Log in

Waar Gwendolyn Rutten zich fundamenteel vergist

boekessay

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 92 tot 101

Sinds het verschijnen van De geëngageerde burger. Inleiding tot een nieuwe politieke lente hebben we niet veel meer gehoord van het boekje van de voorzitter van de Vlaamse liberalen, Gwendolyn Rutten. Ze roept nochtans op tot reactie en discussie. Ze wil niet minder dan 15.000 burgers horen, zien, met hen praten. En met hun mening wil ze rekening houden bij de vernieuwing van haar partij. Ik hoop oprecht dat het haar lukt. Ook al sta ik niet aan haar kant van het debat, ik denk dat het hard nodig is. We zitten in een tijdperk van ideologische verschraling. Sommigen denken dat ideologie er zelfs niet meer toe doet. Maar ik vind dat ze zich vergissen. Er schuilt bij manier van spreken ideologie achter elke hoek, alleen zijn we er wat blind voor geworden. Rutten zet de zaken op scherp en dat kan diegenen wakker maken die net aan het indommelen waren.

IDEOLOGISCH DEBAT VOEREN

En voor alle duidelijkheid: ik heb het dan niet over de provocaties die ook in de krant gekomen zijn. Dat ze andere vakbonden wil bijvoorbeeld en dat ze dan vooral weerstand verwacht van de top die zichzelf beschermt. Dat de index eraan moet en natuurlijk ook het stakingsrecht en de vrije loonvorming. Of dat het volgens haar beter zou zijn als er meer mutualiteiten zouden zijn, want dat concurrentie goed is. Of dat mini-jobs een goed idee zijn. En zo staan er nog een paar verplichte nummers in. De discussie hoeft daar niet op te stranden, dat is niet de essentie van het debat dat zij wil aansteken.

Het gaat over de fundamentele principes waarop de samenleving en in het bijzonder de economie gebaseerd moeten zijn. En zij verdedigt de stelling dat er een liberaal alternatief is dat ons uit de crisis kan helpen. Zij wil een pleidooi houden voor vooruitgangsoptimisme en zet zich af tegen alle conservatisme. En dat komt van alle richtingen: rechts-conservatisme dat de maatschappelijke verandering tegenhoudt, links-conservatisme dat geen economische verandering wil en groen-conservatisme dat een afkeer heeft van technologische en wetenschappelijke vooruitgang. Mooie ambitie, toch? Ideeën moeten seks hebben, schrijft ze. Daar zijn we toch voor?

De ideeën worden uitgewerkt in drie hoofdstukken: de geëngageerde burger, de open economie en een eenvoudige overheid. Ik overloop ze eerst en geef er daarna commentaar op.

GEËNGAGEERDE BURGER

De geëngageerde burger is een doe-het-zelver, iemand die zelf de handen uit de mouwen steekt en niet alles van de overheid verwacht. De overheid is voor hem een platform dat mensen samenbrengt en dingen mogelijk maakt. Zij hoeft de problemen niet zelf op te lossen. Die burger staat meer en meer recht, want de overheid schiet zelf meer en meer tekort en is vooral niet in staat maatwerk te leveren. Natuurlijk zijn mensen feilbaar, maar ze hebben een goede inborst. Het beste resultaat bereik je wanneer je hen vrij laat. Dan kiezen ze niet voor het welbegrepen eigenbelang, maar zijn ze geïnspireerd door empathie en spontane solidariteit. De solidariteit van de sociale zekerheid is verworden tot een black box: heel complex en niet meer duidelijk met wie we solidair zijn. De burgers nemen het over. Het middenveld hoeft niet te verdwijnen, maar moet zich aanpassen. Oplossingen komen niet van meer regels. Van die soort hebben we er meer dan genoeg. We mogen gewoon niets meer. Er is nood aan duidelijke principes, niet aan pesten van burgers. Zo kan niemand nog de klimaatverandering ontkennen, maar je lost ze niet op door centraal gestuurde plannen, wel door de positieve samenwerking tussen miljoenen mensen. De toekomst is aan een kleinschalige energieproductie. De reactie tegen schaliegas is deze van een conservatieve groene angst. Er is wel degelijk een omslag nodig in de manier van produceren, transporteren, wonen en leven. Maar duurzaam denken staat niet gelijk aan negatief denken, het is een positief verhaal van innovatie. We moeten er niet vanuit gaan dat het met minder moet, maar dat het anders kan.

