Abonneer Log in

Eindelijk echte Europese verkiezingen?

POLITICOLOGEN OVER 2014

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 24 tot 32

In 2014 gaan de achtste Europese verkiezingen door. In deze bijdrage blikken we vooruit naar deze stembusgang in Vlaanderen. Eerst staan we stil bij de manier waarop in het verleden met deze verkiezingen werd omgegaan en geven we enkele redenen waarom het moeilijk was om er belangstelling voor op te wekken. Daarna hebben we het over de context die sinds de vorige Europese verkiezingen, in 2009, drastisch wijzigde. De eurocrisis bracht de EU vooraan in het nieuws, ook in populaire media. Vervolgens bekijken we welke thema’s in aanmerking komen om tijdens de Europese verkiezingsstrijd in Vlaanderen de inzet te worden van de debatten. In een laatste stukje gaan we na hoe de politieke partijen zich in deze debatten vermoedelijk zullen profileren.

POLITICOLOGEN OVER 2014

N-VA tegen de rest en tegen zichzelf
Carl Devos en Nicolas Bouteca
Franstalige partijen op onbekend terrein
Pierre Verjans en Hugues Renard
Eindelijk echte Europese verkiezingen?
Hendrik Vos

EUROPESE VERKIEZINGEN TOTNOGTOE

De Europese Unie (EU) is, sinds het Europees Parlement voor het eerst rechtstreeks verkozen werd in 1979, in die 35 jaar grondig veranderd. Een van de belangrijkste evoluties heeft te maken met het Europees Parlement zelf. Dat groeide uit van een adviesorgaan tot een volwaardige wetgever. Aan de meeste Europese beslissingen werkt het Parlement volop mee en finaal moet het oordelen over het eindresultaat. Het is dan ook paradoxaal dat de opkomst bij die Europese verkiezingen keer na keer daalde. In België is er de opkomstplicht, maar in andere landen is de tendens dezelfde: er dagen steeds minder kiezers op. Mensen weten niet dat het Europees Parlement een machtig en belangrijk parlement werd. Of ze geloven het niet.

Net als elders in Europa werd ook in Vlaanderen de Europese verkiezingsstrijd zelden gedomineerd door de thema’s die op dat moment Europees relevant waren. Doorgaans vonden er tegelijk regionale en soms ook federale verkiezingen plaats, en waren het de regionale (of nationale) thema’s die de debatten beheersten. Partijen hadden traditioneel een Europaluikje in hun programma, maar het kwam nauwelijks aan bod.
De situatie was in andere landen over het algemeen niet anders: Europese verkiezingen waren een soort bijverkiezing, of een test voor de populariteit van regeringspartijen. Thema’s waar Europese politici knopen over moesten doorhakken (zoals de uitbreiding van de EU, de toekomst van de landbouw, het klimaatbeleid), kwamen wel eens halvelings aan bod in de campagne, maar ze waren zelden dominant.

De EU bouwde haar bevoegdheden op vrij korte tijd uit - tot begin jaren 1990 was de impact van Europa op het dagelijks leven van de mensen vrij beperkt. Sindsdien groeide die impact spectaculair, maar dat gebeurde zonder dat er grote debatten aan voorafgingen. Kennis en inzicht in de manier waarop de EU evolueerde en hoe de besluitvorming verloopt, ontbreekt bij het brede publiek, en vaak ook bij opiniemakers, journalisten of leerkrachten. Gemakkelijkheidshalve werd er dan maar gezwegen over Europa, zelfs in verkiezingstijd.

