Log in

Kantelpunt voor onze sociale zekerheid?

DE 6de STAATSHERVORMING GOEDGEKEURD

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 1 (januari), pagina 22 en 29

De zesde staatshervorming werd eind vorig jaar geruisloos goedgekeurd. Toch is deze staatshervorming historisch te noemen. Voor de eerste keer in de geschiedenis van het Belgisch federalisme werden delen van de sociale zekerheid gesplitst. Daarbij is echter ook het inzicht gegroeid dat het verder splitsen van de sociale zekerheid in de toekomst op grote hindernissen zal stuiten, niet in het minst vanwege Brussel. Daarmee staat het Belgisch federalisme op een kantelpunt: de logica volgens dewelke pacificatie enkel kan worden nagestreefd door steeds meer bevoegdheden op een exclusieve basis over te dragen naar de deelentiteiten zal in de toekomst moeten worden genuanceerd en aangevuld met een logica van samenwerking en gedeelde bevoegdheden.

DE 6DE STAATSHERVORMING GOEDGEKEURD

Kantelpunt voor onze sociale zekerheid?
Bea Cantillon
Is er nog een 7de staatshervorming nodig?
André Decoster en Willem Sas
Zorgen om gezondheidszorgbeleid
Evelyne Hens
Sociale uitdagingen bij de uitvoering
Jean-Marie De Baene

Met de splitsing van (delen van) de sociale zekerheid is de ambiguïteit van de traditionele uitgangspunten van het Belgische devolutionaire proces aangetoond en het inzicht gegroeid dat Brussel een prohibitieve factor is voor een tweeledige splitsing van de sociale zekerheid (en van het land).

AMBIGUÏTEIT

Impliciet of expliciet vertrokken de onderhandelaars van de zesde staatshervorming van vier leidende uitgangspunten: het splitsen van (delen) van de sociale zekerheid, het creëren van zgn. homogene en exclusieve bevoegdheidspakketten, het behoud van de solidariteit middels interregionale transfers en het responsabiliseren van de deelstaten. Bij het splitsen van (delen van) de sociale zekerheid is gebleken dat deze ‘rationales’ ambigu zijn, op conceptuele misverstanden en/of op praktische problemen stoten en onderling niet altijd consistent zijn.

De sociale zekerheid laat zich moeilijk splitsen

De gedachte om (delen van) de sociale zekerheid te splitsen, vindt een voedingsbodem enerzijds in de verzuchting naar meer autonomie en anderzijds in een streven naar de vermindering van de sociale transfers van Noord naar Zuid, een onvermijdelijk neveneffect van een interpersoonlijke solidariteit in een sociaaleconomisch heterogene, bipolaire federatie. Wat in het publieke discours aantrekkelijk eenvoudig leek, bleek echter in de praktijk moeilijk te realiseren. In de sociale zekerheid kan men immers niet zomaar de splitsingslogica doortrekken die gehanteerd werd bij eerdere staatshervormingen.
Sterk ontwikkelde (en dus complexe) systemen van sociale zekerheid laten zich, ten eerste, erg moeilijk ontrafelen. Om het voorbeeld van de kinderbijslag te nemen: het gaat om drie verschillende stelsels (werknemers, zelfstandigen, ambtenaren), elk op een eigen wijze gefinancierd, met eigen zeer ingewikkelde toekenningsregels en uitkeringen. Het zal daarom vele jaren duren en zeer grote administratieve inspanningen vergen vooraleer de voorziene overdrachten effectief gerealiseerd zullen zijn. Omdat volwassen systemen van interpersoonlijke solidariteit een grote mate van techniciteit in zich dragen, grote deskundigheid vereisen in de uitvoering én vooral omdat het inkomen van zeer vele gezinnen er sterk van afhankelijk is, is de splitsing onvermijdelijk een delicate en dure operatie die zeer veel investering in tijd en geld in beslag neemt.

