Abonneer Log in

Parlementsleden over het Belgische federalisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 6 (juni), pagina 4 tot 20

Tijdens de 541 dagen dat België geen volwaardige federale regering had en in een politieke crisis verkeerde, waren het vooral de partijtoppen die het politieke toneel beheersten en in de media aan bod kwamen. Intussen zijn de federale parlementsleden aan zet. Zij moeten de wetgeving stemmen die de zesde staatshervorming uitvoert. Toch verhindert de partijdiscipline heel vaak dat zij zich ongeremd uitlaten over hun visie op het federalisme in België, zeker als er een akkoord is bereikt. Dit onderzoek, dat in de zomer van 2011 werd verricht, dus voor het akkoord over de staatshervorming tot stand kwam, had precies de bedoeling om de parlementsleden te vragen naar hun perceptie van het federalisme in België. We hebben niet enkel de federale parlementsleden ondervraagd maar ook hun collega’s uit de regionale parlementen. In dit artikel bespreken we kort enkele resultaten van dit onderzoek.

Tussen juli en oktober 2011, en dus nog voor het akkoord over de zesde staatshervorming in een definitieve vorm werd gegoten, werden de 513 parlementsleden van dit land (Kamer van Volksvertegenwoordigers, Senaat, Vlaams Parlement, Waals Parlement, Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap) verzocht om deel te nemen aan een uitgebreid onderzoek naar de toekomst van het federalisme in België. Er werd hen een lijst met 26 vragen voorgelegd, waarin de volgende vier belangrijke thema’s werden behandeld: het model en de architectuur van het federalisme in België; de identiteitsgevoelens m.b.t. het politieke niveau (of de niveaus) waarop zij actief zijn (lokaal, gewestelijk, federaal of Europees); de belangrijkste redenen om de zesde staatshervorming te legitimeren; en de betrekkingen tussen de gemeenschappen. Ten slotte is het ook belangrijk om te onderstrepen dat ons onderzoek volstrekt anoniem was, opdat de parlementsleden zo eerlijk mogelijk zouden kunnen antwoorden.

In totaal hebben 243 parlementsleden1 deze vragenlijst ingevuld, d.w.z. 49,8% (Tabel 1) van alle parlementsleden; dat is in internationaal vergelijkend perspectief een hoge participatiegraad voor dit soort parlementair onderzoek. Kijken we echter naar de mate waarin de verschillende politieke partijen hebben geparticipeerd aan dit onderzoek, dan noteren we verschillen. Dat is een vaststelling waar we rekening mee moeten houden wanneer we bepaalde resultaten van het onderzoek analyseren, al zorgen de aantallen antwoorden in absolute termen (N) er wel voor dat er een voldoende ‘kritische’ massa is bereikt. Laten we er ook aan toevoegen dat de resultaten van die partijen die zeer weinig gekozenen tellen - de LDD, de MLD en de onafhankelijke parlementsleden - wel in de tabellen en de grafieken zijn opgenomen, maar niet besproken zullen worden.

DE NIEUWE ARCHITECTUUR VAN DE BELGISCHE STAAT

Eén van de belangrijkste twistappels tijdens de onderhandelingen was de omvang van de staatshervorming, met name het vinden van een evenwicht tussen de (botsende) opvattingen over meer regionale autonomie en het behoud van een sterke federale overheid (Popelier, Sinardet et al. 2012; Deschouwer en Reuchamps, 2013). Daarom hebben we de parlementsleden gevraagd zichzelf te positioneren op een schaal van 0 tot 10, waarbij de waarde 0 betekent dat alle bevoegdheden door de gewesten en de gemeenschappen moeten worden uitgeoefend, de waarde 10 betekent dat alle bevoegdheden moeten worden overgedragen aan de federale staat, en de waarde 5 betekent dat men uitdrukkelijk kiest voor het status quo (en dus akkoord gaat met de situatie zoals ze op dat moment - voor de zesde staatshervorming - bestond). De parlementsleden mochten niet meer dan één waarde selecteren.

Op basis van het dominante politieke en mediadiscours, zou je verwachten dat de antwoorden op deze vraag - die aan de essentie van de communautaire crisis raakt - een sterke verdeeldheid tonen tussen Nederlandstalige en Franstalige parlementsleden. Niets is echter minder waar. Als we de gemiddelden bekijken, dan blijken die van de Franstalige partijen niet te contrasteren met die van de Vlaamse partijen. Anders gezegd, hoewel de overdracht van bevoegdheden naar de gewesten en gemeenschappen vaak wordt voorgesteld als een unanieme Vlaamse eis die bij de Franstalige partijen op unanieme weerstand stuit, laat Tabel 2 juist zien dat de gemiddelde score bij sommige Franstalige partijen meer bevoegdheden willen gesplitst zien dan sommige Vlaamse partijen. Zo tekenen we voor de MR eenzelfde gemiddelde (3,93) als de Open VLD op (de Vlaamse en Franstalige liberale partij liggen hier dus volledig op dezelfde lijn), maar scoren de sp.a en Groen! hoger, met gemiddelden van respectievelijk 4,38 en 4,90. Uiteindelijk tonen deze cijfers vooral de verdeeldheid onder de Vlaamse parlementsleden. Van alle partijen, liggen de antwoorden van Groen! en Vlaams Belang immers het verst uit elkaar.