In België was het nog moeilijker dan in de meeste andere landen om een Europadebat te krijgen, omdat er tussen de politieke partijen lange tijd een grote consensus heerste over Europa. Die consensus kwam er samengevat op neer dat de politieke elite voorstander was van méér Europa. Belgische politici, uit alle politieke families, speelden doorheen de geschiedenis een belangrijke rol in de uitbouw van Europa en ook de bevolking behoort van oudsher tot de meest enthousiaste liefhebbers van de integratie. Eurobarometers tonen dat al decennia aan. Wellicht nam het enthousiasme doorheen de jaren wel af, maar in de plaats kwam een soort permissieve consensus: het geloof dat Europa vermoedelijk geen kwaad kon. En aangezien dat geloof breed gedeeld werd, was elk Europadebat in België lange tijd bijzonder slaapverwekkend - politici stemden in met elkaars standpunten, en gingen zelden met elkaar in conflict.

Het Vlaams Blok was de eerste partij van betekenis die uitgesproken kritische standpunten innam over Europa. Maar dit thema was voor de partij geen prioriteit. Er werd wel eens iets gezegd over de toetreding van Turkije of over een democratisch deficit, maar het Vlaams Blok of het Vlaams Belang hebben nooit dominant ingezet op Europadebatten.

In de aanloop naar de Europese verkiezingen van 2004 deed Caroline Gennez, toenmalig ondervoorzitster van de sp.a, een poging om het debat naar een hoger niveau te tillen. Ze publiceerde het boekje Beste Europa, dat ze omschreef als eurokritisch. Deze poging was vooral interessant omdat eindelijk getracht werd om de steriele discussie voor/tegen of meer/minder Europa te overstijgen. In die traditionele discussie stond een grote meerderheid aan dezelfde kant (namelijk voor meer Europa), waardoor de ruimte voor werkelijk debat beperkt bleef. Voor Gennez was de discussie meer/minder Europa achterhaald, en moest de discussie gaan over de vraag ‘wàt voor Europa?’. Ze somde in het boekje een heleboel thema’s op waar Europese politici volgens haar de verkeerde keuzes hadden gemaakt. Het pamflet bevatte echter talrijke halve waarheden en miste op vele vlakken consistentie. Beslissingen die werden bekritiseerd, bleken vaak door haar partijgenoten gesteund te zijn in het Europees Parlement of in de Raad van Ministers. Onder meer Groen Europarlementslid Bart Staes nam Gennez hiervoor op de korrel. Het boekje had niet genoeg inhoudelijke diepgang, en ging daardoor enigszins de mist in. Maar voor het eerst werd wel een poging ondernomen om duidelijk te maken dat méér Europa niet noodzakelijk ‘goed’ is: méér Europa kan links worden ingevuld, of rechts, en het is een zaak van politici om daar knopen over door te hakken.

Tijdens de Europese verkiezingen van 2009 stonden met Jean-Luc Dehaene en Guy Verhofstadt twee grote tenoren tegenover elkaar als lijsttrekker van respectievelijk CD&V en Open VLD. In de weinige debatten die specifiek over Europa gingen, trokken zij de meeste aandacht. Maar inhoudelijk waren er opnieuw weinig wezenlijke verschillen (‘we hebben nood aan een sterker Europa, met meer bevoegdheden en een duidelijkere stem in de wereld’). Voornamelijk over de strategie werd er gediscussieerd: Verhofstadt wilde snel de grote sprong voorwaarts, terwijl Dehaene het bedachtzamer wilde aanpakken. De meest dissidente stem kwam in die periode van Derk-Jan Eppink, de Nederlandse journalist die een prominente plaats kreeg op Lijst Dedecker. Hij noemde zich een eurorealist, schreef er een boekje over en nam vooral de Europese regeldrift op de korrel. Maar hij slaagde er niet in om de debatten te domineren. Zeker de populaire media besteedden zoals gewoonlijk erg weinig aandacht aan de Europese verkiezingsstrijd.

ANDERE CONTEXT, NIEUWE OPPORTUNITEITEN?

Intussen zijn we haast vijf jaar verder, en de context is de voorbije tijd nogal sterk gewijzigd. De eurocrisis bracht de EU sinds begin 2010 bijna permanent in het nieuws. Ook populaire media hebben het over de steunpakketten aan landen met budgettaire problemen, de opgelegde besparingen of de toekomst van de euro.