Er is, ten tweede, het moeilijke (en voor de splitsing prohibitieve) probleem van Brussel. De sociale zekerheid is niet zomaar een verzekering. Het is een sociale verzekering: betaalbaar voor zwakke groepen omdat de sterkere groepen meer bijdragen dan ze in feite - vanuit louter verzekeringstechnisch oogpunt - zouden moeten. Daarom verdragen sociale verzekeringen geen keuzevrijheid. Verzekeraars mogen geen onderscheid maken tussen goede en slechte risico’s en verzekerden mogen niet kiezen voor het stelsel dat hen het beste uitkomt. Mochten er in Brussel een Vlaamse en een concurrerende Waalse sociale zekerheid bestaan, dan moet er dus een systeem gevonden worden om alle Brusselaars objectief toe te wijzen aan het ene of het andere stelsel. Dit vereist een vorm van subnationaliteit: Vlamingen, Franstaligen en nieuwkomers zouden zichzelf en hun kinderen dan min of meer duurzaam tot de ene of de andere gemeenschap en bijhorende sociale zekerheid moeten bekennen. Als men dit wil vermijden, is er geen andere optie dan aanvaarden dat er een apart systeem komt voor Brussel (de oplossing die uiteindelijk verkozen werd via de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en die deels ook gepreconiseerd wordt in de recente N-VA-voorstellen). In dit geval moet de architectuur van het Belgisch sociaal federalisme drieledig worden.

Niet alleen is dit in de Belgische federale architectuur een delicaat punt (drieledigheid past immers in de Waalse, maar niet in de Vlaamse federale visie), een toewijzing van sociale bevoegdheden aan de Gewesten is zeer problematisch vanwege de uitzonderlijk grote asymmetrie in risico’s en bijdragecapaciteit in Brussel: de sterke concentratie van een sociaaleconomisch zwakke populatie en dus van sociale risico’s in de hoofdstad gaat er gepaard met een grote welvaart en dus bijdragecapaciteit die echter gegenereerd wordt door Vlaamse en Waalse pendelmigratie.

Op een meer fundamenteel niveau staat de sociale zekerheid op het snijpunt van de scheiding tussen ‘persoonsgebonden gemeenschapsbevoegdheden’ en ‘economische gewestbevoegdheden’ die zo centraal staat in de vormgeving van het Belgische federalisme. Waar ouderenzorg, gezondheidszorgen en kinderbijslagen duidelijk ‘persoonsgebonden’ aangelegenheden zijn is het minder eenduidig om pensioenen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, werkloosheidsuitkeringen, loopbaanonderbrekingsuitkeringen tot de ene of de andere categorie te rekenen. Deze aangelegenheden zijn in elk geval sterk gebonden met het arbeidsrecht (bijvoorbeeld het ontslagrecht) en laten zich derhalve met name in Brussel moeilijk splitsen.

De keuze voor interpersoonlijke of interregionale solidariteit is niet neutraal

De sociale zekerheid reduceert de regionale inkomensongelijkheid met zo’n 60% en is dus een belangrijk instrument van federale homogenisering. Dit gebeurt op een transparante en soepele wijze in functie van veranderingen in de ruimtelijke spreiding van ‘sociale risico’s’ en ‘bijdragecapaciteiten’. Het ‘captieve’ uitgangspunt van de zesde staatshervorming was dat eenzelfde mate van solidariteit kan worden georganiseerd door middel van interregionale transfers via dotaties. Impliciet of expliciet ging men ervan uit dat interregionale transferten ‘transparanter’ zouden zijn dan de transferten via de sociale zekerheid.

Maar is dat wel zo?

Zoals gezegd corrigeert de interpersoonlijke herverdeling van de sociale zekerheid automatisch voor (regionale) verschuivingen in draagkracht (loonmassa) en behoeften (sociale risico’s). Zo beschouwd, organiseert de sociale zekerheid een transparante en soepele regionale herverdeling op basis van gemeenschappelijk overeengekomen ‘sociale risico’s’ en ‘bijdragebasis’. We zullen verder zien dat het inruilen van interpersoonlijke voor interregionale solidariteit niet neutraal is precies omdat in een reeds erg ingewikkeld dotatiesysteem geen rekening kan worden gehouden met de vele factoren die de (evolutie van) behoeften en de draagkracht van deelstaten bepalen.

Daarbij komt dat interregionale solidariteit in België politiek moet worden afgedwongen in een strijd tussen een zwakkere ‘zij’ en een sterkere ‘wij’. Het is onwaarschijnlijk dat de uitkomst hiervan even genereus zal zijn dan de solidariteit die gegenereerd wordt door verzekering en welbegrepen eigenbelang. Het inruilen van interpersoonlijke voor interregionale solidariteit betekent in de praktijk bijna onvermijdelijk een minder ‘brede’ solidariteit. Dit kan gepaard gaan met een diepere solidariteit, binnen de kleinere deelentiteiten. Maar dit is niet gegeven.