OPEN ECONOMIE

In haar economisch hoofdstuk vertrekt Rutten van de Tsjechische econoom Tomáš Sedláček. Hij heeft het niet over de crisis van het kapitalisme, maar over een ongebreideld manisch-depressief turbokapitalisme. Het probleem is dat niemand Keynes goed begrepen heeft. Ja, hij pleit voor overheidsinvesteringen wanneer het moeilijk gaat, maar hij pleit evenzeer voor het opsparen van overschotten wanneer het beter gaat. We hadden moeten investeren in een toekomstfonds. En het is te gemakkelijk om alle actuele problemen te herleiden tot de hebzucht van de banken. Natuurlijk is die een realiteit, maar ook de overheid heeft gefaald door het rauwe kapitalisme toe te laten. Een internationale economie, gereguleerd door nationale regels, dat is om moeilijkheden vragen. Nochtans is de oplossing niet meer regels. Het is de tweede keer dat Rutten dit opmerkt (en ze zal het nog een derde keer doen), maar deze keer geeft ze een duidelijk voorbeeld van de algemene principes die zij wil invoeren: geen enkele financiële instelling mag zo groot worden dat ze een samenleving kan meesleuren. Accountability: wie de eer wil als het goed gaat, moet de verantwoordelijkheid dragen als het fout gaat. Dat heet een terugkeer naar de ethiek. De vrije markt blijft de beste manier om welvaart en vooruitgang te garanderen. We moeten er alleen mee leven dat dit geen simpel en voorspelbaar model is. Het is het complexe en interactieve resultaat van miljoenen individuele beslissingen. Het is economisch darwinisme, dat geen echt einddoel heeft. Innovatie en voorkeuren die zich wijzigen zijn de echte motor. In de netwerksamenleving, mogelijk gemaakt door de globalisering en digitalisering, wordt de ‘invisible hand’ efficiënter. Netwerken zetten de economie op zijn kop. Neem Wikipedia, Linux of Drupal: telkens zien we een bredere vorm van welbegrepen eigenbelang. Mensen willen wel degelijk samenwerken en willen los komen van controle, verticale hiërarchieën, wantrouwen en eenzijdige communicatie. Zelfs sociale klassen worden een achterhaald begrip, want mensen kiezen zelf wel met wie en hoe ze al dan niet willen samenwerken. Ze zijn zeker ook geen passieve consumenten, maar ‘prosumenten’, als consument produceren zij mee. Dat stimuleert ongetwijfeld ondernemerschap.

EENVOUDIGE OVERHEID

Het laatste hoofdstuk gaat over de overheid. Dat bedrijven opkomen en vergaan is normaal. Het gaat nu wat sneller dan vroeger, maar het is altijd zo geweest en het zal zo blijven. Alleen de overheden veranderen niet. ‘Of toch wel. Ze worden steeds groter en ingewikkelder. Ze worden steeds logger en boeken zelden grote of snelle efficiëntiewinsten.’ (p. 100) Men zou eigenlijk minder moeten bezig zijn met een staatshervorming en meer met een staatsvermindering! Er is een overheidsbeslag van meer dan 54%. De groei van de overheid lijkt eindeloos, maar de waardering voor het resultaat wordt steeds kleiner. Laten we ons engageren om dat tegen 2020 onder de 50% te brengen. Laten we overal de overheidsparticipaties afbouwen. We kunnen het zelfs doen met minder gemeenten, want de toekomst is aan de steden. De overheid moet een platform worden, de burger moet meer zelf doen. Maar binnen de overheid moet de burger centraal staan.

MANISCH-DEPRESSIEF TURBOKAPITALISME

Rutten vindt zich terug in een onderscheid tussen kapitalisme en turbokapitalisme, het kapitalisme dat door hebzucht ontspoord is, het kapitalisme van de banken en de falende overheid. Dat moest op een catastrofe uitlopen, omdat de internationale economie niet gebonden is aan internationale regels. Je moet echter niet meer regels opleggen, vindt zij, maar algemene ethische principes.

