of nachtverbruik. Een eenvoudige formule, die vooral batig is voor kleine en middelgrote verbruikers. Nooit wordt die aangeprezen als ‘goedkoop’: we proberen een billijke prijs te vragen. Omdat de elektriciteitslevering wordt gezien als een dienstverlening aan de leden, is het principe immers: de prijs wordt bepaald door de kosten, het is niet de bedoeling dat er winst op wordt gemaakt. De levering van elektriciteit leidde tot een gestage instroom van nieuwe coöperanten, en dat blijft op een tamelijk vast ritme zo toenemen, tot op de dag van vandaag. Intussen heeft Ecopower meer dan 40.000 coöperanten - uiteraard met een ander profiel dan het handvol coöperanten van het eerste uur.

COÖPERATIES EN HERNIEUWBARE ENERGIE

‘De wind waait voor iedereen’. Hernieuwbare energie is bij uitstek een ‘common good’, een gemeenschappelijk goed dat ten goede moet komen aan de gemeenschap en niet aan enkelingen. Hernieuwbare-energiecoöperaties (REScoops) vullen dat in door resoluut te kiezen voor rechtstreeks mede-eigendom, medebeslissingsrecht, meedelen in de winsten en door - waar mogelijk - de opgewekte stroom ook te leveren aan de leden.

Maar REScoops opereren binnen de gangbare markt. Een voorbeeld. Een privépersoon die een geschikt perceel ter beschikking stelt om een windturbine op te bouwen, ontvangt daarvoor een jaarlijkse vergoeding onder de vorm van een recht van opstal. Dat gaat vandaag gemakkelijk over meer dan 20.000 euro per jaar. Veel relevanter dan de grootte van dit bedrag is de vraag of dit wel correct is. De toevallige eigenaar van dat perceel krijgt de vergoeding, de buur honderd meter verderop - waar nu geen windturbine meer kan komen - niets. Het had evengoed omgekeerd kunnen zijn. Er bestaat nochtans een oplossing voor dergelijke situaties: het concessierecht, waarbij de overheid op basis van criteria een concessie op de wind toewijst aan een uitbater. We kennen dat al van de energie onder de grond, waarbij een steenkoolader niet toebehoort aan de eigenaar van dat lapje grond er boven, maar waar die ontgonnen wordt door de concessiehouder. Dezelfde redenering kan je maken voor energie ‘boven de grond’, voor wind.

REScoops lijken, door het feit dat ze een maatschappelijk doel nastreven en zo veel mogelijk mensen daarbij betrekken, voor zulke concessies de best geschikte kandidaten. Die overweging wint op beleidsniveau veld. In Wallonië is er het Cadre de Référence voor de ontwikkeling van windprojecten. Elke projectontwikkelaar moet ervoor zorgen dat een windproject voor 25% openstaat voor lokale besturen en voor 25% voor een lokale coöperatie van burgers. Hiermee erkent de Waalse overheid de facto de maatschappelijke meerwaarde van REScoops. In Vlaanderen is er het project ‘Energielandschap Oost-Vlaanderen’. De provincie onderzoekt er de mogelijkheid om een gelijkaardige formule toe te passen. Elke projectontwikkelaar zou een deel van zijn windproject moeten afstaan aan de provinciale overheid, die dit op haar beurt en volgens criteria doorsluist naar een lokaal coöperatief initiatief.
Een nieuwe denkpiste die kan zorgen voor meer draagvlak en die stappen zet richting een andere economie. Maar die in Vlaanderen niet toevallig ook op weerstand stuit.