Homogene bevoegdheidspakketten bestaan niet

In het discours over de institutionele hervorming werd en wordt vaak verwezen naar de noodzaak om ‘homogene bevoegdheidspakketten’ te creëren. Ofschoon er goede voorbeelden zijn van inefficiënte bevoegdheidsverdelingen (de mobiliteitshulpmiddelen voor personen met een handicap die voor een deel vergoed worden door het federale RIZIV en voor een deel door de regionale fondsen, is een klassiek voorbeeld) is het in de groeiende gelaagdheid van het sociaal beleid een illusie te denken dat het mogelijk zou zijn om homogeniteit te verkrijgen: er zijn talrijke beperkingen die worden opgelegd door het ruimere internationale (vooral Europese) kader en er is de onvermijdelijk sterke vervlechting van uiteenlopende beleidsdomeinen als sociale uitkeringen, fiscaliteit, werk, onderwijs, gezin en zorg. We zullen verder zien dat ook de zesde staatshervorming weinig ‘homogeniteit’ heeft toegevoegd.

Responsabiliseren, wat is dat?

De vierde en meest recent opgedoken rationale voor de herschikking van bevoegdheden verwijst naar ‘responsabilisering’. Dit beginsel wordt echter op uiteenlopende manieren ingevuld, gaande van ‘autonomie’ (een gesplitst stelsel met eigen middelen en binnen homogene bevoegdheden is de beste garantie dat regio’s efficiënt omspringen met hun middelen) tot het ‘responsabiliseren van elke entiteit tegenover het algemeen belang van het geheel’. Voor wat de sociale zekerheid betreft kijkt de eerste invulling aan tegen de bovenvermelde hindernissen van splitsing en de moeilijkheid van volledige homogenisering van bevoegdheidspakketten. Bovendien mag autonomie noch schadelijk zijn voor het algemeen belang noch de deelentiteiten aanzetten tot een beleid dat schadelijk is voor andere deelentiteiten. Voorkomen moet worden dat bijvoorbeeld een deelstaat een doelgroepenbeleid ontwikkelt dat ertoe strekt hoogopgeleiden aan te trekken ten koste van een andere deelstaat. Paradoxalerwijze betekent dit dat hoe verder men gaat met het ‘responsabiliseren’ (in de zin van meer exclusieve autonomie) hoe groter de nood wordt aan samenwerking en coöperatie.

Dat brengt ons tot de tweede notie van ‘responsabilisering’ die van meer recente datum is. Het argument gaat als volgt: wanneer deelgebieden in het raam van hun bevoegdheidsuitoefening een reële invloed hebben op de uitgaven van de federale sociale zekerheid kan financiële medeverantwoordelijkheid en impulsen om een beleid te voeren dat het algemeen belang ten goede komt efficiëntiewinsten opleveren. Deze vorm van responsabiliseren van deelentiteiten stuit echter op de grote moeilijkheid om relevante beoordelingsmaatstaven te vinden: hoe kan de morbiditeit in een deelstaat in verband worden gebracht met al dan niet effectief preventiebeleid en in hoeverre is de werkloosheidsgraad het gevolg van actief arbeidsmarktbeleid? Het instellen van een malus bij ondermaatse regionale prestaties heeft bovendien het nadeel dat daardoor een negatieve spiraal zou kunnen ontstaan, waarbij in tijden van stijgende werkloosheid en dus van verhoogde nood aan activering de middelen zouden afnemen.

QUO VADIS SOCIALE ZEKERHEID?

Voor de sociale zekerheid is de zesde staatshervorming zonder meer historisch te noemen. De kinderbijslag en de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden worden gesplitst, een homogene overdracht van het ouderenbeleid wordt in het vooruitzicht gesteld, enkele belangrijke hefbomen van het tewerkstellingsbeleid worden overgedragen terwijl gewesten en gemeenschappen zullen binnendringen in enkele belangrijke besluitvormingsorganen van de federale sociale zekerheid. Waar zal dit toe leiden?

Van interpersoonlijke naar interregionale solidariteit, met de handrem op

De zesde staatshervorming vertrekt expliciet van de principes van nationale solidariteit en interpersoonlijke herverdeling. Deze uitgangspunten worden bewaakt door a) het federaal houden van de vervangingsinkomens welke het sterkste herverdelingspotentieel hebben en b) het federaal houden van de financiering van de over te dragen bevoegdheden (geregeld door de financieringswet).