En als die turbo eens een eenvoudige consequentie zou zijn van het economisch systeem? De grote Amerikaanse banken zijn vandaag niet ver verwijderd van het punt waar zij in 2008 op de rand van de dieperik stonden en iedereen maar wat opgelucht was toen de overheid tussenkwam. Ethische principes, akkoord, maar je moet ze verankeren in wetten omdat het economisch systeem, dat kapitalisme heet, nu eenmaal geen remmen heeft. Ze schrijft zelf dat het economisch darwinisme is, zonder einddoel. De antieke Griekse economie hield zich bezig met het huishouden, wilde ervoor zorgen dat aan de dagelijkse behoeften voldaan werd. Vandaag is economie daar niet mee bezig.

Je kunt dan ook geen enkel vertrouwen hebben in de afbouw van regels en afspraken over ethische principes. Precies alsof er niet reeds tientallen jaren en vooral sinds Reagan en Thatcher op een ontzettende schaal gedereguleerd is. De hele bankencrisis zou anders niet mogelijk geweest zijn. In End this depression now! (2012), wijst Paul Krugman er op hoe de politiek regels bleef afbouwen, ondanks vele waarschuwingen dat het financieel systeem in het rood stond. En nu we eindelijk erkennen dat klimaatopwarming een reëel probleem is, verwacht Rutten de oplossing van de som van alle individuele energie-initiatieven. Nee, daarmee zal je het probleem van de smeltende Noordkaap en de CO2 die op een bepaald moment zal ontsnappen niet oplossen. Ook niet door te doen alsof schaliegas een zegen is en niet veel meer problemen creëert dan er kunnen worden opgelost.

LIBERALISME IS EEN IDEOLOGIE

In Utopie van de vrije markt (2010) graaft de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis naar de wortels van de diepe utopische inspiratie van het kapitalisme. Het is geen natuurverschijnsel dat beantwoordt aan darwinistische wetten. Het is een ideologische constructie, die berust op hebzucht en afgunst en finaal totalitaire ambities heeft. Het evangelie van dat economisch systeem is geschreven door Ayn Rand. Haar discipelen waren Greenspan, Friedman, Von Hayek en vele anderen. Onder meer in Chili is aangetoond hoe makkelijk vrijheid aan banden wordt gelegd als de utopie in het gedrang komt. Er is overigens in de loop van de tijd veel geweld nodig geweest om de zogenaamd vrije markt in stand te houden. Die markt is helemaal geen domein van vrijheid, maar een juridische ruimte die het functioneren van de economie mogelijk maakt.

Robert en Edward Skidelsky gaan misschien minder ver dan Achterhuis, maar met hun betoog in Hoeveel is genoeg? (2013) tegen de onverzadigbaarheid, gaan zij toch een heel stuk in dezelfde richting. Voor hen is dat niet het mechanisme van het kapitalisme. Het zit veel meer in de natuur van de mens, maar het kapitalisme heeft die toch flink aangewakkerd. Materiële verlangens hebben geen natuurlijke grenzen, terwijl kapitalisme juist berust op het eindeloos uitdeinen van dat verlangen. De onzichtbare hand van Adam Smith maakt - in een economische verband - ondeugden tot natuurlijke en dus aanvaardbare eigenschappen. Sindsdien hebben economen die strategie niet meer losgelaten. Het is de idee dat het individueel nastreven van materieel bezit bevorderlijk is voor maatschappelijk welzijn, dat wie op de markt zijn eigenbelang nastreeft zorgt voor het collectief belang.

Vader en zoon Skidelsky willen liever terug aanknopen bij de idee van het goede leven. Maar hoe ver zijn we daarvan verwijderd als een psychiater als Dirk De Wachter durft schrijven dat we in Borderline Times leven (2012), dat onze samenleving beantwoordt aan een ziektebeeld, dat we leven in een gekkenwereld? In diezelfde richting gaat ook de analyse van Paul Verhaeghe in zijn boek Identiteit (2012). Het economisch systeem waarin we leven heeft echt wel pathologische kanten.