Algemeen gesproken lopen de gemiddelden echter ook niet zo sterk uit elkaar. Alle politieke partijen halen een gemiddelde dat lager is dan 5,0, d.w.z. ze zijn te vinden voor meer regionale autonomie, zij het vaak eerder bescheiden qua omvang. Aangezien deze vraag werd gesteld voor het afsluiten van een akkoord over een hervorming - de zesde staatshervorming - die vaak werd bestempeld als absoluut noodzakelijk voor het functioneren van het land, is het toch tamelijk verrassend dat veel parlementsleden - en vooral Vlaamse parlementsleden - lijken te opteren voor iets wat tamelijk dicht in de buurt van het status quo komt.

Als we de details bekijken, dan onderscheiden we om te beginnen een groep van zeven partijen waarvan de verschillen tussen de gemiddelden minder dan één punt bedragen. Meer bepaald variëren de verschillen tussen 3,93 en 4,90 voor Groen!, PS, FDF, sp.a, cdH, Ecolo, LDD, Open VLD en MR (Tabel 2). Een tweede groep, met de N-VA en het VB, situeert zich in de buurt van waarde 0 (respectievelijk 0,42 en 0). De CD&V ten slotte, is de enige partij die zich tussen die twee groepen bevindt; zij positioneert zich op grote afstand van de N-VA en het VB, maar met een gemiddelde van 3 mag toch worden gesproken van een significant verschil met de andere partijen. Ons onderzoek bevestigt bijgevolg de uitgesproken standpunten van de N-VA en het VB op het vlak van de institutionele ontwikkeling van ons land, waarbij zij opteren voor een model waarin quasi alle bevoegdheden worden uitgeoefend door de gewesten en gemeenschappen; de Belgische staat hoeft daarbij formeel misschien niet noodzakelijk te verdwijnen, maar zou ook niet meer zijn dan een lege schelp. De scheidingslijn lijkt dus vooral te lopen tussen de nationalistische en separatistische partijen aan de ene kant, en de overige partijen aan de andere kant. Toch bevestigt ons onderzoek ook de opvallende positie van de CD&V inzake de regionalisering van bevoegdheden: met een gemiddelde waarde 3 bevindt de partij zich bijna halverwege een scenario waarin de macht nog uitsluitend door de deelgebieden zou worden uitgeoefend. Opnieuw moet hierbij wel in het achterhoofd worden gehouden dat waarde 5 hier verwijst naar de situatie van voor de zesde staatshervorming.

Belangrijk is wel dat we bij de bespreking van de resultaten tot nu toe de antwoorden van individuele parlementsleden hebben gegroepeerd per partij. Bekijken we echter de antwoorden van de individuele parlementsleden, dan zien we niet enkel verschillen tussen de partijen, maar ook binnen die partijen. En het gaat soms om belangrijke verschillen, die vaak helemaal onzichtbaar zijn in het politieke debat in de media. Deze onderlinge verschillen zijn bij de ene partij wel uitgesprokener dan bij de andere. In Tabel 3 zien we om te beginnen dat de parlementsleden zichzelf nooit hoger dan waarde 8 hebben gepositioneerd. Dat wil dus zeggen dat niemand van de ondervraagde parlementsleden opteert voor een terugkeer naar een unitaire of zeer sterk gecentraliseerde staat. Ook waarde 8 wordt maar door een beperkt aantal parlementsleden gekozen: de PS scoort hier het hoogst met ongeveer 1 op 10 van haar parlementsleden, gevolgd door cdH en sp.a met een kleine 5%. Dat betekent nochtans niet dat een meerderheid van de parlementsleden een ‘herfederaliseringsscenario’ afwijst, wel integendeel. Wanneer we de waarden 6 tot 8 optellen - vanaf waarde 6 kunnen we spreken van een keuze voor herfederalisering -, dan stellen we vast dat zo’n scenario aanzienlijke steun geniet onder de parlementsleden. Aan Franstalige kant positioneert 40% van de parlementsleden van het FDF zich tussen die waarden, 30,9% van PS, 16,1% van Ecolo, 9,6% van cdH en 7,4% van de MR. Echter, aan Vlaamse kant noteren we soms nog hogere percentages: 50,0% bij Groen!, 30,9% bij Open VLD en 19,1% bij sp.a. Ook deze cijfers gaan in tegen de heersende perceptie. En zij laten een zeer duidelijke tegenstelling zien tussen de parlementsleden van die partijen en die van CD&V, N-VA en VB.

Geen enkel parlementslid van CD&V, N-VA en VB selecteerde immers een waarde die hoger is dan 5. Conform aan de officiële partijlijn, wensen alle parlementsleden van het VB en 69,2% van de parlementsleden van de N-VA dat alle bevoegdheden worden uitgeoefend door de gewesten en gemeenschappen (waarde ‘0’). Voor de N-VA stijgt dit percentage tot 92,3% wanneer men de waarden ‘0’ en ‘1’ samentelt. Bij de parlementsleden van CD&V hangt niemand een herfederaliseringslogica aan en kiest 95% voor meer regionale autonomie. Wel koos 90% van hen voor de waarden 2, 3 of 4 op onze schaal, wat toch wijst op een zekere verdeeldheid over de omvang van de gewenste regionalisering in vergelijking met de situatie voor de zesde staatshervorming.