Het werd de voorbije periode duidelijk hoe sterk nationale en regionale politici moeten werken binnen Europese krijtlijnen. Begrotingsdiscussies worden overschaduwd door wat Europa oplegt. In sociaaleconomische debatten over loonvorming, werkgelegenheid of vergrijzing, wordt nadrukkelijk verwezen naar Europese aanbevelingen, die steeds strakker worden.

De kwestie van de solidariteit met de perifere landen, en het nut van de noodfondsen die werden opgericht, werd ook in Vlaanderen volop onderwerp van discussie. De parallel met interne Belgische discussies tussen Vlaanderen en Wallonië gaf het debat een grote mate van herkenbaarheid. Bovendien was het eenvoudig om een populistisch discours op te zetten: zuiderlingen zijn lui en corrupt en maken veel schulden. De noorderlingen, die zuinig en verantwoordelijk zijn, hard werken en sparen, moeten nu bijspringen. De realiteit is eindeloos gecompliceerder, maar wordt door vele media op deze simpele wijze samengevat.

De populariteit van de EU kreeg door de eurocrisis in elk geval een flinke knauw. Al voor het uitbreken van de eurocrisis deden eurosceptische partijen het goed in vele lidstaten. Het gaat om partijen die de meerwaarde van de integratie in vraag stellen of pleiten voor minder Europese bemoeienis. Uit alle opinieonderzoeken blijkt dat die scepsis sinds de eurocrisis fel groeide, zij het om verschillende redenen. In het zuiden wordt de EU geassocieerd met harde budgettaire discipline en de desastreuze sociale gevolgen die daarbij horen. In het noorden wordt de EU dan weer in verband gebracht met transfers van grote budgetten naar de schijnbaar bodemloze putten in het zuiden. Nogmaals: de realiteit is veel gecompliceerder, de situatie in pakweg Spanje of Ierland is niet te vergelijken met Griekenland, de zogezegde steun aan het zuiden vloeit grotendeels terug naar banken in het noorden, en de noordelijke economieën verdienden de voorbije jaren goed aan zuidelijke staten die zich in de schulden staken. Deze meer gesofisticeerde mechanismen komen zelden aan bod, dus blijft het oordeel van de publieke opinie doorgaans gebaseerd op de simpele stellingen die gemakkelijk de populaire pers halen.

De besparingen die vanuit de EU worden opgelegd, treffen echter zowel noord als zuid, zij het in verschillende mate. De kracht waarmee de EU die besparingen kan opleggen, is ferm toegenomen. De eurocrisis werd in eerste instantie door de Europese leiders, op dat moment van overwegend (centrum)rechtse signatuur, geïnterpreteerd als een crisis ten gevolge van te veel schulden en hoge tekorten. Daarom werden er allerlei maatregelen afgesproken om budgettaire discipline Europees af te dwingen. Er werd een begrotingsverdrag gesloten en er kwam wetgeving om een en ander concreet afdwingbaar te maken. Het Europees Parlement, waar centrumrechtse partijen een meerderheid hebben, stemde hiermee in. Pas sinds eind 2012 wordt het geweer gedeeltelijk van schouder veranderd, althans in het discours. Studies wijzen erop dat de besparingsdrift een negatief effect heeft op de groei. De besparingen leiden tot werkloosheid en tegenvallende belastinginkomsten. Groeibevorderende maatregelen staan nu meer prominent op de agenda (maar de praktijk blijft achterop hinken) en het budgettaire keurslijf dat aan de lidstaten was opgelegd, wordt voor sommige landen wat minder strak. De druk om te besparen, ook in sociale uitgaven, blijft evenwel groot.

