Log in

Het verlangen naar sociale rechtvaardigheid

De Europese Unie verkeert in een ongeziene crisis. Die treft niet enkel de Europese economie, haar financiële instellingen en haar sociaal stelsel. Europa kampt ook met een vertrouwenscrisis in de politieke instellingen. In 2012 vond nog slechts 34 procent1 van de Europeanen dat economische integratie hun land voordelen had opgeleverd. Dat is slechts één op drie Europeanen. Hoe is het zo ver kunnen komen? Waarom zijn we dat vertrouwen kwijtgespeeld? De vraag die we moeten stellen, is niet zozeer of we de Europese Unie willen of niet, maar welk Europa we willen. En wat betekent het eigenlijk om Europeaan te zijn? Dit leidt ons in deze bijdrage tot enkele concrete aanzetten tot een Europa van de toekomst.

VERTROUWENSCRISIS

De oorzaken van de vertrouwenscrisis lijken redelijk voor de hand te liggen. Als de financiële crisis echt begint te bijten in 2009, zien we een opstoot van het vertrouwen in de EU. Het lijkt er op dat burgers bij het begin van de crisis nog geloven dat enkel de Europese Unie een probleem van dergelijke omvang kan oplossen. Maar vanaf 2010, bij het ontluiken van de Griekse crisis, gaat het vertrouwen in de Europese Unie steeds verder bergafwaarts. Het dalende vertrouwen wijst er op dat de hooggespannen verwachtingen in de Unie niet ingelost werden. De Europese leiders beweren dat snel en hard besparen, zal leiden tot een spoedig herstel van de economie.2 De Europese burgers zien echter welk een impact zo’n bezuinigingsbeleid kan hebben. Beelden van Grieken die hun kinderen met lege brooddozen naar school sturen of die eten sprokkelen uit vuilnisbakken gaan heel Europa rond.

Het dalende vertrouwen is dus het rechtstreekse gevolg van de besparingen in de overheidsbudgetten, die het gevolg zijn van de redding van de banken. Dat leidt in heel Europa tot een stijgende werkloosheid3 en in grote delen van Europa tot een snelle afbouw van de sociale zekerheid.

De redding van de banken heeft veel onbegrip en tegenkanting opgewekt. Niet zozeer omdat mensen vinden dat het verkeerd was om banken te redden, maar omwille van de gevolgen ervan. Twee elementen springen in het oog:
1/ Heel wat mensen reageerden geschokt op de brutaliteit van de banken. Na hun ‘redding’ door de belastingbetaler wilden ze zo snel mogelijk overgaan tot business as usual.
2/ Er was verder ook het effect van de bankenreddingen op de overheidsfinanciën. De Vlaamse econoom Paul De Grauwe toonde glashelder aan dat de Eurocrisis géén crisis van de overheid was. Het was de crisis van een gedereguleerde private sector. ECB vice-voorzitter Constancio maakte in het voorjaar van 2013 een vergelijkbare analyse. Landen die nu in moeilijkheden zitten of een bail-out nodig hadden, zoals Spanje en Ierland, waren vóór de crisis de beste leerlingen van de klas, met een lagere overheidsschuld dan Duitsland, bijvoorbeeld.

Die analyse werd echter niet gemaakt door de Europese leiders. Zij verkozen de crisis te herdefiniëren als een structurele crisis van de overheidsfinanciën. Het is een klassieke ideologische truc. Liberalen kunnen niet anders dan de loftrompet steken over de private sector. Ze kunnen ook niet anders dan de overheid als grote boosdoener aanwijzen.
De ‘schuld’ verschoof dus via die ideologische truc van de private naar de publieke sector. Oplossingen werden daarom gevraagd van de burgers en niet van wie de crisis veroorzaakt had. Dat had een vernietigend effect op de welvaart van de Europese burgers. Meer dan 26 miljoen Europeanen zijn werkloos, ruim 11 miljoen hiervan al meer dan een jaar. In het laatste jaar alleen verloren bijna 2 miljoen mensen hun job.
De jeugdwerkloosheid in de Eurozone bedroeg in 2012 al meer dan 23%. In Spanje en Griekenland is dat zelfs meer dan 50%. Concreet betekent dit dat 3,6 miljoen jongeren in de Eurozone werkloos zijn. In alle EU lidstaten samen zijn dat er 5,7 miljoen.
Toenemende werkloosheid verhoogt het risico op armoede. In 2011 kende bijna één op vier (24%) Europeanen een verhoogd risico op armoede of sociale uitsluiting. Dat zijn bijna 120 miljoen Europeanen. Maar liefst een op drie (27%) kinderen in de EU groeit op in kansarmoede. De rekening voor het bezuinigingsbeleid betalen we dus niet enkel vandaag, maar nog decennialang.