Ook bij de andere Vlaamse en Franstalige partijen zijn veel parlementsleden een verschuiving van het ‘zwaartepunt’ van de bevoegdheden naar de deelgebieden wel genegen. Wat hen echter onderscheidt van hun collega’s van N-VA, VB en een deel van CD&V is dat zij opteren voor een lichte verschuiving. Als we de waarden van 0 tot 2 samentellen, die neerkomen op een zeer sterke regionalisering van bevoegdheden, zien we bij de parlementsleden van alle andere partijen relatief lage percentages, met uitzondering van de Open VLD-politici die op 24,1% uitkomen. De Vlaamse liberalen zijn echter ook het meest verdeeld over die kwestie, aangezien tegelijk 30,9% van de parlementsleden van Open VLD voorstander zijn van een herfederalisering van bevoegdheden. De percentages van de andere partijen voor de waarden 0 tot 2 zijn als volgt: 3,2% voor Ecolo, 9,6% voor cdH, 11,1% voor MR, 3,4% voor de PS en nul procent voor FDF, Groen! en sp.a.

Met andere woorden: met uitzondering van N-VA en VB, geniet een regionalisering van een beperkte omvang (waarden ‘3’ en ‘4’) de voorkeur van veel parlementsleden. In een context waarin politici jarenlang hebben gehamerd op een staatshervorming die moest leiden tot meer regionale autonomie als eerste politieke prioriteit, eerst in Vlaanderen maar later ook in toenemende mate in Franstalig België, is het dan ook verrassend vast te stellen dat veel parlementsleden geen voorstander blijken te zijn van een dergelijke staatshervorming en vaak zelfs aanhanger zijn van een hervorming die volstrekt de andere richting uitgaat. Immers, telt men de waarden 5 en hoger samen, oftewel de antwoorden van parlementsleden die geen staatshervorming wensen die naar meer regionale autonomie leidt, dan resulteert dit in relatief hoge percentages, ook bij Vlaamse partijen: Groen! 60%, sp.a 42,9% en Open VLD 34,5%. Percentages die sterk gelijklopen met die van de Franstalige partijen: PS 48,3%, cdH 42,0 %, Ecolo 35,2%, FDF 40% en MR 29,2%.

We hebben bij de parlementsleden eveneens gepeild naar 12 specifieke bevoegdheden waarover ze moesten antwoorden of deze best op het regionale, federale of op beide niveaus uitgeoefend moeten worden. Meer bepaald ging het om: werkloosheidsvergoedingen, gezinsbijslagen, ontwikkelingssamenwerking, justitie, arbeidsmarkt, geluidsnormen, wetenschapsbeleid, pensioenen, buitenlandse handel, landsverdediging, verkeersveiligheid en gezondheidszorg. De resultaten bevestigen bovenstaande vaststellingen dat er geen botsende Vlaamse en Franstalige homogene visies zijn, en dat ook de partijen zelf geen monolithische blokken zijn. De antwoorden op die 12 vragen tonen eveneens dat de links-rechts-breuklijn even belangrijk is als de communautaire breuklijn om de antwoorden van de parlementsleden te voorspellen (voor meer details, zie Reuchamps et al.2012).

Zelfde vaststelling als men de parlementsleden confronteert met de vraag over de architectuur van het federalisme in België, en met name of we het huidige systeem met twee soorten deelgebieden (gewesten en gemeenschappen) moeten in stand houden, of eerder moeten evolueren naar een systeem gebaseerd op vier gewesten. Ook op dat punt bestaat er geen consensus binnen de taalgroepen, en ook binnen de partijen zelf ontbreekt die grotendeels.

DE IDENTITEITSGEVOELENS VAN DE PARLEMENTSLEDEN

We hebben niet alleen gepeild naar de standpunten van de parlementsleden in het institutionele debat, maar ook naar hun ‘etnoterritoriale’ identiteitsgevoelens. Concreet hebben we de Moreno-vraag gesteld - een vraag die wereldwijd gebruikt wordt om dergelijke gevoelens te onderzoeken. Het probleem met die vraag in de Belgische context is wel dat ze maar één type regionale identiteit per ondervraagde toelaat. Het was dus bijvoorbeeld niet mogelijk om tegelijk naar een Vlaamse en een Brusselse identiteit te vragen (naar een Brusselse identiteit werd wel gepeild in een andere vraag die hier niet behandeld wordt). Daarom hebben we enkel de vraag gesteld naar een Vlaamse en Franstalige identiteit bij respectievelijk de Vlaamse en Franstalige parlementsleden.

Het wekt weinig verbazing dat we bij de Vlaams-nationalistische partijen de meeste parlements-leden vinden die zich ‘enkel Vlaming’ voelen (alle parlementsleden van het VB en 79,3% van de parlementsleden van de N-VA). Tamelijk verrassend is echter dat een significante minderheid van de N-VA-parlementsleden (26,1%) zegt zich eerst Vlaming te voelen, maar toch ook Belg. Evenzeer identificeren de parlementsleden van het FDF zich sterker met een Franstalige identiteit dan die van de andere Franstalige partijen. De meeste volksvertegenwoordigers uit de andere politieke partijen voelen zich zowel Vlaming/Franstalig als Belg en koesteren dus een gemengde identiteit: PS (79,2%), Groen (70%), Ecolo (69,2%), Open VLD (60%). De parlementsleden van CD&V, sp.a, MR en cdH hebben ook een gemengde identiteit, maar daarbij overheerst wel vaker één van de twee: in het geval van sp.a, MR en cdH is dat een uitgesproken Belgische identiteit, in het geval van CD&V een uitgesproken Vlaamse identiteit. Aan Vlaamse kant hebben vooral de parlementsleden van de sp.a een afwijkend profiel, aangezien bijna de helft van hen zich in de eerste plaats Belg voelt en slechts zo’n 5% in de eerste plaats Vlaming. Als men de ‘Belgische’ categorieën samenvoegt (‘enkel Belg’ en ‘meer Belg dan Vlaming/Franstalige’), scoren de parlementsleden van sp.a zelfs het hoogste van alle Vlaamse én Franstalige partijen.

