Abonneer Log in

Het gevecht om de welvaartsstaat

Wim Vermeersch
22 oktober 2013

In de weekendkrant (DM, 19/10) probeert Bart Eeckhout aan te tonen dat er een verband bestaat tussen de belabberde peilingen van N-VA en sp.a. Hij zoekt de verklaring in het type leiderschap van voorzitters Bart De Wever en Bruno Tobback: mensen zijn zulke politieke zwaardvechters moe. Dat is zo. Maar een ander deelaspect van de verklaring vinden we buiten de Wetstraat, over de landsgrenzen. Overal hebben sociaaldemocraten het moeilijk. Tegelijk zien we de populariteit van een ander soort rechts-conservatief dan De Wever. Beiden zijn inderdaad verwikkeld in een gevecht: die over een nieuwe invulling van de welvaartsstaat.

Welzijn en overheidsuitgaven

De economische crisis heeft nieuwe breuklijnen blootgelegd. Een ervan is het schisma over welzijn en overheidsuitgaven. Uit ‘Transatlantic Trends 2013’, een grootschalig opinieonderzoek door TNS Opinion in de VS en elf Europese landen, komen twee tegenstrijdige tendensen naar voor: ‘in moeilijke tijden keert de publieke opinie zich resoluut tegen hoge overheidsschulden en staatsuitgaven, maar tegelijkertijd willen velen de diensten van de welvaartsstaat in hun omgeving beschermen en er nog meer in investeren.’ Mensen willen verantwoordelijkheidszin én hoop.

Sociaaldemocraten slagen er niet in op die veranderde tijdsgeest in te spelen, terwijl de politieke opponenten dit met een dubbele aanpak wel doen: vele rechts-conservatieve partijen in Europa combineren stoere retoriek over begrotingsdiscipline met een vernieuwing van hun sociale waarden. Ze hebben het electoraat er van overtuigd dat niet de markt maar de verspilzieke overheid verantwoordelijk is voor de economische crisis. Tegelijk wordt hun wantrouwen ten opzichte van die welvaartsstaat omgezet in een andere invulling ervan: niet langer de 20ste eeuwse logge overheid, maar de 21ste eeuwse dynamische samenleving is beter in staat publieke voorzieningen te verzekeren. De boodschap klinkt offensiever, ja zelfs optimistischer, en dus electoraal aantrekkelijker dan het louter verdedigen van de huidige welvaartsstaat.

‘Nieuwe’ progressieven

In Duitsland wint Angela Merkel de verkiezingen met een programma met heel wat sociale accenten, zoals het minimumloon of de ‘Mutterrente’. In Groot-Brittannië boekte David Cameron in 2010 opnieuw succes door in te breken bij het centrumelectoraat met een positief verhaal over een ‘Big society’: niet de staat maar de samenleving, uzelf, kan onze welvaartsstaat in stand houden. In Zweden blijft Fredrik Reinfeldt van de rechts-conservatieve Gematigde Partij, sinds 2006 aan de macht, weg van traditionele liberale onderwerpen. Ook hier weer die dubbele strategie: inzetten op belastingvermindering voor lage en middenklassen, en tegelijk snoeien in de werkloosheids- en ziekte-uitkeringen. Het lijken ‘nieuwe’ progressieven.

Het is echter niet het pad waar rechts-conservatief Bart De Wever vandaag voor kiest. Ook hij hengelt sinds kort met een softere, communautaire boodschap naar de middenkiezer, maar inzake de veranderde breuklijn rond welzijn en overheidsuitgaven komt hij niet verder dan een stoere retoriek inzake begrotingsdiscipline. Het tweede element waar vele rechts-conservatieven in Europa mee scoren - de vernieuwing van hun sociale waarden - laat hij onbespeeld. Bij De Wever geen spoor van het hernieuwde compassionate conservatism dat elders succesvol blijkt. Het harde snoeiwerk in Antwerpen toont wat we in zijn Vlaanderen van morgen mogen verwachten. Het gebrek aan sociale accenten lijkt, met het ontslag van N-VA’er van het eerste uur Nick Mouton, binnen de partij een issue te zijn. Maar ook naar buiten toe toont N-VA zich daarmee een minder aantrekkelijk alternatief. Het is deel van de verklaring voor de recente mindere peilingen.

‘Oude’ progressieven

Cameron, Merkel en Reinfeldt scoren echter met een misleidend discours. Hun gematigde retoriek verbergt hun voorkeur voor een kleine staat. Ze lijken op het eerste zicht minder gevaarlijk dan de hardliners die zonder gêne voor het grote geld rijden, maar vergis u niet: met schijnbaar sociale begrippen (‘Big society’, ‘de participatiesamenleving’, ‘Do it yourself’) ontmantelen ze stap voor stap de welvaartsstaat. De verwarring die ze daarmee zaaien is dodelijk voor sociaaldemocraten. Aan de oppervlakte lijkt het alsof de ideologische verschillen verdampen. De kiezers lopen over.

Ook de neergang van de sp.a valt dus internationaal te kaderen, en ligt niet enkel bij bullebak Bruno Tobback. In tijden van budgettaire krapte slagen sociaaldemocraten er minder goed in de rol van de staat te definiëren. Ze zitten gevangen tussen de steeds scherpere eisen van hun traditionele achterban en de ‘hervormingsagenda’ van deze ‘nieuwe’ progressieven.

De kiezer werd echter niet alleen op het verkeerde been gezet door de strategische shift van rechts-conservatieven, evenzeer door de keuzes van sociaaldemocraten zelf. Het failliet van links is al in verschillende toonaarden bezongen, maar in deze kunnen we niet anders dan herhalen dat sociaaldemocraten in veel landen mee aan de knoppen zaten bij het versoberen van de welvaartsstaat. Met de allerbeste bedoelingen is links verworden tot de architect van het besparingsbeleid (met de Nederlandse PvdA als pijnlijkste voorbeeld). Ze moest de bezuinigingen mee helpen verkopen, maar klonk daarbij vaak strenger dan rechts. Het maakt dat sociaaldemocraten hier en elders, inzake hun corebusiness, het gevecht verliezen.