Voor de delen van de sociale zekerheid die worden overgedragen naar de regio’s worden de middelen verdeeld via de financieringswet. Dit heeft twee belangrijke consequenties. Ten eerste, wordt de band tussen sociale uitkeringen en sociale bijdragen doorgeknipt. Voor de delen die worden overgedragen, wordt gewerkt met demografische verdeelsleutels. Ofschoon deze criteria bedoeld zijn om rekening te houden met de evolutie van de behoeften is het duidelijk dat zij dat slechts in beperkte mate zullen doen. In het geval van de middelengetoetste tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden wordt bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de evolutie van het aandeel lage inkomensgezinnen in een regio en in het geval van de kinderbijslag wordt afgezien van de evolutie van het aandeel gezinnen die rechten openen op verhoogde bedragen. Dat betekent dat indien in een bepaalde deelentiteit het aandeel lage inkomensgezinnen of langdurig werklozen zou afnemen (of toenemen), dit niet verrekend zal worden in de dotatie. Door toekomstige divergerende of convergerende sociaaleconomische ontwikkelingen zou er aldus na verloop van tijd een scheefgetrokken verdeling kunnen ontstaan van de middelen (te veel voor de ene deelentiteit en te weinig voor de andere). In algemene zin verwijst dit naar het punt dat we eerder maakten. We noemden de interpersoonlijke transfers ‘transparant en soepel’ precies omdat veranderingen in behoeften automatisch verrekend worden. De financiering via dotaties kan dit niet evenaren. Ofschoon dit financieringsvraagstuk niet los kan worden gezien van de globale evenwichten in de financieringswet, wordt met het systeem van ‘globale dotaties’ een logica binnengebracht die potentieel strijdig is met het uitgangspunt van het behoud van de interregionale solidariteit.

Omdat de middelen bovendien niet (volledig) zullen evolueren met de stijging van het BBP is er ook een belangrijke intertemporele rem ingebouwd op de interregionale solidariteit. Gelet op de kosten van de vergrijzing en de uitgavenstijgingen in het verleden mag bijvoorbeeld verwacht worden dat de groei van de dotaties die voorzien worden voor het geheel van de ouderenzorg, niet toereikend zal zijn zodat de deelstaten ofwel zullen moeten bijpassen ofwel het bestaande niveau van bescherming zullen moeten terugdringen. Dat betekent dat een mechanisme in werking wordt gesteld waardoor het Belgisch sociaal federalisme steeds meer zal evolueren naar een ‘shared cost federalism’ met een ingebouwde kostenbeheersing op het niveau van de federale overheidsuitgaven.

Responsabilisering door meer autonomie

In de vorige sectie gaven we aan dat er in het recente verleden een zekere convergentie was rond de gedachte om regio’s te responsabiliseren voor het algemeen belang door middel van financiële (des)incentieven. De zesde staatshervorming bevat echter geen elementen van responsabilisering in deze zin begrepen, noch in de sector van de gezondheidszorgen noch in de sector van het arbeidsmarktbeleid. Wellicht wordt dat minstens gedeeltelijk verklaard door de moeilijkheden waarvan hoger sprake om parameters te definiëren die zulk responsabiliseringsbeleid zouden moeten en kunnen ondersteunen. Ofschoon het instrumentarium dat eerder uitgewerkt werd om de ziekenfondsen te responsabiliseren, geschikt zou kunnen zijn om de regio’s naar behoeften te financieren, is het zowel in de gezondheidszorgen als in het arbeidsmarktbeleid inderdaad lang niet vanzelfsprekend om een heldere link te leggen tussen input en output van beleid: op vragen als ‘in hoeverre heeft een actie in de sfeer van preventie een invloed op de gezondheidsuitgaven?’ of ‘hoe groot is het netto resultaat van deze of gene vorm van activering?’ bestaat geen wetenschappelijke eensgezindheid, laat staat dat daarover een politieke consensus zou kunnen worden bereikt.