Projectontwikkelaars proberen al een poosje het coöperatieve verhaal te kapen om het in te schakelen ten dienste van de gangbare economie. Dat gaat als volgt. Een nv creëert een co­operatie - wat overigens in België erg eenvoudig is. Die coöperatie haalt geld op door aandelen uit te schrijven en verstrekt met dat geld vervolgens een achtergestelde lening aan de nv. De nv brengt dit in als quasi eigen kapitaal en kan dit gebruiken, bijvoorbeeld als basis voor een lening bij de bank. Er is een structurele band tussen nv en cvba, waarbij erover gewaakt wordt dat à la limite de nv het voor het zeggen heeft in de coöperatie. Dat wordt netjes geregeld door in de coöperatie met A- en B-aandelen te werken, eventueel nog met een categorie C. Kort gezegd: de nv zorgt ervoor dat zij de A-aandeelhouders levert en dat de andere aandeelhouders minder te vertellen hebben. In de Algemene Vergadering wegen de belangen van de nv door. Omgekeerd heb je als coöperant niets in de pap te brokken bij de nv. Die nv kan op eigen houtje beslissen om te investeren in vervuilende projecten, in hernieuwbare energie op basis van afvalverbranding, kan beslissen om naar de beurs te gaan… zonder dat de coöperanten daar zelfs maar over hoeven te horen. De nv is eigenaar van de projecten, niet de coöperanten van de cvba.

Zijn zulke nepcoöperaties helemaal slecht? Neen. Maar ze schakelen zich niet in in het coöperatieve verhaal van onafhankelijkheid, van mede-eigendom, van democratische besluitvorming, van een waardegedreven economie. Door dit oneigenlijke gebruik van de cvba dreigen ze het coöperatieve verhaal uit te hollen. Bovendien plaatsen ze zich in concurrentie tegenover coöperaties die de ICA- principes (zie het stuk van Lieve Jacobs en Wim Van Opstal in dit nummer) wel respecteren en die er hun activiteiten en beheer op enten - terwijl samenwerking tussen coöperaties juist zo belangrijk is. Evenmin zorgen ze ervoor dat burgers greep krijgen op hun eigen energievoorziening en er ook verantwoordelijkheid voor kunnen dragen. Ze drijven zelfs de prijs op die de consument moet betalen voor zijn energie, want de nv die hen controleert verkoopt zijn productie zo duur mogelijk.

ERKENNING NRC SCHIET TEKORT

Erger nog is wellicht dat dergelijke nepcoöperaties zonder problemen een erkenning kunnen krijgen van de Nationale Raad voor de Coöperatie (NRC). Als keurmerk, als toetssteen voor het coöperatieve gehalte van een onderneming, stelt die NRC-erkenning dus helaas niet veel voor. Daarvoor zijn de criteria veel te liberaal. Bijvoorbeeld het principe ‘een persoon, één stem’ - wat moet staan voor democratische besluitvorming - kan perfect met A- en B-niveaus worden ingevuld, waardoor sommigen ‘meer gelijk zijn dan anderen’. Erger nog: op papier klinkt het dat één aandeelhouder nooit meer dan 10% van de stemmen in handen mag hebben - maar zelfs dat wordt in de praktijk omzeild.
Er zijn ook coöperaties bekend die gemakshalve tijdelijk afstand doen van hun erkenning. Ze verlaten het statuut om gedurende een bepaalde periode meer dan 6% dividend2 uit te keren. Daarna vragen ze opnieuw de erkenning aan!

Dat alles valt toch moeilijk te beschouwen als een doorleefde keuze voor een coöperatie als bouwsteen voor een andere economie?

WIJZIGINGEN OP TIL

Minister Johan Vande Lanotte heeft al aangekondigd3 dat hij de erkenningsvoorwaarden wil herzien. In een tijd waarin coöperaties naar voren worden geschoven als mogelijke oplossing voor een crisis, in een tijdsgewricht waarin mensen steeds meer hun eigen lot in handen willen nemen, samen met anderen, is dat inderdaad een goede keuze. De coöperatie als onderneming heeft behoefte aan het zichtbaar maken van de meerwaarde. Want die is er en verdient een helder statuut. 4 De ICA-principes moeten veel sterker dan nu de NRC-erkenning bepalen.

Wordt die oefening makkelijk? Neen. Maar een grondig debat, een actieve herbronning kan juist kansen bieden voor de coöperatie als permanent vernieuwende en als maatschappelijke ondernemingsvorm. Niet het angstvallige bewaken van een of ander status quo moet bij zo’n oefening gelden, wel de toekomst en de concrete invulling. Want in het coöperatieve kan je groeien, dat zien we ook bij Ecopower.