EEN ANDERE MANIER VAN PRODUCEREN

Hebzucht, afgunst, onverzadigbaarheid doen alle grenzen steeds weer opschuiven. De banken zijn daarin excessief ver gegaan, maar niet alleen de banken. Kijk eens naar de confectienijverheid. Vandaag blijft daar in ons land nagenoeg niets van over. Op zich hoeft dat niet erg te zijn, maar het mechanisme illustreert de kern van het economisch systeem. Eerst werd de productie verschoven naar het noorden van Afrika. Daarna bleek het goedkoper om in landen als Vietnam te produceren. Het maakt voor de westerse producenten (en consumenten) niets uit dat de werkomstandigheden erbarmelijk zijn. Toen die trouwens wat verbeterden en de lonen stegen, verschoof de productie opnieuw, dit keer naar onder meer China. Recent zijn we opgeschrikt door de doden in Bangladesh, maar dat gaat al tientallen jaren door. Het wereldkapitaal trekt altijd naar het laagste punt, naar die plaatsen waar de arbeidsvoorwaarden het goedkoopst zijn. In de zogenaamde vrijhandelszones leven moderne slaven. We willen het niet weten, want we willen goedkope T-shirts en eigenlijk ook wel een goedkope Apple. Maar weet je wat goed is? De druk om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren wordt steeds groter, niet in de laatste plaats omdat arbeiders zich syndicaal verenigen. In China lijkt er stilaan een ommekeer te komen, met hogere lonen en betere sociale bescherming. Maar in China hebben ze, volgens Paul De Grauwe, ook al last van een zeepbel in de immobiliënsector…

Ik vind het bemoedigend dat Glendolyn Rutten erkent dat er wel degelijk een omslag nodig is in onze manier van produceren, transporteren, wonen en leven. En ik ben het er ook mee eens dat duurzaam denken niet gelijk staat aan negatief denken, maar een positief verhaal is van innovatie. Maar dan zie je plots het verschil, als ze eraan toevoegt: we moeten er niet vanuit gaan dat het met minder moet, maar dat het anders kan. Ik denk dat het wel degelijk met minder moet, dat er een grens is aan de groei. Maar van minder word je absoluut niet altijd slechter. En dat je dat in hoofdzaak moet proberen te bereiken door het anders te doen is weer een andere zaak. Je zult daar overigens flink wat wetenschap en technologie voor nodig hebben.

SOCIALE ZEKERHEID ZIT IN DE GENEN

Liberalen geloven dat mensen een goede inborst hebben, van natuur sociaal zijn. Wel, ik geloof dat ook. Rutten verwijst naar de spiegelneuronen, maar je kunt het ook lezen bij Frans De Wael, de bekende primatenspecialist. Empathie is biologisch gegrond. Solidariteit zit in onze genen. De sociale zekerheid die we vandaag kennen is daar een resultaat van. Rutten vindt dan weer dat die sociale zekerheid scheefgegroeid is. Ze is te complex en kan te weinig maatwerk leveren. Mensen zullen wel voor zichzelf zorgen.

Ik zie om me heen dat dit laatste niet waar is. Mensen zorgen voor zichzelf, als ze veel kansen gekregen hebben. Vooral als ze lang gestudeerd hebben en blank zijn en in een milieu met goede relaties geboren zijn. Maar ga dat eens zeggen aan de verloren generatie waar de OESO het onlangs over had. Bijna 14 procent van de Belgische jeugd studeert niet meer en is werkloos. België scoort daarmee net iets beter dan het Europese gemiddelde, maar het staat voorlaatste op de West-Europese lijst. Wie langdurig werkloos is in zijn jeugd zal dat voor de rest van zijn leven meedragen.

Sociale klassen zijn een achterhaald begrip, zegt Rutten. De mensen kiezen zelf wel hoe en met wie ze al dan niet willen samenwerken. Je zal maar geboren zijn in een kansarm gezin, een groep die in ons land stijgt. In Vlaanderen zitten we aan meer dan 10%, in Brussel met meer dan 20%, in Antwerpen met 24% en in Oostende met 25%. Je kunt dat probleem niet individueel aanpakken. In die groep gaat het steevast om gezinnen met werkloze ouders, met een alleenstaande moeder of met ouders van vreemde origine. Tenzij je er natuurlijk van overtuigd bent dat het eigen dikke schuld is, moet je dat beleidsmatig en dus collectief aanpakken, bijvoorbeeld door een andere manier om kindergeld uit te betalen.