Net zoals in het verleden krijgen de gemeenschappen en gewesten de volle bestedingsautonomie over de budgetten die overgeheveld worden. Deze bestedingsvrijheid zal er voor zorgen dat de deelentiteiten de gevolgen van hun beleid zelf zullen voelen. De homogenisering van sommige bevoegdheden zal ook kunnen bijdragen tot een efficiëntere inzet van middelen. In de ouderenzorg zullen de overgehevelde middelen de deelentiteiten kunnen aanzetten tot het moderniseren van de zorgverlening, hetzelfde geldt onder meer voor het arbeidsmarktbeleid en de dienstencheques (die bijvoorbeeld meer zouden kunnen worden afgestemd op het welzijnsbeleid). Anderzijds moet ook opgemerkt worden dat de afsplitsing van de ouderenzorg van het gezondheidsbeleid hinderlijk kan zijn voor de noodzakelijke kostenbeheersing in de gezondheidszorgen. Velen zijn het er immers over eens dat de toekomstige uitdaging er vooral in bestaat de dure technologische gezondheidszorgen om te buigen naar zachtere vormen van (ouderen)zorg.

Gedeeld beslissings- en uitvoeringsfederalisme

Met de zesde staatshervorming wordt een ‘homogene’ overdracht van bevoegdheden inzake ouderenbeleid ingezet. De overheveling van de bevoegdheden inzake arbeidsmarktbeleid (inz. het doelgroepenbeleid en de controle op de werklozen), gezondheidszorgen (inz. de bepalingen inzake de erkenningsnormen van de ziekenhuizen) en kinderbijslag (inz. de overheveling van de verhoogde schalen die gebonden zijn aan het sociaal statuut van de rechthebbende) zorgen echter voor een (verdere) verstrengeling van bevoegdheden inzake sociale zekerheid. Dit zal ten eerste meer samenwerking en coördinatie vergen (bijvoorbeeld over de intensiteit van de begeleiding van werklozen of over de programmatie van de ziekenhuizen); indien succesvol zou dit moeten leiden tot een vorm van ‘joint decision federalism’ waarin de federale overheid en sociale partners samen met gemeenschappen en gewesten vorm zullen geven aan het socialezekerheidsbeleid.

Zo zal, rekening houdende met de nieuwe bijkomende bevoegdheden van de Gewesten, de beheersstructuur van de RVA worden aangepast om een vlotte samenwerking tussen de RVA en de Gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling te garanderen. Daartoe zal elk Gewest deelnemen aan de vergaderingen van het beheerscomité van de RVA via een vertegenwoordiger van de Gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling. Voor de gezondheidszorgen wordt er een permanente en inter-federale ontmoetingsplaats ingesteld voor het overleg tussen de voor gezondheid bevoegde ministers, en zal tot taak hebben een gemeenschappelijke enresponsabilisering door samenwerking’. In de overgangsfase zal ook het bestuur van de Rijksdienst voor Kinderbijslagen voor Werknemers aangevuld worden met vertegenwoordigers van de Gemeenschappen en van de GGC. Telkens zien we hier dat Gemeenschappen en Gewesten als partners in de federale sociale zekerheid binnendringen (weliswaar enkel met adviesbevoegdheid). Dit kan de betrokkenheid van de deelentiteiten tot de federale sociale zekerheid verhogen.

De deelentiteiten zullen bovendien voor de uitvoering van hun beleid minstens tijdelijk afhankelijk zijn van de federale uitvoeringsorganisaties. Dat leidt tot een ‘gedeeld uitvoeringsfederalisme’. RSZ, RVA en het RIZIV blijven de enige administratieve en technische operatoren. In de overgangsfase (die gegeven de complexiteit van de operatie lang zal duren) zullen de gemeenschappen en de GGC ook afhankelijk blijven van de federale controle- en uitvoeringsorganisaties die de kinderbijslag uitbetalen. Voor wat betreft de verhoogde schalen zullen zij blijvend beroep moeten doen op de gegevensfluxen van de federale sociale zekerheid (Kruispuntbank). Deze administratieve verstrengeling kan, indien succesvol, leiden tot een versterkt gemeenschappelijk belang en dito legitimiteit bij alle entiteiten die zullen instaan voor het waarborgen van de sociale grondrechten aan de burgers.