Linkse partijen, zoals groenen en sociaaldemocraten, hebben veel kritiek op de Europese koers, die vooral werd uitgetekend door (centrum)rechtse partijen, zowel op het niveau van de staats- en regeringsleiders als op het niveau van het Europees Parlement. In België was het vooral Paul Magnette die harde kritiek had op de besparingskoers. Christendemocratische en vooral liberale politici zetten zich af tegen de houding van Magnette en riepen hem (tevergeefs) op om de Europese lijn te volgen en te verdedigen.
Een ander aspect dat Magnette aanstipte, had te maken met het democratische karakter van de Europese besluitvorming. Magnette bekritiseerde de Europese Commissie, die de besparingsplannen van de lidstaten moet beoordelen. Vooral Olli Rehn, de bevoegde commissaris, werd op de korrel genomen. ‘Wie kent Olli Rehn?’, vroeg Magnette zich af, om aan te tonen dat er wat schort aan de democratie. De Vlaamse sociaaldemocraten hebben het niet zo kras verwoord, maar zitten ongeveer op dezelfde golflengte als Magnette.

Dankzij de eurocrisis zit de EU nu alleszins vaak in het nieuws. Er is controverse over de keuzes die gemaakt worden, en de visies van de politieke partijen blijken wel degelijk te verschillen. Dat biedt perspectief, want het maakt debat mogelijk.

EUROPESE THEMA’S IN VLAANDEREN VOOR 2014

Aan potentiële EU-gerelateerde thema’s is er straks geen gebrek. De handelsakkoorden die de EU sluit; de klimaatpolitiek; de toekomst van de landbouw; de plaats van mensenrechten in het buitenlands beleid; … Het zijn allemaal thema’s die volop op EU-niveau spelen. Het Europees Parlement speelt in deze dossiers een belangrijke rol. In de programma’s van de politieke partijen zullen deze thema’s hopelijk aan bod komen. De grote publieke discussies en debatten zullen de volgende maanden echter draaien rond een kleiner aantal onderwerpen, en meer bepaald rond die thema’s waar we ook meningsverschillen tussen de Vlaamse partijen kunnen verwachten.

Besparen en solidariteit

In de eerste plaats gaat het dan om onderwerpen die te maken hebben met de eurocrisis. Linkse partijen zullen benadrukken dat de EU de voorbije jaren gedomineerd werd door rechtse partijen, die een besparingsagenda oplegden, met negatieve effecten voor groei en werkgelegenheid. Het verzet tegen de budgettaire discipline zal wellicht overal in de Unie centraal staan in de linkse programma’s. Economisch rechtse partijen zullen dan weer stellen dat precies het gebrek aan budgettaire discipline leidde tot het wantrouwen op de financiële markten dat de hele eurozone deed wankelen.
Zin en onzin van solidariteit met de perifere landen zal ook opduiken in de debatten: was het nodig om de eurozone intact te houden? Was het opportuun om noodfondsen op te richten en de probleemlanden bij te springen? Hebben we daar in het noorden belang bij, of wordt er geïnvesteerd in bodemloze putten?
Ook de rol van de banken kan in de campagne ter discussie staan, alhoewel de meeste Vlaamse partijen hier op één lijn zitten: er moet meer Europese controle komen op bankactiviteiten en excessen zoals overdreven bonussen moeten worden afgeschaft.