Ook dat is een vaststelling die de Europese burgers maken: ze begrijpen niet waarom Europa 1600 miljard euro kan vrijmaken om de banken te redden, maar het veel moeilijker heeft om 8 miljard euro te vinden om de jeugdwerkloosheid te bestrijden.4

HOE ZOU EUROPA ZONDER EEN EUROPESE UNIE ERUIT ZIEN?

Laat ons dan maar die hele Europese Unie afschaffen, klinkt het hier en daar bij de bevolking. Maar hoe zou Europa er dan uitzien, zonder die Unie? Dan zouden de lidstaten er weer alleen voor staan. Sommigen vrezen dat er dan conflicten ontstaan tussen de landen van Europa, misschien zelfs oorlogen. Zo waarschuwde de voormalige Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker in maart 2013 dat het opkomend nationalisme in Europa tot een oorlog kan leiden.5 Oorlog verhinderen, lag precies aan de basis van de Europese Unie.

Anderen zeggen dat het zo’n vaart niet zal lopen. De landen in Europa zouden immers weer met elkaar samenwerkingsakkoorden aangaan. Maar dan creëren ze opnieuw een Europese samenwerking. Een samenwerking Light. Dat is nu net wat conservatieve Eurosceptici willen: een Europa dat gebaseerd is op minimale afspraken die enkel de vrije markt ten goede komen. En die uiteraard geen rekening houden met sociale rechten.

Bovendien kampt Europa met een hele reeks internationale uitdagingen. Denk maar aan de milieu- en klimaatproblemen, belastingontduiking, geldspeculaties, migraties of energieveiligheid. Die kunnen al lang niet meer aangepakt worden door kleine landen alleen. Wel integendeel. De vermaarde Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber argumenteert in zijn nieuwe boek6 dat natiestaten volstrekt ongeschikt zijn om mondiale problemen aan te pakken. Dat komt omdat wereldproblemen in essentie wijzen op de onderlinge afhankelijkheid van alles en iedereen in een geglobaliseerde wereld. Deze wereld is interdependent geworden. Onderling van elkaar afhankelijk. Natiestaten staan echter op hun independentie, op hun onafhankelijkheid en soevereiniteit.

Om die soevereiniteit en onafhankelijkheid te vrijwaren, doen natiestaten elkaar met plezier de duvel aan. Dat zien we vandaag zelfs gebeuren in Europa waar de lidstaten elkaar voortdurend vliegen afvangen. Elke lidstaat houdt tot de dag van vandaag haar fiscale achterpoortjes op een kier in de hoop bedrijven te kunnen lokken. Dat een andere lidstaat daarvan het slachtoffer is, is het minste van hun zorgen. Wat zou dat zijn zonder Unie of met een minimale Unie?

Het is dus niet zozeer de vraag of we de Europese Unie willen of niet, maar welk Europa we willen.

EEN GEBREK AAN DEMOCRATIE?

Zolang de Unie haar burgers voordelen opleverde, in de vorm van vooruitgang, welvaartsstijging, economische kansen of nieuwe jobs, vond niemand het erg dat de Europese politiek zich ver van hun bed afspeelde. Nu kiezers de bezuinigingen, de groeiende werkloosheid en de afbouw van de sociale zekerheid aan den lijve ondervinden, brokkelt ook de legitimiteit van de Unie af.