Een drieledig sociaal federalisme met twee verschillende werkingsbeginselen

In tegenstelling tot de nationale sociale zekerheid - waar het werklandbeginsel (verzekerden openen rechten op de plaats waar ze werken) geldt - zullen de gedefederaliseerde delen noodzakelijkerwijze het woonplaatsbeginsel (sociale rechten ontstaan op de plaats waar men woont) hanteren. Waar er sterke verstrengeling is met de federale sociale zekerheid (zoals bijvoorbeeld de kinderbijslag waar de verhoogde schalen gekoppeld zijn aan het - werkgebonden - sociale statuut of zoals het doelgroepenbeleid) zullen coördinatieregels moeten worden uitgewerkt. Vanzelfsprekend zal ook rekening moeten worden gehouden met de Europese regels betreffende migrerende werknemers. Omdat de federale regering deze knoop niet heeft doorgehakt, zullen de deelstaten samen moeten bepalen of deze regels ook intern zullen worden toegepast (wat vandaag niet het geval is in de Vlaamse zorgverzekering). Ook hier verlegt de zesde staatshervorming de grens van het louter splitsen van ‘exclusieve bevoegdheden’ naar het zoeken naar samenwerkingsfederalisme en gedeelde bevoegdheden.

BESLUIT

Voor de sociale zekerheid is de zesde staatshervorming zonder meer historisch. Voor het eerst in haar lange geschiedenis worden delen afgesplitst. De interpersoonlijke solidariteit wordt voor een deel omgeruild door een (op termijn wellicht minder brede) interregionale solidariteit. Er komt een homogene overdracht van de kinderbijslagen en van het ouderenbeleid, maar tegelijkertijd is op vele plaatsen sprake van een verdere verstrengeling van bevoegdheden. Enkele belangrijke hefbomen van het tewerkstellingsbeleid worden overgedragen met het oog op het responsabiliseren van de deelstaten, maar er zijn geen directe (des)incentieven om gemeenschappen en gewesten aan te zetten tot een beleid dat gunstig is voor ‘het algemeen belang’. Gewesten en gemeenschappen zullen binnendringen in enkele besluitvormingsorganen van de federale sociale zekerheid, vele coördinatieplatforms worden in het vooruitzicht gesteld ter versterking van de samenwerking in een landschap dat ongetwijfeld veel complexer zal worden terwijl de deelentiteiten deels en tenminste tijdelijk afhankelijk zullen zijn van federale controle- en uitvoeringsorganisaties.

Maar niet alleen voor de sociale zekerheid is de zesde staatshervorming historisch. Ze is dat ook voor het devolutionaire pad dat ons land totnogtoe heeft gevolgd. Dat proces werd gestuurd door drie leidende beginselen: het splitsen van exclusieve bevoegdheden (persoonsgebonden aangelegenheden naar de gemeenschappen en economische aangelegenheden naar de gewesten), het streven naar homogene bevoegdheids-paketten en het responsabiliseren van deelstaten door meer autonomie. Bij deze voorlopig laatste staatshervorming, nu de devolutie van bevoegdheden noodzakelijkerwijze bij de sociale zekerheid is beland, is men gestoten op de ambiguïteit van deze captieve uitgangspunten:
1. De sociale zekerheid laat zich moeilijk (verder) splitsen (vooral, maar niet uitsluitend, omdat Brussel een prohibitieve factor is voor een tweeledige splitsing van de sociale zekerheid en, bij uitbreiding, van het land);
2. De sociale zekerheid staat op het snijpunt van de scheiding tussen ‘persoonsgebonden’ en ‘economische’ aangelegenheden;
3. Homogeniteit bestaat niet vanwege de talrijke beperkingen opgelegd door het ruimere internationale kader en de onvermijdelijke vervlechting van uiteenlopende beleidsdomeinen als sociale zekerheid, openbare schuld, fiscaliteit, werk, onderwijs, gezin en zorg;
4. Responsabiliseren door middel van meer autonomie moet in balans worden gebracht met het algemene belang van de federatie: dit veronderstelt andere vormen van responsabilisering;
5. De keuze voor interpersoonlijke of interregionale solidariteit is niet neutraal.

Er is - zo heeft de zesde staatshervorming geleerd - geen andere optie dan samenwerking. Middels mechanismen van gedeelde beslissingen, uitvoering en financiering werden daartoe ook de eerste kiemen gelegd. De volgende staatshervormingen zullen in deze lijn moeten verder bouwen aan een volwassen en duurzaam sociaal federalisme vertrekkend van andere, nieuwe en meer genuanceerde uitgangspunten dan in het verleden. Een noodzakelijke historische wending.

Bea Cantillon
Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, Universiteit Antwerpen

staatshervorming - sociale zekerheid - solidariteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 1 (januari), pagina 22 en 29