VAN KLANT NAAR COÖPERANT, VAN CVBA NAAR ACTIEVE COÖPERATIE

Voor heel wat coöperanten verloopt de eerste kennismaking met Ecopower in een zoektocht naar een nieuwe elektriciteitsleverancier: groener, of goedkoper, of allebei. Vaak volgt pas daarna de reactie: ‘ik wist niet dat dit bestond! Dit is een coöperatie, een ander bedrijf waar ik zelf een inbreng in kan hebben’. Voor Ecopower ligt hier een taak. Met 40.000 mensen een band opbouwen is niet evident. We werken er voortdurend aan: met extra bestuursvergaderingen, met een Algemene Vergadering die echt inbreng heeft in het beleid, met transparante informatie, nieuwsbrieven, informatieavonden. Belangrijk is op zoek te blijven naar allerlei manieren om die band waar te maken, om ervoor te zorgen dat die band er werkelijk blijft, ook als het eens wat minder gaat met de realisatie van projecten, met de wisselvallige wetgeving voor hernieuwbare energie, met de winsten.
Ecopower heeft dezelfde reis gemaakt. Vijftien jaar geleden kenden we de ICA-principes als zodanig niet. We pasten ze wel toe, wellicht niet toevallig, maar evenmin erg bewust of systematisch en zonder ons echt bewust te zijn van die wereldwijd gedeelde inzichten. Vandaag vormen ze de toetssteen van onze onderneming en we blijven er aan werken. Intussen hebben we ‘sensibiliseren voor coöperatief ondernemen’ zelfs opgenomen als een van onze opdrachten voor Ecopower.
De coöperatieve identiteit en de ICA-principes voelen aan als thuiskomen, als ‘juist’ voor ons bedrijf. Er gaat een grote werfkracht van uit, die meer bekendheid verdient én een waarachtige wettelijke achtergrond.

Relinde Baeten
Communicatieverantwoordelijke Ecopower

Noten
1/ REScoop staat voor ‘Renewable Energy Sources Cooperative’: groepen en coöperaties van burgers voor hernieuwbare energie. Er is een Belgische federatie www.rescoop.be en een Europees Intelligent Energy Project, REScoop20-20-20, www.rescoop.eu. In dat Europese project sporen we de REScoops in Europa op, we vergelijken modellen, onderzoeken hoe de wetgeving voor REScoops efficiënter kan worden, leveren steun aan startende coöperaties in diverse Europese landen. Het doel: meer projecten met hernieuwbare energie in burgerhanden, in coöperatieve handen. REScoops kaderen dit ook in een meer waardegedreven economie.
2/ Een van de erkenningscriteria van de NRC: een maximaal dividend van 6%. Voordelen van de erkenning zijn onder meer de vrijstelling van roerende voorheffing voor dividenden tot 180 euro.
3/ Op 22 november 2012, via woordvoerder Karel De Bond, tijdens een evenement van de NRC.
4/ Denk daarbij ook aan het ontstaan van de nieuwe so-vennootschapsvormen, ondernemingen met sociaal oogmerk.

|

ECOPOWER CVBA IN HET KORT:
- actief in Vlaanderen, sinds enkele jaren ook in Wallonië;
- eind 2012: 43.000 coöperatieve leden;
- 50 miljoen euro eigen kapitaal;
- 1 aandeel: 250 euro, staat zes jaar vast.

Productie:
- Wind: 13 turbines - 25,4 MW;
- PV: 270 installaties - 2,25 MW; - Kleine waterkracht: restauratie van 3 watermolens, 0,1 MW;
- 1 WKK op plantenolie - 0,25 Mwe, 0,3 MWth;
- Ondersteuning van Waalse REScoops (13 x 2,3 MW windturbines).

Leverancier van:
- 90 miljoen kWh groene stroom uit België;
- simpel tarief;
- 1,32% van de Vlaamse huishoudens;
- 36.978 klanten eind 2011, 5478 nieuwe klanten in 2012;
- meest faire en groene elektriciteit en beste klantenservice op de markt (Greenpeace, VREG).

|

hernieuwbare energie - Ecopower - coöperaties

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 4 (april), pagina 78 tot 83