Treitermachine

In navolging van wat in andere landen al langer een thema is, kan ook in België het debat opduiken over de wenselijkheid van Europese regels in alledaagse kwesties. Het gaat dan over wetgeving die te maken heeft met consumentenbescherming, voedselveiligheid, milieunormen, landbouwregels,… De Unie vaardigde vooral sinds de jaren 1990 duizenden regels uit die uiterst gedetailleerd vastleggen aan welke normen bepaalde producten moeten voldoen. Europa wordt wel eens een treitermachine genoemd, die zich met allerlei zaken bemoeit, terwijl niet onmiddellijk duidelijk is wat de bedoeling is van deze of gene norm. Van de omvang van varkensstallen, over achterlichten van tractoren, tot kindersurprise-eieren - telkens gelden er Europese normen. Niet alleen producten, maar ook productieprocessen worden tot op zekere hoogte Europees gereguleerd. Tientallen wetten schrijven voor hoe veiligheid en gezondheid van werknemers gewaarborgd moet zijn in Europese bedrijven. Het gaat om afspraken over de omgang met giftige stoffen, om rij- en rusttijden voor buschauffeurs, om minimale bescherming bij zwangerschap, om het tegengaan van lawaaihinder,… Deze regels roepen vaak weerstand op. Zeker in het Verenigd Koninkrijk vinden grote delen van de publieke opinie dat de EU zich hier niet mee moet bezighouden.

In essentie gaat het om een links-rechtsdebat. Wie een vrije markt wil, zonder meer, ergert zich aan de Europese bemoeizucht en heeft het over red tape, waarmee het vrij ondernemerschap wordt belemmerd. Rechtse partijen pleiten voor Europese terughoudendheid, eventueel het terugschroeven van gemaakte afspraken en misschien wel het kortwieken van Europese bevoegdheden. Aan de andere kant van het debat staan degenen die bevreesd zijn dat een vrije markt zonder regels leidt tot een verlaging van de normen, en dus minder bescherming van consumenten, milieu of werknemers. Linkse partijen gaan over het algemeen pleiten voor nog strakkere Europese regels, en met bijvoorbeeld ook afspraken op fiscaal vlak. Europa moet zorgen voor een gelijk speelveld: op de ene Europese markt mag de concurrentie pas spelen als er de garantie is dat er overal faire belastingen worden betaald en iedereen over een uitgebreid pakket aan sociale en economische rechten beschikt. Zoniet gaan landen en bedrijven elkaar beconcurreren op die zaken die nog niet geharmoniseerd zijn, waardoor het risico van een race to the bottom ontstaat.

Verkiezing Commissievoorzitter

Een bijzonder thema dat in de campagne kan opduiken, heeft te maken met het democratisch karakter van de EU. Traditioneel is het nogal moeilijk om dit thema aan te snijden in publieke discussies, omdat het vrij technisch is (al rap wordt gegoocheld met termen als medebeslissingsprocedure, initiatiefrecht, comitologie, etcetera), en omdat de grote Vlaamse partijen hier niet grondig over van mening verschillen.

Maar één aspect verdient deze keer bijzondere aandacht: onmiddellijk na de Europese verkiezingen zullen, zoals gewoonlijk, de discussies starten over wie de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie wordt. De staats- en regeringsleiders moeten iemand naar voor schuiven, rekening houdend met het resultaat van de Europese verkiezingen. Finaal moet het Parlement vervolgens stemmen over die Commissievoorzitter. De Europese politieke families spraken de voorbije maanden af om elk ‘hun’ kandidaat-Commissievoorzitter al naar voor te schuiven tijdens de campagne in het voorjaar. Op die manier willen ze de staats- en regeringsleiders met een voldongen feit confronteren: de grootste politieke familie (of de politieke families die samen over een parlementaire meerderheid beschikken) zal dan haar kandidaat naar voor schuiven. Voor de staats- en regeringsleiders wordt het erg moeilijk om dit gebaar van het Parlement vervolgens te negeren. De politieke families moeten de volgende maanden dus een soort voorverkiezing organiseren. Het is een nieuwigheid, en elke familie zal dit dus op een andere manier doen. Het valt alleszins te verwachten dat de ultieme frontrunners politici zullen zijn met een vrij uitgesproken profiel. In het verleden was het voor kandidaat-Commissievoorzitters vaak een troef dat ze zich lange tijd low profile opstelden, omdat ze zo geen vijanden maakten. Maar dat zou deze keer anders kunnen liggen, precies omdat ze zich eerst in een soort voorverkiezing zullen moeten profileren.