Samenvattend kunnen we stellen dat met uitzondering van de meeste nationalistische parlementsleden, er sprake is van overlappende identiteitsgevoelens (zowel regionaal als nationaal). Deze resultaten komen overeen met die van eerder onderzoek bij het geheel van de bevolking: zuivere regionale identiteiten zijn, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, eerder zeldzaam; er is meer sprake van gedeelde identiteitsgevoelens (De Winter 2007; Deschouwer en Sinardet 2010). Wel lijkt dit beeld minder te kloppen met het dominante politieke en mediadiscours dat Vlaamse en Belgische identiteiten eerder voorstelt als tegengestelden die elkaar wederzijds uitsluiten. We zien overigens eveneens dat zij die zich meer Vlaming of Franstalig voelen vaak ook degenen zijn die voorstander zijn van meer regionale autonomie. Er bestaat immers inderdaad, aan beide zijden van de taalgrens, een verband tussen beide variabelen. Ook deze trend vindt men terug bij de bevolking, zij het minder uitgesproken (Deschouwer en Sinardet 2010).
We stellen tot slot vast dat inzake identiteitsgevoelens geen duidelijke breuklijn valt aan te wijzen tussen Vlaamse en Franstalige parlementsleden en dat dus ook hier de klassieke beeldvorming (Vlamingen die zich enkel Vlaams voelen, Franstaligen die zich enkel Belgisch voelen) deels wordt tegengesproken. Het is wel zo dat enkel Franstalige parlementsleden zich uitsluitend met België identificeren, maar als men bij die resultaten die van de categorie ‘eerder Belg dan Vlaming’ voegt, dan vindt men de hoogste score terug bij de parlementsleden van de sp.a.

DE VERSCHILLEN VERKLAREN: WELKE MOTIEVEN VOOR DE ZESDE STAATSHERVORMING?

We hebben hierboven gezien dat de communautaire breuklijn niet de belangrijkste verklaring biedt voor de standpunten van de parlementsleden in het communautaire debat. Maar hoe zit dat met de argumenten die worden gehanteerd om een staatshervorming te steunen? We kunnen twee belangrijke motieven onderscheiden: identiteit en efficiëntie. Meer autonomie voor de gewesten en gemeenschappen kan, enerzijds, worden gelegitimeerd door de idee dat een regio - of eventueel een natie - over meer autonomie moet beschikken omdat deze nu eenmaal een specifieke identiteit en cultuur bezit. Dat is een opvatting die duidelijk aansluit bij de definitie van nationalisme die door Gellner (1983) werd geformuleerd. Volgens die definitie streven nationalisten immers naar het samenvallen van natie en staat als doel op zich.

Er bestaan, anderzijds, ook meer pragmatische argumenten om een staatshervorming te verdedigen: de structuur van de Belgische staat moet efficiënter worden. Goed bestuur vormt dan het belangrijkste motief. Vanzelfsprekend sluiten beide argumenten - identiteit en efficiëntie - elkaar niet uit.

En dus hebben we via onze vragenlijst proberen te achterhalen welke argumenten - identiteit en efficiëntie - het vaakst naar voren worden geschoven door de parlementsleden. Voor het eerste argument - identiteit - hebben we de gemiddelden van vier vragen2 samengevoegd, terwijl de factor efficiëntie is gebaseerd op de samengevoegde gemiddelden van vijf vragen.3 Voor elke stelling konden de parlementsleden een antwoord selecteren gaande van ‘helemaal niet akkoord’ (waarde ‘0’) tot ‘helemaal akkoord’ (waarde ‘10’); waarde ‘5’ refereerde uitdrukkelijk naar een neutraal standpunt.

Dat de parlementsleden van de nationalistische partijen de hevigste voorstanders zijn van een staatshervorming om redenen van identiteit, wekt uiteraard geen verbazing (Grafiek 1). Maar toch valt het op dat de parlementsleden van het FDF (met een gemiddelde van 6,75) lager scoren dan die van de N-VA (9,06) en die van het VB (9,46). Wellicht wordt dat verklaard door het feit dat het FDF al heel lang de gewoonte heeft om haar standpunten in de vorm van een reactie op Vlaamse ontwikkelingen te formuleren, terwijl de N-VA en het VB meer proactief opkomen voor de autonomie van Vlaanderen. Evenzeer valt op dat VB en N-VA op dit vlak zeer dicht bij elkaar liggen met een bijzonder sterke steun aan de identitaire argumenten. Sp.a en Groen! zijn dan weer de twee partijen die een staatshervorming om redenen van identiteit duidelijk afwijzen.

Grafiek 1: Staatshervorming om redenen van identiteit of efficiëntie: de standpunten van de politieke partijen.