Bovendien wordt de macht van de Europese Commissie groter, zonder dat de democratische controle op haar beslissingen toeneemt. De Europese Commissie mag nu ook de begrotingen van de lidstaten op voorhand inkijken en bijsturingen eisen. Dat alles nog voor de nationale parlementen ook maar iets te zeggen hebben over de begroting.

Het vertrouwen in het Europees Parlement heeft weliswaar ook wat klappen gekregen, maar van alle Europese instellingen vertrouwen de Europeanen het Europees Parlement nog het meest. Nochtans schort er ook in het Parlement het een en ander aan de democratische legitimiteit. Eric Schattschneider definieerde het begrip democratie in de jaren 1960 als ‘een competitief politiek systeem waarin concurrerende politieke leiders en organisaties de alternatieven voor het beleid naar voor schuiven op zulk een manier dat het publiek kan participeren in het beslissingsproces’.7 Politieke competitie bestaat op lidstaatniveau, maar als we naar Europese verkiezingen trekken, is er geen politieke competitie op het Europese niveau. Kiezers stemmen enkel op concurrerende nationale politici... op een Europese lijst. Bovendien heeft het Europees Parlement nog steeds geen initiatiefrecht. Zij kan de Europese Commissie enkel suggereren om Europese wetgeving te maken.

Naast het Europees Parlement en de Europese Commissie, wordt Europa mee bestuurd door de Europese Raad8, de vergadering van de regeringsleiders van de 28 Europese lidstaten. De bijeenkomsten van de Europese Raad tonen meestal aan dat de regeringsleiders enkel de belangen van hun land verdedigen. Beslissingen die noodzakelijk zijn voor de toekomst van de Unie én van haar bevolking worden vaak door de regeringsleiders tegengewerkt, uit vrees om tijdens nationale verkiezingen stemmen te verliezen.

De manier waarop de Europese Unie bestuurd wordt, is ingewikkeld en voor heel wat burgers zelfs onbegrijpelijk. Daar zijn Europese politici zich ondertussen wel van bewust. Om de competitie tussen politieke partijen op Europees niveau te versterken én de democratische legitimiteit van de Commissie te verstevigen, zal de grootste politieke familie in het Europees Parlement in de toekomst wellicht de voorzitter van de Europese Commissie leveren. Dan is tenminste de voorzitter van de Commissie zo goed als rechtstreeks verkozen.

Willen we Europa echter aansluiting laten vinden bij haar bevolking, dan zal er meer nodig zijn. Toch moeten we opletten dat we dit debat niet verengen tot een hoe-vraag. Daar gaat immers een belangrijke vraag aan vooraf. Over welk Europa hebben we het? Wat is Europa precies? En wat betekent het om Europeaan te zijn? Het antwoord op die vraag vertelt ons misschien welke weg we moeten bewandelen.

WAT BETEKENT HET OM EUROPEAAN TE ZIJN?

Er wordt wel eens gezegd dat er geen echte Europese democratie bestaat omdat er geen echt ‘Europees volk’ bestaat.9 Europeanen hebben, veel minder dan bijvoorbeeld Amerikanen, het gevoel te behoren tot één gemeenschap. Nochtans zeggen Europeanen die op reis zijn buiten de Unie allemaal vrij makkelijk dat ze ‘Europeaan’ zijn. Dat schreef de Zwitserse filosoof Denis de Rougemont al op het einde van de jaren 1950:
‘Je moet alleen maar vertrekken uit Europa, in welke richting ook, om de realiteit van onze culturele eenheid te voelen. In de Verenigde Staten al, in de Sovjet-Unie zeker en in Azië zonder enige twijfel, worden Fransen, Grieken, Engelsen, Zwitsers, Zweden en Catalanen gezien als Europeanen... Van buitenaf bekeken is het bestaan van Europa zonneklaar’.10

In tegenstelling tot de Amerikanen of de Chinezen, beschikken de Europeanen niet over een gezamenlijk stichtingsverhaal dat hen verbindt. Maar wat is het dan precies wat ons wel bindt?