PROSUMENTEN

Mensen zijn zeker ook geen passieve consumenten, zij hebben een impact op de productie, vindt Rutten. Is dat zo? Mensen zijn helemaal niet zo individualistisch. Lees er de studies van Mark Elchardus en zijn ploeg maar op na. Je zult merken dat mensen zich ook vandaag nog heel sterk gedragen volgens gelijke patronen van opstaan, werken, ontspannen (tv kijken), seks, slapen,… Zo individualistisch zijn we zeker niet. We hebben schijnbaar oneindige keuzes, maar we blijven volkomen voorspelbaar.

Maar hoe fundamenteel is die impact van het consumentisme? Het is eigenlijk nooit kritisch, het stelt nooit de productie in vraag, het gaat voor het eigen belang. Maar consumenten gedragen zich niet als burgers, ze hebben geen politieke impact, ze hebben niet de ambitie om een ander soort economie te simuleren. Om een idee te krijgen van wat consumentisme eigenlijk betekent, leest men bijvoorbeeld het recente boek van Ruud Welten, Het ware leven is elders (2013). Hij probeert een filosofie van het toerisme te ontwikkelen en toerisme staat eigenlijk bij uitstek voor consumentisme. Welnu, de toerist staat onder druk van de toeristenmoraal: thuis blijven is geen optie, je moet dit en dat gezien hebben. Wie niet op vakantie kan, is een sukkel. De toerist is als een pelgrim, die een hoger doel nastreeft. Net als de pelgrim laat de toerist het gewone leven achter zich, voor een beter leven elders. En hij gaat voorbij aan de werkelijkheid van het gewone leven op die andere plaats. Hij komt niet om de problemen van het land dat hij bezoekt te zien, hij komt om vooraf geplande ervaringen op te doen. En hij zal onvermijdelijk teleurgesteld zijn in zijn utopie. Hij ontloopt zijn grauwe kantoorbestaan, maar valt onvermijdelijk in een staat van verveling. Dat is geen zaak van individuele drijfveer, want iedereen bootst gewoon iedereen na. We consumeren in het algemeen niet om onze individuele behoeften te bevredigen, maar om (beter) te doen dan de anderen. Een reis is een product als een ander. Individueel consumeren bestaat niet. We cultiveren onze persoonlijke keus, we verheerlijken authenticiteit, maar we doen gewoon zoals een ander. En dat kan alleen maar tegenvallen.

Consumenten hebben impact op de productie, zijn potentieel ondernemers? Het consumeren heeft vooral iets bizars, ja iets pervers in zich. Het is nooit genoeg, er is geen rem. Maar het maakt niet gelukkig. Na-ijver, verveling en teleurstelling gaan er onvermijdelijk mee samen. De wereld is natuurlijk hard aan het veranderen. De netwerksamenleving waar Rutten het over heeft is zich inderdaad aan het vormen. En daar zitten onvoorstelbare kansen en uitdagingen in. Maar je zult die ook moeten organiseren, wil je niet in troosteloosheid, isolement en uitsluiting terecht komen.

DOELTREFFENDE OVERHEID

Rutten pleit ten slotte voor een eenvoudige overheid. En zij heeft overschot van gelijk. Van de overheid kan men eigenlijk dezelfde analyse maken als van het toerisme of van het economisch systeem als zodanig. Zij is gericht op eindeloze groei en gaat voorbij aan eenvoudige doelstellingen die beantwoorden aan behoeften. Een diensthoofd in een overheidsbedrijf vindt het vandaag nog dikwijls belangrijker om mensen bij te krijgen dan om de opdracht van zijn dienst uit te voeren. Hij zal desnoods wel taken uitvinden om dat te motiveren. Die overheid is daardoor vandaag te complex.

Ook nog om andere redenen trouwens. Een regering moet maar eens een eenvoudige maatregel uitvaardigen, je zult zien wat al diegenen die daar achteraf uitvoering aan geven aan complexiteit zullen toevoegen. Iedereen moet zijn bestaan rechtvaardigen, iedereen moet proberen zijn eigen accenten te leggen. Om niet altijd te verwijzen naar hetzelfde feuilleton op de Vlaamse televisie, raad ik aan om het boek van Zoé Shepard (pseudoniem voor Aurélie Brullet) te lezen: Absolument _dé-bor-dée_ (2010). Of hoe Franse ambtenaren 35 uur werken… per maand. De auteur, zelf ambtenaar, is ervoor gesanctioneerd.