Alle andere partijen nemen een relatief neutraal standpunt in (in de buurt van ‘5’), aangezien het laagste cijfer 4,33 bedraagt voor Ecolo en het hoogste 5,37 voor de MR. Dat wil zeggen dat ook de parlementsleden van de CD&V doorgaans een neutraal standpunt innemen (4,57) en een staatshervorming om redenen van identiteit voorzichtig afwijzen. Samengevat blijkt dus dat, met uitzondering van de nationalistische partijen, er geen partijen zijn die een staatshervorming consequent onderbouwen met identitaire argumenten. Ook hier zien we weer niet de communautaire tegenstelling die we zouden kunnen verwachten: veel Vlaamse en Franstalige partijen liggen dicht bij elkaar. Sterker zelfs, de enige partijen die identitaire argumenten nadrukkelijk afwijzen zijn twee Vlaamse partijen (sp.a en Groen!).

Men zou kunnen verwachten dat de partijen omgekeerd scoren voor de argumenten rond efficiëntie. Toch valt op dat ook hier VB en N-VA veel hoger scoren dan de andere partijen, terwijl de Vlaamse socialisten het laagste gemiddelde laten optekenen (5,28). Met gemiddelden rond waarde ‘6’ positioneren de Franstalige parlementsleden - met uitzondering van die van de PS - en die van Groen! zichzelf in de buurt van de Vlaamse socialisten, hoewel zij iets hogere gemiddelden laten optekenen (van 5,77 tot 6,22). Wel wint de logica van een staatshervorming om redenen van efficiëntie duidelijk het pleit bij de meeste parlementsleden van de PS, Open VLD en CD&V (met respectievelijk 6,82, 6,98 en 7,49).

HOE VERKLAREN DE PARLEMENTSLEDEN DE POLITIEKE CRISIS?

Hoe kijken de parlementsleden aan tegen de moeilijkheden die de leidingen van hun partijen - waarvan sommigen ten andere deel uitmaken - ondervinden om het eens te geraken over de zesde staatshervorming? Om op die vragen een antwoord te krijgen hebben we de parlementsleden geconfronteerd met 16 stellingen over mogelijke oorzaken van de politieke crisis, waarbij zij zichzelf dienen te positioneren op dezelfde schaal van 0 tot 10. De resultaten geven we weer in de vorm van gemiddelden en per partij.

Om te beginnen wijten velen de crisis aan ‘inhoudelijke meningsverschillen tussen Franstalige en Vlaamse politici’. Dat is zowat de enige vaststelling die in tamelijk ruime mate door alle respondenten wordt gedeeld. Dat is nogal paradoxaal met de voorgaande resultaten in het achterhoofd, want daaruit bleek nu net dat de inhoudelijke meningsverschillen tussen Vlaamse en Franstalige parlementsleden in de praktijk niet zo groot waren. Over het geheel van de parlementsleden genomen, scoort deze reden hoger dan 7,0, met uitzondering - opnieuw - van de parlementsleden van sp.a en Groen! (met respectievelijk 6,0 en 5,4 nemen zij een eerder neutraal standpunt in). Evenzeer opnieuw wijken de gemiddelden van de parlementsleden van de traditionele partijen niet veel af van elkaar (tussen 7,04 en 7,76), terwijl de gemiddelden van de nationalistische partijen duidelijk hoger liggen: 8,4 voor het FDF, 8,6 voor het VB en 9,7 voor de N-VA.

Verder legt men de schuld vaak bij de partijen van de andere gemeenschap: veel Vlaamse gekozenen wijzen hun Franstalige collega’s met de vinger en verwijten hen ‘immobilisme’, ‘schrik’ en ‘gebrek aan bereidheid’ om een compromis te vinden. En omgekeerd gebeurt hetzelfde. Met uitzondering van de sp.a die voor deze stellingen relatief lage gemiddelden laat optekenen (tussen 4,2 en 5,9), scoren alle andere partijen gelijk aan of hoger dan 7. Opnieuw zijn het N-VA, VB en FDF die de hoogste gemiddelden halen, in de buurt van 9,0.

Opvallend is echter dat ‘het gebrek aan compromisbereidheid bij sommige Vlaamse partijen’ toch ook vrij sterk scoort bij de Vlaamse parlementsleden, daar waar ‘het gebrek aan compromisbereidheid bij sommige Franstalige partijen’ minder wordt bevestigd bij hun Franstalige collega’s. Terwijl aan Franstalige kant alleen de parlementsleden van de MR en Ecolo voorzichtig akkoord gaan met deze kritische stelling over de eigen gemeenschap (respectievelijk 5,5 en 6,0), wordt zij aan Vlaamse kant gedeeld door de mandatarissen van Open VLD (6,3), CD&V (6,5), sp.a (7,8) en Groen! (7,8). Enkel de gekozenen van N-VA en VB wijzen die verklaring voor de crisis bijzonder sterk af (met gemiddelden van 1,4 en 0,7). Dat is niet echt verrassend, aangezien die partijen argumenteren dat fundamentele meningsverschillen tussen noord en zuid voor een flinke clash zorgen en dus de crisis niet zullen verklaren door een gebrek aan politieke wil om een akkoord te vinden. Omgekeerd verbaast het niet dat sp.a en Groen! de onverzoenlijke houding van ‘sommige Vlaamse partijen’ tijdens de onderhandelingen het sterkst als verklaring aanduiden, aangezien zij het minst akkoord gaan met de stelling dat er fundamentele meningsverschillen aan de basis liggen van de crisis.