Heel wat Europeanen denken meteen aan hun historische erfenis, de schitterende monumenten, uitzonderlijke kunstwerken, muziekstukken en literatuur die de Europese cultuur heeft voortgebracht, of aan de grote filosofische tradities van Europa, de Europese Verlichting, de universaliteit van de wetenschap, het Romeinse recht dat aan de basis van onze rechtspraak ligt... Maar ligt onze identiteit verborgen in monumenten, oude teksten en schilderijen? En hebben de Chinezen of de Indiërs dan ook geen grote culturele erfenis, met indrukwekkende kunst- en bouwwerken, literaire of filosofische tradities?

Toen de Europese Unie in 2012 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, werd Europa geroemd als het vredesproject waar de Europese bevolking zo naar verlangde na de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Dat project mondde uit in een Europa waar mensenrechten, democratie, de vrijheid van meningsuiting, tolerantie, gelijkheid en solidariteit de fundamenten werden van onze gedeelde waarden. Al die verworvenheden stoppen niet aan de grenzen van een lidstaat. Ze maken deel uit van de hele Unie en overstijgen etnische, religieuze, nationale en culturele verschillen.

SOCIALE RECHTVAARDIGHEID BEPAALT ONZE EUROPESE IDENTITEIT

Wat Europa echt uniek maakt in de wereld is een gedeeld verlangen naar sociale rechtvaardigheid. ‘Overheidsbescherming tegen sociale risico’s en gelijke toegang tot publieke goederen zoals onderwijs zijn bepalend voor de European way of life’, schreef Frank Vandenbroucke. Hij staat daarin niet alleen. De traditie die het meest kenmerkend Europees is, is het verlangen naar sociale rechtvaardigheid, schreef ook de Britse socioloog Gerard Delanty11:
‘Het geloof in een sociaal project is veel meer een onderdeel geweest van de Europese politieke moderniteit dan van welke politieke moderniteit elders in de wereld. De visie van solidariteit en sociale rechtvaardigheid heeft veel van de belangrijkste sociale bewegingen in Europa geïnspireerd, en geleid naar de oprichting van de twintigste-eeuwse welvaartsstaat, die als de Europese politieke erfenis kan worden gezien. Sociaal katholicisme, de vakbeweging en het socialisme hebben een blijvende stempel op Europa nagelaten, en een traditie gecreëerd die de basis vormt van haar identiteit van sociale zorg, gelijkheid en de visie van een eerlijke samenleving’.12

Sociale rechtvaardigheid is kenmerkend voor de Europese identiteit. De Verenigde Staten kennen dat niet, getuige het protest tegen de hervormingen van president Obama in de gezondheidszorg. In Europa leeft het geloof in een ‘sociaal contract’. Dat betekent dat burgers bepaalde ‘vrijheden’ opofferen in ruil voor sociale bescherming. In de Verenigde Staten wordt ‘vrijheid’ als iets absoluut beschouwd, reden waarom Amerikanen kregelig worden als hun overheid zich bemoeit met iets als gezondheidszorg. In Europa weegt sociale zekerheid zwaarder dan absolute vrijheid.

SOCIALE RECHTVAARDIGHEID EN SOLIDARITEIT ONDER DRUK

De besparingsdrift van de Europese Unie zet vandaag onze sociale zekerheid, en daarmee het unieke Europese verlangen naar sociale rechtvaardigheid, onder druk. Nochtans maakt sociale inclusie deel uit van de zogenaamde Lissabonstrategie, een ontwikkelingsplan voor Europa dat in 2000 werd aangenomen en van de EU de sterkste economie ter wereld moest maken tegen 2010. De Lissabonstrategie werd opgevolgd door het Europa 2020-project, waarin de focus echter verschoof naar louter economische integratie en budgettaire orthodoxie. Dat Europa sindsdien naar rechts is opgeschoven en dat nationalistische tendensen toenemen, is daar niet vreemd aan. Die evolutie heeft ook invloed op de manier waarop Europa de crisis aanpakt. Crisismaatregelen worden enkel bestreden met bezuinigingsprogramma’s. Die worden steevast vermomd als ‘structurele hervormingen’.