Het is dus waar, maar ik denk dat de ideologie van Rutten daar niet eens vreemd aan is. Het mechanisme dat de economie aandrijft is net hetzelfde als het mechanisme dat de overheid aanstuurt. Ik denk dat de oplossing niet kan zijn om de overheid simpelweg af te slanken. Die overheid, net als de economie, moet worden omgebogen. Net zoals de economie in dienst moet staan van de mensen, moet ook de overheid dit doen.

Alleen is die evolutie naar doelmatigheid misschien wel bezig. Er is een spectaculair voorbeeld in de FOD sociale zekerheid, waar overigens ook nog altijd kritische vragen bij te stellen zijn. Maar ik denk dat veel overheidsdiensten zich aan het herpositioneren zijn. Noties als klant, efficiëntie, resultaatgericht werken… zijn geen taboe meer. Natuurlijk gaat een en ander niet altijd snel genoeg en het gaat niet altijd ver genoeg. Maar net zoals in de rest van de samenleving is van alles bezig. Ook buiten de overheid wordt op verschillende manieren geprobeerd de economie anders te organiseren. Het is verwonderlijk dat men zo weinig liberalen tegenkomt in de nieuwe coöperatieve initiatieven. Ik wil niet de indruk wekken dat de lente waar Rutten het over heeft totaal niet zou bestaan. Maar ze zal enkel vruchten opleveren als men ontsnapt aan het mechanisme dat zijn doelstelling in zichzelf heeft. Het gaat er dus ook niet simpelweg om de overheid functioneringsprincipes uit de privé op te leggen.

STOP DE RATRACE

Een van de mooiste gedachten uit het boekje staat op het einde van de epiloog: ‘Liberalen worden ook nat als het regent’ (p. 144). Gwendolyn Rutten sluit daarmee een vurig betoog af voor een nieuwe lente, die wat haar betreft een liberale lente is. Maar zij is niet te beroerd om te beseffen dat er ook in eigen rangen verzuring en verkramping bestaat. Daarvoor alleen moet men op haar oproep tot debat ingaan. Zij doet een verdienstelijke poging om de contouren van een moderne liberale ideologie te schetsen. Ook dat vraagt respect, want niet zovelen durven vandaag nog schrijven: ‘Een partij moet sterk staan in haar ideologie’ (p. 143).

En zij maakt een ideologische keuze, waar op zich niets mis mee is. Alleen ziet zij over het hoofd dat in die keuze eenrace naar de afgrond is ingebouwd. Zij heeft het onvermijdelijk over de idee van creatieve destructie, maar focust op het creatieve en verliest de destructie uit het oog. Alleen om de schade te beperken is sociale zekerheid ook vandaag nog als collectief systeem nodig. Niet dat er niets te verbeteren zou zijn. De kinderbijslag is een mooi voorbeeld. De regio’s staan voor de uitdaging om er een van de schrijnendste problemen van ons land mee aan te pakken, namelijk kinderarmoede. Moet er minder overheid zijn? Rutten wil een engagement om het overheidsbeslag onder de 50% te brengen. Misschien zou het beter zijn om alleen overheidsbeslag over te houden dat ergens voor dient en dat efficiënt is. Zelfs als dat dan oploopt tot 54% is het goed besteed, zoals dat blijkbaar in Zweden het geval is. Maar eerst moet je de overheid uit de handen van de groeilogica halen en echt richten op het bevredigen van behoeften, op het goede leven. Dat proces is bezig, ook al wordt het voortdurend bedreigd door bezuinigingsinspanningen.

LINKS-RECHTS

Waar Gwendolyn Rutten zich fundamenteel vergist is te denken dat zij met haar ideologie de links-rechts tegenstelling kan overbruggen. Zij vertolkt een jong, enthousiast liberalisme, maar een liberalisme dat rechts blijft. Rechts omdat ze het fundamentele principe van de economie, als puntje bij paaltje komt, niet in vraag stelt. Daarmee zit zij in hetzelfde kamp als de rechts-conservatieven, die volgens haar maatschappelijke verandering tegenhouden. Het is niet toevallig dat een vertegenwoordiger van dat rechtse liberalisme onlangs in de krant liet optekenen dat links de mensen dom wil houden. Dat klopt natuurlijk niet. Links gaat ervan uit dat niet iedereen er op eigen kracht geraakt en wil de solidariteit organiseren. Dat doen Bonobo’s tenslotte ook.