Wel tamelijk verrassend is dat - met uitzondering van de N-VA en het VB - de verkozenen van alle partijen in meerdere of mindere mate de mening zijn toegedaan dat de politieke crisis te wijten is aan ‘de opgeklopte verwachtingen rondom een staatshervorming die als de oplossing voor alle problemen werd naar voren geschoven’, terwijl sommige van die partijen toch openlijk verklaarden deze analyse te delen of ze niet tegenspraken. Bij de hoogste gemiddelden vinden we opnieuw Groen! (8,33) en sp.a (7,45), maar toch ook Open VLD (7,35) en CD&V (7,0).

DE RELATIES TUSSEN DE GEMEENSCHAPPEN IN BELGIË

We hebben de parlementsleden ook ondervraagd over de contacten die zij onderhouden met de andere gemeenschap, zowel met journalisten, kiezers als met hun collega’s. Dit is belangrijk in het licht van België als ‘consensusdemocratie’. Eén van de belangrijke elementen in dergelijke politieke systemen is immers een sterke opdeling tussen de groepen op het niveau van de samenleving (vroeger ging het dan vooral over de zuilen) waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor de elites die deze groepen vertegenwoordigen om de conflicten te pacificeren en tot een ‘Belgisch compromis’ te komen (Sinardet 2010; Perrez en Reuchamps 2012). Het is dan ook interessant om zien dat een meerderheid van de parlementsleden - met uitzondering van de gekozenen van N-VA en VB - van mening is dat de crisis kan worden verklaard door ‘een gebrek aan communicatie tussen Franstaligen en Vlamingen’. Hoewel de PS (5,5) en Open VLD (6,4) ietwat lagere gemiddelden laten optekenen, situeren die voor sp.a, MR, cdH en Ecolo zich tussen 6,9 en 7,2, om op te klimmen tot 8,0 voor Groen!. We bespreken achtereenvolgens de contacten tussen de verkozenen, met de media en met de burgers.

Contacten tussen parlementsleden

Laten we er eerst aan herinneren dat onze resultaten betrekking hebben op zowel de federale als de regionale parlementsleden. De cijfers kunnen dus beïnvloed zijn door het feit dat regionale parlementsleden mogelijk minder regelmatige contacten onderhouden met hun Franstalige of Vlaamse collega’s. Toch moeten we ook niet te veel belang hechten aan dit methodologisch voorbehoud, aangezien veel parlementsleden regelmatig van niveau wisselen (zowel in Vlaanderen als in Wallonië zetelen parlementsleden nu eens in het federale parlement en dan weer in het regionale parlement).

Een verpletterende meerderheid van de parlementsleden vindt dat het ‘onderhouden van nauwe contacten met leden van dezelfde politieke familie in de andere gemeenschap een belangrijke opdracht is’. Met uitzondering van de parlementsleden van N-VA, VB en FDF, voor wie dit vanzelfsprekend een ‘overbodige vraag’ is, en de tamelijk lage score (58%) bij de parlementsleden van cdH, zien we dat de score van de parlementsleden die ‘akkoord gaan’ of ‘helemaal akkoord gaan’ met deze stelling schommelt tussen 84% (Open VLD) en 100% (Groen!). Die laatste score wekt eveneens weinig verbazing, aangezien Groen! en Ecolo een gezamenlijke fractie vormen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers (Ecolo laat met 92,6% het tweede hoogste percentage optekenen).

En dus is het interessant om na te gaan in welke mate parlementsleden ook contacten onderhouden met collega’s van andere politieke partijen aan de andere kant van de taalgrens belangrijk vinden. Wat dat betreft, blijkt duidelijk dat de banden tussen leden van dezelfde politieke familie hechter zijn, ondanks de ideologische meningsverschillen die er tussen hen kunnen bestaan. We noteren immers veel minder positieve antwoorden als het over de contacten met andere politieke partijen gaat, want dan zakken de percentages naar 15,8% (CD&V) en 20,0% (sp.a). Verrassender is misschien wel de vaststelling dat voor de parlementsleden van Groen! dit een belangrijke prioriteit blijft, hoewel niet de hoogste prioriteit, aangezien er meer antwoorden ‘akkoord’ dan ‘helemaal akkoord’ werden opgetekend.

Contacten met de media

Ons onderzoek wijst uit dat er tamelijk weinig contacten met de media aan de andere kant van de taalgrens bestaan. Dat springt in het oog als we Tabel 5 bekijken, waarin de parlementsleden melding maken van hun contacten met de media van de eigen en de andere gemeenschap in de voorbije zes maanden. De verschillen zijn duidelijk: de parlementsleden bleken twee tot vijf keer frequenter aan bod te komen in de media van hun eigen gemeenschap dan in die van de andere. Deze resultaten sluiten aan bij die uit ander onderzoek, ditmaal naar de media-inhoud zelf, waaruit bleek dat zowel in de nieuwsuitzendingen ten noorden als ten zuiden van de taalgrens weinig politici van de andere taalgroep opduiken, een element dat bijdraagt aan het gebrek aan echte federale publieke sfeer (Sinardet 2012). Voor sommige partijen vallen de verschillen echter groter uit dan voor andere: zo zegt geen enkel parlementslid van het Vlaams Belang te zijn gevraagd voor een commentaar door de Franstalige media (cordon sanitaire oblige!), terwijl de meerderheid van hen in dezelfde periode wel aan bod kwam in de Vlaamse media.