Als dit plan doorgaat, dan biedt dat perspectief op interessante debatten. De frontrunners van de grote politieke families kunnen met elkaar in discussie treden in televisiedebatten die in alle lidstaten worden uitgezonden. De nationale kopstukken zullen vervolgens uitleggen waarom de leider van ‘hun’ politieke familie een geschikte Commissievoorzitter zou zijn. Wie in Vlaanderen stemt voor CD&V stemt dus ook voor de christendemocratische kandidaat-Commissievoorzitter. Wie voor de sp.a kiest, steunt daarmee de kandidaat die de Europese sociaaldemocraten als hun frontrunner selecteren. De Europese verkiezingen zouden op deze manier alleszins een meer ‘Europees’ karakter krijgen.

Het gonst intussen van de namen, in alle families, maar toch is het nog de vraag of dit initiatief wel doorgaat zoals gepland. Bij de grootste politieke groep, de Europese Volkspartij, waartoe onder meer de CD&V behoort, zijn ook kanttekeningen te horen. Politieke leiders, zoals de Duitse kanselier, vinden het niet zo’n aantrekkelijk idee om met een dictaat van het Europees Parlement geconfronteerd te worden. In andere politieke families zou het aanduiden van een frontrunner aanleiding kunnen geven tot bittere interne strijd. Sommige fracties, zoals de Groenen, gaan heel zeker door met het plan. De volgende weken zal blijken of alle andere groepen zullen volgen.

DE VLAAMSE PARTIJEN

De verkiezingsstrijd zal in Vlaanderen straks volop in het teken staan van de Vlaamse en federale verkiezingen. De N-VA en de toekomst van het land zullen centraal staan. Maar daarnaast ligt er ook discussiemateriaal op de plank voor interessante Europadebatten tussen de Vlaamse partijen.

De CD&V zal de traditionele centrumrol spelen. De Europese aanpak van de crisis, die mee is uitgewerkt door kopstukken als Herman Van Rompuy en Marianne Thyssen, zal worden verdedigd. Het gaat daarbij zowel om de solidariteit en de oprichting van noodfondsen, als om de besparingsagenda. Tegelijk zal ook wel benadrukt worden dat de EU in de toekomst sterker moet inzetten op groei, maar dat het nu eenmaal niet gemakkelijk is om tot overeenkomsten te komen met alle landen.

Open VLD-kopstuk Guy Verhofstadt kwam de voorbije jaren, als fractieleider van de liberalen, vaak in conflict met Van Rompuy. Zijn kritiek was niet zozeer een aanval op de beslissingen van de EU (oprichting noodfondsen, besparingen), maar wel op de traagheid bij het nemen van die beslissingen, en op het feit dat het onvoldoende zou zijn. We kunnen verwachten dat Verhofstadt ook in de verkiezingscampagne weer vol in het orgel gaat, en zal pleiten voor meer ambitie, waarbij misschien niet altijd duidelijk zal zijn wat er dan heel precies verwacht wordt van die meer doortastende EU waar Verhofstadt van droomt. Op sommige vlakken heeft Open VLD de voorbije periode een linkse agenda verdedigd (bijvoorbeeld met een pleidooi voor gemeenschappelijk schuldbeheer en euro-obligaties), maar op het vlak van de begrotingsdiscipline blijft het een economisch rechts programma.

Sp.a en Groen zullen scherpe inhoudelijke kritiek geven op de Europese keuzes. Ze zullen de besparingen en het economisch programma zwaar op de korrel nemen, en de negatieve gevolgen ervan benadrukken. Ze zullen pleiten voor een sterkere, maar totaal andere Europese aanpak, waarbij ze consequent linkse thema’s naar voor zullen schuiven: de EU moet meer inzetten op werkgelegenheid en armoedebestrijding. Het zal moeilijk worden om diepe inhoudelijke verschillen te ontdekken in de programma’s van beide partijen. Een extreem-linkse partij als de PVDA zal nog een stuk verder gaan, en de Europese integratie zelf, de euro of de gemeenschappelijke markt meer fundamenteel in vraag stellen.