Let vooral op het schijnbaar neutrale begrip: structurele hervormingen.

‘Structurele hervormingen’ betekenen voor conservatieve politici enkel dat er moet worden geschrapt in de overheidsuitgaven. En dus vooral in de sociale zekerheid. Op die manier wordt een ideologisch liberaal programma - de afbouw van de staat - verkocht als de enige manier om de crisis op te lossen. Alweer diezelfde ideologische truc. En dat terwijl de crisis net ontstaan is door het belang van de overheid stelselmatig af te bouwen, onder meer via deregulering.

Voor sociaaldemocraten betekenen ‘structurele hervormingen’ iets helemaal anders. Wij willen het sociale beleid en de sociale zekerheid schoeien op een Europese leest, zodat we het sociale vangnet klaar maken voor de toekomst. Zo niet verliezen we het fundament van onze Europese identiteit en dan duurt het niet lang meer vooraleer we Europa zelf en het Europese vredesproject kwijt spelen.

GRENZEN AAN DE UNIE

Een groot deel van de onwil om verder te gaan met een bredere Europese samenwerking, zeker op sociaal niveau, is de onzekerheid over de grenzen van de Unie. Als sociale rechtvaardigheid de kern is van onze Europese solidariteit, moeten we durven bepalen wie die kernwaarde deelt en wie niet. Deze vraag moeten we steeds stellen of het nu gaat over Zwitserland of IJsland, maar ook over Oekraïne of Wit-Rusland. En ja, ook als het gaat over Turkije. Dat heeft niet zozeer te maken met de vraag of sommige ‘etnische of religieuze groepen’ al dan niet thuishoren in de Europese Unie, maar met de vraag of we een evenwichtig sociaal model kunnen garanderen in nieuwe lidstaten. Vandaag zorgt sociale ongelijkheid voor concurrentievervalsing op de arbeidsmarkt en daarom voor spanningen die de vorming van een gemeenschappelijke Europese identiteit in de weg staan.

Het valt op dat de roep om uitbreiding, zonder de sociale consequenties ervan in de weegschaal te leggen, past in de neoliberale agenda van sommige Europese leiders. Wie Europa louter ziet als een afzetmarkt voor producten, maalt niet om sociale verschillen en spanningen. Hoe sneller de promotoren van Europese uitbreiding de Unie willen vergroten, hoe kleiner hun ‘Europees project’ is. Zij pleiten immers voor een Unie met minimale economische spelregels, een Light versie van Europa waarin voor grote bedrijven geld te scheppen valt en waarin Europees burgerschap een vervelende bijkomstigheid is.

ENKELE AANZETTEN TOT EEN EUROPA VAN DE TOEKOMST

Europa is een machtig project dat we al vijftig jaar lang samen boetseren rond een aantal kernwaarden die ze ons overal ter wereld benijden. Om het te voltooien, moeten we vechten voor die Europese waarden, voor het primaat van sociale rechtvaardigheid.

Ik geef graag wat concrete aanzetten voor de strijd die wél moet worden gestreden. Die strijd gaat over het verankeren van sociale rechten op het Europese niveau, zodat ze universeel zijn in de Unie. Een mooi voorbeeld is het minimumloon. Elke Europeaan heeft immers recht op een waardig leven om zijn of haar gezin te onderhouden, de kinderen naar school te sturen en een degelijk dak boven zijn hoofd te hebben.

Een Europees minimumloon

De meeste landen in de EU hebben een minimumloon, al dan niet sectoraal, maar de relatieve hoogte van deze minimumlonen varieert behoorlijk in de EU.13 Het hoogste minimumloon (in Luxemburg) is maar liefst zes keer hoger dan het laagste minimumloon (in Roemenië). Anders gesteld: alles wat een Roemeen met zijn minimumloon kan kopen, kan een Luxemburger met een minimumloon zes keer kopen. Hierin zit een belangrijke sociale onrechtvaardigheid verscholen. Als we vinden dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan, waarom moet een Roemeense werknemer met een minimumloon dan zes keer zo lang werken om in dezelfde basisbehoeften te voorzien dan een Luxemburgse werknemer?