De gekozenen lijken deze situatie echter niet echt bevredigend te vinden, aangezien een ruime meerderheid onder hen meent dat ‘federale parlementsleden en ministers meer inspanningen zouden moeten doen om aanwezig te zijn in de media van de andere gemeenschap’. Met uitzondering van de parlementsleden van N-VA, die zich voorzichtig positief uitlaten over die stelling (54,2%), en die van het VB die er fel tegen gekant zijn (72,7%), gaan de parlements-leden van alle andere partijen grotendeels of helemaal akkoord met die stelling.

Band tussen burgers en gekozenen

Derde aspect zijn de relaties met de burgers aan de andere kant van de taalgrens. Omdat politieke partijen in België opgesplitst zijn volgens taalgroep en kieskringen de taalgrens niet overschrijden, leggen politieke partijen en hun kandidaten slechts rekenschap af aan een deel van het Belgische electoraat, en met name de kiezers van hun eigen gemeenschap. Welke perceptie hebben de gekozenen op dat vlak? We maken een onderscheid tussen de antwoorden op vragen die verband houden met de electorale dynamiek (het bestaan van twee politieke ruimtes waarin de kiesstrijd plaatsvindt), en de antwoorden op vragen naar de rol van de gekozene (opkomen voor de belangen van één gemeenschap of voor die van het hele land?).

Wat het eerste betreft, geeft een zeer grote meerderheid van de mandatarissen aan het problematisch te vinden dat ‘federale verkiezingsdebatten in feite discussies binnen een gemeenschap tussen politici van dezelfde taalgroep zijn’ (Tabel 7). Enkel een significant aantal gekozenen van CD&V (47,4%), sp.a (40%), N-VA (37,5%) en VB (27,3%) geeft aan deze situatie niet problematisch te vinden. Bij de andere partijen is telkens meer dan 70% het eens dat dit problematisch is. Die anderen verschillen wel over de vraag of dit zo problematisch is dat het land moet worden gesplitst. Niet bepaald verrassend tekenen we hier enkel belangrijke percentages op bij de nationalistische partijen VB (72,7), N-VA (41,7) en FDF (20). Al bij al zijn dit nog lage scores voor partijen als N-VA en zeker VB. Een belangrijk deel onder hen vindt dergelijke organisatie van het federalisme niet problematisch en alleszins geen belangrijk argument om het land te splitsen.

Met de onderzoeksresultaten van Tabel 7 in het achterhoofd, verbaast het niet - in Tabel 8 - dat heel veel parlementsleden eveneens van mening zijn dat ‘een federaal minister/parlementslid in de eerste plaats rekening zou moeten houden met de belangen van heel het land, niet slechts met de belangen van zijn/haar gemeenschap’, zelfs al is dat vandaag niet het geval (kolom B). Minstens 75% van de parlementsleden van Groen!, Ecolo, cdH, PS en sp.a gaan akkoord met die stelling (in dalende volgorde). Zes partijen laten ietwat lagere percentages optekenen, met aan de ene kant CD&V (63,2%), Open VLD (64%) en FDF (60%), en aan de andere kant MR (70,0%), N-VA (45,8%) en VB (0%). In de eerste groep gaat een significante minderheid van de parlementsleden weliswaar akkoord met de stelling, maar vindt zij dat dat vandaag reeds het geval is. Een aantal parlementsleden van de MR en N-VA, in de tweede groep, vindt dat ook, maar ze zijn met veel minder (8,3% in beide gevallen), vooral omdat een significant deel van hun collega’s vindt dat zij op de eerste plaats rekening moeten houden met de belangen van hun gemeenschap (kolom C) of met die van hun kiezers (kolom D). Dat is zeker het geval voor de parlementsleden van het VB, die allemaal die mening zijn toegedaan.

De conclusie is duidelijk: de betrekkingen tussen de gemeenschappen zijn een gevolg van de dynamiek van regionalisering in dit land, maar worden door die dynamiek uiteraard ook beïnvloed. Zij liggen aan de basis van de communautaire conflicten in België, maar kunnen ook zorgen voor de oplossing ervan. Dit onderzoek toont eveneens aan dat de variabele ‘identiteit’ - identiteitsgevoelens - op zich niet alles verklaart: het gaat ook om politieke en sociaaleconomische uitdagingen; en ook de media en de burgers bepalen hoe het model en de toekomst van het federalisme in België er zal uitzien.

CONCLUSIE

In de mediaberichtgeving van de laatste jaren, maar ook in het gangbare politieke discours, overheerst vaak het beeld dat de conflicten rond de staatshervorming worden uitgevochten tussen twee homogene blokken, ‘de Vlamingen’ en ‘de Franstaligen’, met duidelijke en welomlijnde standpunten. Zelfs al wordt soms gewezen op strategische meningverschillen of botsingen tussen partijen uit dezelfde taalgroep, heeft de idee toch postgevat dat zowel aan Vlaamse als Franstalige kant de partijen over de grond van de zaak onderling op één lijn zitten: ‘de Vlamingen’ willen zoveel mogelijk autonomie, terwijl de ‘Franstaligen gehecht blijven aan België.