Het Vlaams Belang vaart traditioneel ook een kritische koers. De solidariteit met de perifere landen wordt wellicht bekritiseerd, net als de eenheidsmunt op zich. Daarnaast ergert het Vlaams Belang zich ook aan de regelzucht van de Unie en aan de uitbreidingspolitiek.

Hoe N-VA-politici zich in de Europadebatten gaan profileren, is moeilijker te voorspellen. Voor de N-VA is Europese politiek niet echt de corebusiness. De voorbije jaren was Frieda Brepoels het Europagezicht van de N-VA. Zij maakte in het Europees Parlement deel uit van de politieke fractie waartoe ook de Europese groenen behoren en sloot zich bij de meeste stemmingen aan bij het standpunt van de groenen. Brepoels stapte intussen uit het Parlement, en de N-VA bereidt een uitgewerkt Europees programma voor. Daarin wordt ongetwijfeld benadrukt dat Vlaanderen een sterkere stem in Europa verdient, maar het is onduidelijk wàt voor Europa er precies zal worden verdedigd. Hoe zal de N-VA staan tegenover de noodfondsen en de solidariteit met de perifere landen? Zal de N-VA de EU meer dan in het verleden gaan afschilderen als de treitermachine die zich bemoeit met zaken die Vlaanderen liever zelf regelt? Die kans is reëel, al is het maar omdat in andere landen blijkt dat partijen die dit benadrukken electoraal niet slecht scoren. N-VA-politici laten zich graag zien in het gezelschap van Britse Conservatieven, die zich ook sterk verzetten tegen Europese bemoeizucht. Als de N-VA zich effectief op die lijn plaatst, zou in Vlaanderen voor het eerst een grote partij een programma verdedigen waarin niet alleen gepleit wordt voor een ànder, maar ook voor manifest mínder Europa.

CONCLUSIE

De Europese verkiezingsstrijd zal in Vlaanderen, net als in het verleden, in de schaduw staan van de andere verkiezingen die op dezelfde dag doorgaan. Toch is de kans reëel dat Europese thema’s in de campagne meer aan bod zullen komen dan in het verleden. De eurocrisis bracht de EU vooraan in het nieuws, en in Vlaanderen verschillen partijen van mening over de wijze waarop die crisis werd aangepakt. Er is dus debatstof, en dat was in het verleden vaak anders.

Bovendien besteden ook in andere landen politieke partijen meer aandacht aan Europa. Partijen die zich in hun programma afzetten tegen Europese bemoeienis en ‘baas in eigen land’ willen worden, scoren vaak sterk. Een recente Gallup-poll suggereert dat in het volgende Europese Parlement de extreme en eurosceptische partijen flink versterkt zouden kunnen worden. Of in Vlaanderen, behalve het Vlaams Belang, nog een partij volop deze eurosceptische kaart zal trekken, valt af te wachten. Mogelijk pikt de N-VA dit thema op en probeert zij op die manier te scoren bij dat deel van de publieke opinie dat de EU als te bemoeizuchtig ervaart.

Daarnaast wordt het vooral uitkijken naar de plannen van de Europese politieke families om op voorhand ‘hun’ kandidaat-Commissievoorzitter te selecteren. Of alle families daarin zullen slagen, is nog onduidelijk. Het wordt vooral uitkijken naar de wijze waarop dit dan een plaats krijgt in de discussies tussen de Vlaamse politieke partijen, maar het zou in elk geval een interessante poging zijn om de verkiezingen een ‘Europeser’ karakter te geven.

Hendrik Vos
Professor aan en directeur van het Centrum voor EU Studies van de Universiteit Gent

verkiezingen - Europa - Europees Parlement - Europese Unie

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 24 tot 32