Niet alleen zijn die verschillen onrechtvaardig, ze zetten ook de interne markt onder druk. Dergelijke grote verschillen leiden immers tot oneerlijke concurrentie binnen de EU. We zien dit vandaag al in de transportsector. Oost-Europese chauffeurs worden daar soms onder ronduit mensonwaardige arbeidsomstandigheden ingezet.

Resolute aanpak van jeugdwerkloosheid

Iemand moet me nog steeds kunnen uitleggen waarom we de banken kunnen redden, maar niet bereid zijn onze jeugd te redden. Nochtans zijn de sociale en economische risico’s van massale jeugdwerkloosheid zeker zo groot, zo niet groter dan die van een falend bankensysteem. Uit onderzoek blijkt dat werkloosheid - zeker langdurige werkloosheid - in het begin van de carrière grote gevolgen heeft. De Internationale Arbeidsorganisatie waarschuwt zelfs voor een ‘littekeneffect’. Een hele generatie werknemers zal voor altijd dat litteken dragen, met lagere lonen en lagere sociale uitkeringen. Onderzoekers aan de universiteit van North Carolina berekenden14 dat mensen die in hun jeugd werkloos zijn geweest, later meer kans maken om opnieuw werkloos te worden. Bovendien duren die periodes van werkloosheid langer dan gemiddeld. En een studie van Eurofound uit 2005 berekende dat de directe economische kost van jeugdwerkloosheid voor elke jongere 14.000 euro bedraagt.15 De Wereldgezondheidsorganisatie waarschuwt zelfs voor korte- en langetermijneffecten van jeugdwerkloosheid op de mentale gezondheid van jongeren.

Het niet aanpakken van de jeugdwerkloosheid is dus niet alleen maatschappelijk onverantwoord, het is bovendien economische onzin en dus slecht beleid. De Europese leiders zijn hier nu ook achter gekomen. Ze hebben de vraag van het Europees Parlement ingewilligd om een jeugdgarantieregeling uit te werken die werkloze jongeren een baan, een stage of een opleiding aanbiedt. Alleen zijn de middelen beperkt (gemiddeld 857 miljoen euro per jaar over de volgende 7 jaar) en is er ook hier weer een gebrek aan een duidelijke Europese dimensie omdat de lidstaten de klus zelf moeten klaren.

Fiscale harmonisatie

Fiscaliteit is het domein bij uitstek waar het failliet blijkt van de Europese constructie zoals die vandaag wordt uitgebouwd. EU-lidstaten lopen elk jaar 1000 miljard euro inkomsten mis door belastingontwijking en -ontduiking. Dat is meer dan alle landen in de EU momenteel uitgeven aan gezondheidszorg. Het fiscale shoppinggedrag van multinationals zorgt bovendien ook voor oneerlijke concurrentie tussen bedrijven. Dit heen en weer geschuif met miljarden om zo weinig mogelijk belastingen te betalen wordt door de burgers terecht als oneerlijk beschouwd. Zeker nu van hen gevraagd wordt extra inspanningen te leveren.

Oneerlijke fiscale concurrentie is uiteraard geen typisch Europees probleem. Het is dan ook leerrijk om te zien hoe de Verenigde Staten dit probleem hebben aangepakt. Men werkt er met het principe van ‘toewijzing’. In plaats van uit te zoeken welk deel van de winst in welke staat gemaakt werd, kan een staat een bedrijf belasten op het deel van haar globale winst in de VS. Dat deel komt overeen met de activiteiten van dat bedrijf in die staat.16 Het is hoog tijd om ook in de EU deze stap te zetten.

Democratie en legitimiteit

Een fundamenteel probleem waarmee de Unie kampt, is wellicht het toenemende democratisch deficit. De snelle overheveling van een aantal bevoegdheden naar de Commissie - zoals de controle op de begrotingen en de sancties die het gevolg kunnen zijn van een falend begrotingsbeleid - zonder dat daar een democratische controle op bestaat, hebben de Europese zaak geen deugd gedaan.