Het is geen excuus dat velen ter linkerzijde dat ook niet durven. Ik heb aan die kant van het spectrum altijd veel liberalen gekend. Maar toch niet iedereen. In zijn De omgekeerde wereld - hoe we uit de crisis zullen geraken (2013) schrijft Paul Magnette: ‘We moeten dus in de eerste plaats in eigen huis optreden en onze onhoudbare manier van produceren en consumeren snel veranderen. (…) Eindelijk zullen we de moed moeten opbrengen om in te gaan tegen een economie die op winst door schaarste gebaseerd is, en te evolueren naar een economie van gemeenschappelijke goederen, sociale cohesie en openbare diensten.’ (p. 138). Mij lijkt dat alvast een beter begin dan de republikeinen in de VS, die als reactie op een poging van Obama om de situatie van de middenklasse te verbeteren, blijven eisen dat alle federale reglementering op sociaal en milieugebied moet worden afgeschaft. Op die manier kunnen de bedrijven ongehinderd investeren (De Standaard, 26/07/13).

Gwendolyn Rutten herinnert er aan dat Keynes niet alleen voorstander was van overheidstussenkomsten in slechte tijden, maar ook vond dat op economisch gunstige momenten gespaard moet worden voor de toekomstige moeilijkheden. Dat is een goede les, maar er is meer. Vader en zoon Skidelsky verwijzen uitvoerig naar een essay van diezelfde Keynes uit 1930, waarin hij eindeloze groei waanzinnig noemt. De overheid moet de economie zo inrichten dat iedereen een goed leven kan leiden. Hij ging er trouwens - ten onrechte - van uit dat op korte termijn de voorkeur zou worden gegeven aan arbeidsduurvermindering in plaats van aan productiviteitsstijgingen. Keynes wilde met andere woorden geen ratrace zonder grenzen, ook al moet worden toegegeven dat hij dubbelzinnig was. Maar ergens had hij toch wel schrik van de perverse effecten als je dat goede leven tussen haakjes wil plaatsen, in afwachting dat de overvloed gerealiseerd is. De Skidelsky’s verwijzen in dit verband naar Faust, die een contract met de duivel sloot. Hij liet alle sluimerende krachten van creativiteit en destructiviteit los, in de hoop daarmee grootse dingen te doen. Het resultaat is bekend.

VOORUITGANGSOPTIMISME

Keynes was trouwens niet de eerste liberaal die zich vragen stelde bij het kapitalisme. Niemand minder dan John Stuart Mill lanceerde reeds in de 19de eeuw de idee dat het op een bepaald moment belangrijker is te kiezen voor welvaart boven economische groei. Vanaf een bepaald moment is groei in zijn ogen contraproductief. Hij ging niet mee in de idee dat er zo weinig mogelijk staat moet zijn, maar vond dat het individu weliswaar moest worden verdedigd, dat de staat daarin juist een actieve rol te spelen heeft. Vrijheid is niet louter negatief, weet je wel. Vrijheid is vooral een positief begrip: je moet de mogelijkheden hebben om je te ontplooien en de overheid moet daar mee op toezien. Al de rest is inderdaad economisch darwinisme.

Rutten pleit voor een hernieuwd vooruitgangsoptimisme. Men kan alleen maar hopen dat haar optimisme aanstekelijk is, maar vooruitgang moet ergens naar leiden. Enkele jaren geleden had Geert Noels het in een column voor Trends over ‘De Ponzi-economie’ (mei 2010). Ponzi, die Noels de belangrijkste economist van de afgelopen 100 jaar noemt, organiseerde piramidespelen. Ons economisch systeem is zo’n spel. Ik heb veertig jaar geleden iemand gekend die er zich aan gewaagd heeft. Hij verkocht afwasproducten. Het ging bijzonder goed, tot op het moment dat de piramide in elkaar stortte. Hij bleef over met een garage vol producten, die niet eens van behoorlijke kwaliteit waren.

Luc Vanneste
Redactielid Samenleving en politiek

ideologie - liberalisme - Open Vld

De geëngageerde burger.

Inleiding tot een nieuwe politieke lente

Gwendolyn Rutten
e-book, Aarschot, 2013

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 92 tot 101