Ons onderzoek toont onder meer aan dat deze voorstelling van zaken voor wat de parlements-leden betreft verre van juist is. Binnen de twee grote taalgroepen zijn de meningsverschillen soms zeer groot, vooral aan Vlaamse kant. Zo zijn de grootste meningsverschillen over de verdeling van bevoegdheden te vinden tussen de parlementsleden van twee Vlaamse partijen, met name die van Groen! en Vlaams Belang. Bijgevolg zien we ook dat de verkozenen van sommige Franstalige partijen meer regionale autonomie voorstaan dan die sommige van hun Vlaamse collega’s: zo is men bij de MR bijvoorbeeld even ‘autonomistisch’ dan bij Open VLD en meer dan bij sp.a en Groen!. Ook inzake identiteitsgevoelens of de visie op de communautaire betrekkingen, tekent er zich geen duidelijke breuklijn af tussen Vlamingen en Franstaligen. Op veel vlakken zijn het de nationalistische partijen die zich duidelijk onderscheiden van de anderen.

Er is ook nog een andere dominante perceptie die door ons onderzoek in belangrijke mate genuanceerd wordt, met name de homogeniteit binnen de politieke partijen. In België kennen partijen een strenge interne discipline; die zich sterk uit bij de parlementaire stemmingen. Dat betekent echter niet dat de standpunten ten gronde binnen de partijen niet kunnen afwijken. We hebben dat hier alvast gemerkt over de communautaire kwesties, al kan dit te maken hebben met het feit dat die niet tot de core business behoren van de niet-nationalistische partijen. Het meest frappante voorbeeld is Open VLD, waar een kwart van de parlementsleden een ver doorgedreven regionale autonomie voorstaat, terwijl bijna een derde de federale bevoegdheden liever wil uitbreiden.

Op basis van deze resultaten kunnen we stellen dat politieke analisten en commentatoren in de toekomst misschien meer rekening moeten houden met deze nuances en meningsverschillen binnen de taalgroepen en binnen de politieke partijen.

Dave Sinardet (VUB)
Jérémy Dodeigne (F.R.S.-FNRS/ULg/UCL)
Min Reuchamps (UCL)
Vertaling: Jan Vermeersch
(Een Franstalige versie van dit artikel wordt gelijktijdig gepubliceerd in het juninummer van La Revue Nouvelle, samen met een interview van de auteurs)

Noten
1/ 12 Duitstalige parlementsleden (op 25) hebben deze vragenlijst ook ingevuld. Hun antwoorden zijn echter niet verwerkt in dit artikel.
2/ ‘Omdat Vlaanderen/Wallonië het recht moet krijgen zichzelf te besturen’; ‘Omdat dit de Vlaamse/Waalse natievorming zou versterken’; ‘Omdat Vlamingen en Franstaligen over ongeveer alles een andere mening hebben’; ‘Omdat de Vlamingen/Walen een eigen identiteit hebben en dus hun eigen beleid moeten kunnen voeren’.
3/ ‘Omdat Vlaanderen/Wallonië heel andere problemen heeft dan de andere deelgebieden en het die zelf moet kunnen oplossen’; ‘Omdat Vlaanderen/Wallonië een beter beleid zou kunnen voeren’; ‘Omdat dit zou leiden tot een minder complexe staatsstructuur’; ‘Omdat dit efficiënter zou zijn’.

Bibliografie
- De Winter L. (2007), La recherche sur les identités ethno-territoriales en Belgique, Revue internationale de politique comparée, 144(4), p. 575-95.
- Deschouwer K. & Reuchamps M. (2013), The Belgian Federation at a Crossroad, Regional & Federal Studies, 23.
- Deschouwer K. & Sinardet D. (2010), Identiteiten, communautaire standpunten en stemgedrag, in Deschouwer, K. et al. (ed.), De stemmen van het volk. Een analyse van het kiesgedrag in Vlaanderen en Wallonië op 7 juni 2009, Brussel: VUB-Press , p. 75-98.
- Gellner, Ernest (1983), Nations and Nationalism (Basil Blackwell).
- Perrez J. & Reuchamps M. (dir.) (2012), Les relations communautaires en Belgique: Approches politiques et linguistiques (Academia-L’harmattan).
- Popelier Patricia, Sinardet Dave, Velaers Jan & Cantillon Bea (ed.), België, Quo Vadis? Waarheen na de zesde staatshervorming?, Antwerpen-Cambridge: Intersentia, 2012, 356 p.
- Reuchamps M. (2013), Structures institutionnelles du fédéralisme belge, in Dandoy R. et al. (dir.), Le fédéralisme belge (Academia-L’Harmattan), p. 29-61.
- Reuchamps M., Dodeigne J., Sinardet D., Gramme P. (2012), Territorial Politics in inter and intra-party competition. Insights from Belgium, voorgesteld op de PSA Specialist Group Territorial Politics Biennial Conference, Scotland House en Wales House, Brussel.
- Sinardet D. (2010), From Consociational Consciousness to Majoritarian Myth. Consociational Democracy, Multi-Level Politics and the Belgian Case of Brussels-Halle-Vilvoorde, Acta Politica: International Journal of Political Science, 45(3), p. 346-69.
- Sinardet, D. (2012), Is there a Belgian public sphere? What the case of a federal multilingual country can contribute to the debate on transnational public spheres and vice versa, in Seymour M. & Gagnon A.-G. (dir.), Multinational federalism: problems and prospects, New York: Palgrave Macmillan, p. 172-204.

parlement - federalisering - staatshervorming

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 6 (juni), pagina 4 tot 20