Log in

'De trots & welvaart van naties. Een geschiedenis van het economisch nationalisme'

Uitgelezen

De trots & welvaart van naties. Een geschiedenis van het economisch nationalisme

Olivier Boehme
De Bezige Bij, Antwerpen, 2013

Een paar jaar geleden trok Olivier Boehme de aandacht met zijn Greep naar de markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum (2008, Lannoo, Tielt). In zijn nieuwste boek gaat hij in op de geschiedenis van het economisch nationalisme.

Boehme richt zich in zijn boek op de West-Europese natiestaten zoals die zich vanaf de 15de eeuw begonnen af te tekenen en vooral in de voorbije twee eeuwen vorm kregen. Ook de Verenigde Staten worden behandeld. Hij heeft veel aandacht voor de internationale theoretici. Zo staat hij stil bij Friedrich List, de Duitse econoom die in zijn hoofdwerk uit 1841, Das nationale System der politischen Ökonomie, pleit voor nationale economieën die afhankelijk van de fase waarin ze zich bevinden meer voordeel kunnen doen met protectionisme dan wel met vrijhandel. Binnen een land kunnen daaromtrent trouwens ook verschillen bestaan. Zo was protectionisme traditioneel meer in het belang van de zware Waalse industrie, terwijl Vlaanderen met zijn havens meer gewonnen was voor vrijhandel. Ideologische verschillen als gevolg van een andere economische structuur, het klinkt bekend.

De stukken over België en het Vlaamse nationalisme krijgen niet onverwacht het meeste belangstelling in de pers. Boehme is kritisch voor het nationalisme, en baseert zich daarvoor op bronnen. Vooral de manier waarop hij toelicht hoe Bart De Wever met de N-VA een strategie toepast geïnspireerd op de theorieën van Miroslav Hroch is daarbij leerzaam. In zijn Social preconditions for national revival in Europe (2000, Columbia University Press, New York), oorspronkelijk uit 1969 en pas in 1985 in het Engels vertaald, onderscheidt deze Tsjechische historicus drie fases bij de ontwikkeling van het nationalisme. In een eerste fase vertoont een beperkte intellectuele elite sterke belangstelling voor de taal, cultuur en geschiedenis van ‘een volk’. In een tweede fase ontstaat de politieke agitatie om de natie vorm te geven en pas in de derde fase groeit dit uit tot een massabeweging. De nationalistische voorhoede moet daarvoor die massa er van overtuigen dat de agenda van natievorming samenvalt met hun eigen sociale en economische belangen.

Boehme toont overtuigend aan dat de N-VA een strategie volgt die spoort met de inzichten van Hroch. Met sociaaleconomische argumenten worden de Vlamingen er van overtuigd dat een zo groot mogelijke Vlaamse autonomie noodzakelijk is. De realisatie van het Vlaams nationalisme is echter het grote doel en bepaalt volledig de agenda. Er wordt een sociaaleconomisch discours gehanteerd als middel om de nationalistische agenda te realiseren. Ten aanzien van de potentiële kiezers wordt de redenering omgedraaid: meer rijkdom, en dus meer Vlaanderen. Maar voor de rabiate nationalist telt alleen meer Vlaanderen, en dat mag desnoods een economische prijs hebben. Zo toonden sommige Vlaamsgezinden zich al bezorgd over de gevolgen voor de Vlaamse volksaard van de economische opgang die zich tussen beide wereldoorlogen begon af te tekenen.

De auteur spreekt wat natievorming betreft treffend over het Pygmalioneffect, naar de Griekse beeldhouwer Pygmalion die een beeld van een mooie vrouw maakte en er verliefd op werd, waarna het door Aphrodite tot leven werd gewekt. Het Nederlandstalige deel van België had immers geen verleden als aparte entiteit. Het beeld van een Vlaams volk werd opgeroepen en door politieke strijd via taalwetgeving en staatshervormingen gestalte gegeven, en uiteindelijk blijkt zich een soort Vlaamse samenleving af te tekenen. Men is er in geslaagd om de Vlaamse provincies als geheel af te zetten tegen de Waalse provincies als geheel en deze tegenstellingen te institutionaliseren. Verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië worden verabsoluteerd, verschillen binnen Vlaanderen en Wallonië lijken van geen tel. Transfers tussen bijvoorbeeld het centrum en de periferie worden niet in vraag gesteld, die tussen noord en zuid krijgen voortdurend aandacht. Boehme noemt de invoering van het begrip Vlaanderen een combinatie van historische legitimatie en politiek-culturele metafysica.

Boehme gaat ook in op Europa, waar een gevoel van Europese nationaliteit zal nodig zijn om de Europese constructie te bestendigen. Naar aanleiding daarvan werd in een interview met Boehme in De Standaard van 23 maart door Joël De Ceulaer de parallel getrokken tussen Bart De Wever en Guy Verhofstadt. Beiden zouden economische nationalisten zijn: De Wever op Vlaams, Verhofstadt op Europees niveau. Het klopt dat het verhaal van de Europese eenmaking aan de publieke opinie verkocht is als een win-winverhaal, waarbij iedereen er economisch zou op vooruit gaan. Het klopt ook dat Guy Verhofstadt een vurige verdediger is van meer Europese samenwerking. ‘Natievorming heeft zijn prijs’, zo luidt de voorlaatste zin van het boek. Economische belangen worden wel eens ondergeschikt gemaakt aan het project van de natie-vorming, en dat geldt ook voor Europa.

Maar dat neemt niet weg dat het uitgangspunt van Guy Verhofstadt en Bart De Wever fundamenteel verschillend is. In zijn bewogen politieke loopbaan, waarin op zijn minst periodes met duidelijk verschillende politieke accenten te onderscheiden zijn, wijst niets er op dat Verhofstadt zou dromen van een Europees project dat te allen prijze moet worden gerealiseerd, ook als dat globaal ten koste zou gaan van de welvaart van de inwoners. Bij Bart De Wever staat de Vlaamse ontvoogding centraal, al de rest is daar aan ondergeschikt en slechts instrument daartoe. Bij Guy Verhofstadt staat geen dergelijk nationalistisch project voorop in zijn denken. Enige flexibiliteit in het streven naar macht kan Verhofstadt niet ontzegd worden, maar een Europese nationalistische rode draad valt in zijn politieke carrière niet te bespeuren. De niet zo rode draad in het discours van Bart De Wever wordt door Boehme o.a. aan de hand van een radio-interview duidelijk aangetoond.

Olivier Boehme heeft een interessant en toegankelijk boek geschreven over nationalisme en economie. De titel verwijst uitdrukkelijk naar The Wealth and Poverty of Nations van David Landes, dat dan weer terug gaat op het beroemde An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations van Adam Smith. Het bevat te weinig nieuwe inzichten om zich met deze bekende werken te kunnen meten, maar de manier waarop de denkmechanismen achter het economisch nationalisme onderzocht worden, is zonder meer verfrissend en verhelderend.

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 6 (juni), pagina 86 tot 88