Wat we aan de bevolking moeten duidelijk maken, is waarom een sterkere Europese integratie nodig is. Dat is om onze unieke identiteit van sociale rechtvaardigheid te bewaren en te versterken, om de slagkracht van ons solidaire stelsel te vergroten en om grensoverschrijdende problemen aan te pakken. We moeten ook duidelijk maken dat burgers in ruil voor het afstaan van nationale soevereiniteit iets in ruil krijgen, in de vorm van een grotere democratische inspraak in de Unie. Als het verlies aan nationale soevereiniteit niet gecompenseerd wordt door een grotere democratische legitimiteit van de Unie, kunnen we het wel schudden. Dat debat durven de Europese regeringsleiders niet voeren.

Toen de architecten van het Verdrag van Maastricht (1992) er niet in slaagden een politieke Unie te vormen, namen ze genoegen met het idee dat een gemeenschappelijke munt automatisch zou leiden tot verdere economische integratie, waaruit vanzelf ook politieke integratie zou volgen. Dat gebeurde helaas niet. Nu de crisis de Europese politiek dichter bij de Europese burgers heeft gebracht, merken we dat we niet beschikken over de instrumenten en mechanismen die burgers betrekken bij het Europese besluitvormingsproces. Een politieke deal die enkel de euro beschermt zonder nieuwe manieren van democratische legitimiteit te ontwikkelen, is echter gedoemd te mislukken.

Kathleen Van Brempt
Europees parlementslid sp.a

Noten
1/ Volgens een bevraging van het Pew Global Attitudes Project bij 8000 mensen in Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië, Griekenland, Polen, het Verenigd Koninkrijk en Tsjechië, in maart-april 2012.
2/ ‘Contractionary fiscal expansion’.
3/ Felix Roth, Felicitas Nowak-Lehmann D. & Thomas Otter, Has the financial crisis shattered citizens’ trust in national and European governmental institutions? Evidence from the EU member states, 1999-2010, Centre for European Policy Studies, juni 2011.
4/ Martin Schulz, Europees parlementsvoorzitter, tijdens een discussie georganiseerd door de Europese ombudsman, april 2012.
5/ Euro-Krise: Juncker spricht von Kriegsgefahr in Europa, Der Spiegel, 10 maart 2013.
6/ Benjamin Barber, If Mayors Ruled the World, Yale University Press, 2013.
7/ Elmer Eric Schattschneider, The Semisovereign People: A Realist’s View of Democracy in America, 1960, p. 141.
8/ De Europese Raad werd met het Verdrag van Lissabon in 2009 een officiële instelling.
9/ Thomas Jensen, The Democratic Deficit of the European Union, Living Reviews in Democracy, Vol 1 (2009).
10/ Max Beloff, Europe and the Europeans, an international discussion. With an introduction by Denis de Rougemont, A report prepared at the request of the Council of Europe,1957.
11/ Gerard Delanty, Is there a European Identity?, in: Global Dialogue, vol. 5, nr 3-4, 2003 - The Future of Europe.
12/ Gerard Delanty, ibid.
13/ De vergelijking van minimumlonen in verschillende EU-landen gebeurt op basis van de zogenaamde ‘purchasing power parity’, dus aangepast aan de koopkracht die de reële lonen geven. Op die manier kan een zuivere vergelijking gemaakt worden tussen de ‘waarde’ van de minimumlonen in verschillende landen.
14/ Onderzoek uit 2001, op basis van longitudinaal onderzoek.
15/ Er werd zelfs geen rekening gehouden met de secundaire effecten op later loon - en dus verminderde overheidsinkomsten - of met maatschappelijke kosten door jeugdwerkloosheid.
16/ De meest gebruikte formule houdt rekening met omzet, loonrol en eigendommen.

Europa - Europese identiteit - sociale rechtvaardigheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 33 tot 41