Log in

'Gratis geld voor iedereen'

Uitgelezen

Gratis geld voor iedereen

Rutger Bregman
De Correspondent BV, Amsterdam, 2014

Met Gratis geld voor iedereen is de Nederlandse historicus Rutger Bregman niet aan zijn proefstuk toe. Ondanks zijn jeugdige leeftijd (26) schreef hij eerder Met de kennis van toen (2012) en vorig jaar verscheen van zijn hand De geschiedenis van de vooruitgang, dat voordien als Masterscriptie afgewezen werd aan de Universiteit van Utrecht. Dat laatste typeert meteen Bregmans branie: in plaats van in te binden en de scriptie te herwerken, zette hij een punt achter zijn studies en slaagde hij erin diezelfde scriptie tot een populair boek om te vormen. Inmiddels is hij één van de meest gelezen pennen op de Nederlandse nieuwssite de Correspondent, en een graag geziene gast in kranten en televisie.

Gratis geld voor iedereen is een bundeling van zes ideeën die volgens Bregman kunnen fungeren als nieuwe utopieën - voor links én rechts. Bregmans uitgangspunt is immers dat we het vandaag beter hebben dan ooit te voren - we leven letterlijk in luilekkerland - en daardoor hebben we, zoals Fukuyama reeds drie decennia geleden verkondigde, het einde van ideologie en vooruitgang bereikt. En dat is spijtig, vindt Bregman. Want ook al is de 21ste eeuw een luilekkerland, als we willen blijven vooruitgaan, zullen we nieuwe utopieën nodig hebben om ons tot verdere progressie te brengen. De ideeën die in de verschillende hoofdstukken uiteen gezet worden (zelf noemt Bregman ze utopieën) kunnen daar, volgens hem, toe dienen.

Als het op de kracht van ideeën aankomt, behoort Bregman duidelijk tot de TED-generatie: het naïeve (maar niet onschuldige) geloof dat ideeën een autonome kracht van verandering vormen, is onwrikbaar. Dat geldt niet alleen voor het geloof in de mogelijkheden die Bregmans voorgestelde utopieën bieden, maar evenzeer voor zijn interpretatie van het verleden. Zo is het volgens Bregman de schijnbaar toevallige uitvinding van de vaatwasmachine die de 20steeeuwse emancipatie van de vrouw veroorzaakte, zijn het de ideeën van de Verlichting die de moderne wetenschap voortbrachten, lag een geniaal idee van James Watt aan de basis van de Industriële Revolutie, en valt het succes van het liberalisme na WO II enkel te wijten aan de vrijemarktutopieën van Hayek en Friedman. Voor een kijk op historische verandering die meer fundamentele factoren, zoals machtsrelaties of sociaaleconomische structuren, aan bod laat komen, moet je niet bij Bregman zijn. Ook wie de geschiedenis niet ziet als een lineair verhaal van vooruitgang met het heden als onvermijdelijke uitkomst, zal wellicht meermaals grote ogen trekken bij het uitgangspunt van Gratis geld voor iedereen.

De essentie van het boek bestaat echter uit de utopische ideeën die Bregman zelf voor te stellen heeft. Daarbij toont hij zich een meester van de synthese, die op een vlotte en meeslepende manier enkele concrete aanbevelingen voor de toekomst weet uit te spitten. Concreet gaat het om het basisinkomen, een werkweek van 15 uur, het uitroeien van armoede door het geven van geld, het zoeken van een alternatieve maatstaf voor economische groei, en een wereld met ‘open grenzen’ voor migratie. Bregman steunt daarbij op een handvol bestsellers uit de recente pop-science van de sociale wetenschappen - onder andere Wilkinson & Pickett (The Spirit Level), Duflo & Banerjee (Poor Economics), Mullainathan & Shafir (Scarcity) en Gregory Clark (A Farewell to Alms) passeren meermaals de revue - maar hij vult ze tevens aan met de grote klassiekers uit de sociale wetenschappen.

Daarbij loert de oppervlakkigheid wel eens om de hoek, zeker wanneer Bregman gaat schermen met uit de context gehaalde citaten (zo wordt het satirische en ambiguë karakter van Thomas More en Bernard Mandeville gemakshalve over het hoofd gezien, terwijl het anti-utilitarisme van Thorstein Veblen, en Karl Polanyi’s kritiek op de armenwetten in 19deeeuws Engeland verkeerd begrepen worden). Maar wie een boeiend pamflet als dat van Bregman, met een dergelijk brede reikwijdte, voorgeschoteld krijgt, hoeft over de details niet te zeuren.

Bovendien zijn verschillende van de aanbevelingen in Gratis geld voor iedereen zonder meer interessant. Ook wie het met de conclusies niet altijd eens is, zal interessante pistes bespeuren in de lans die Bregman breekt voor het basisinkomen en de kortere werkweek.

Rest ons nog de vraag welke visie er schuil gaat achter Bregmans overvloedige branie, vlotte schrijfkunst en utopische ijver. Zelf drukt de auteur ons op het hart het woord utopie niet al te revolutionair te interpreteren, en zeker niet in het genre van de ‘afschuwelijke utopieën uit het verleden (fascisme, communisme, nazisme).’ Neen, voor Bregman is een utopie niet meer dan ‘het geloof in vooruitgang.’ Waar al dat vooruit gemarcheer precies heen moet (en wie voorop mag lopen) blijft doorheen het boek onbeantwoord. ‘Cui bono?’ (wie vaart er wel bij?) is de vraag die opvallend afwezig blijft in dit relaas. Het duurt tot halverwege het boek (p. 102) vooraleer Eldar Shafir er (in een interview met Bregman) op wijst dat ‘gratis geld voor iedereen’ niet volstaat - immers: ‘het gaat ook om de verdeling.’ Zonder daarop een repliek te formuleren, concludeert Bregman amper twee pagina’s verder alweer dat armoede niets meer is dan ‘een fundamenteel geldgebrek.’ Een gemiste kans om de zwaktes in zijn betoog te ondervangen.

In de inleiding zet Bregman zich scherp af tegen het inspiratieloze gemorrel in de marge dat onze post-ideologische politiek zonder utopieën vandaag karakteriseert. Maar komen zijn eigen ideeën wel veel verder dan dat gemorrel? Het is immers opvallend dat Bregmans utopieën ondersteund worden door een politieke logica die perfect in de hedendaagse (rechtse) tunnelvisie past. Het basisinkomen is het nastreven waard omdat het een einde zal brengen aan de ‘overheidsbetutteling’ en een financiële besparing vormt ten opzichte van de complexe sociale welvaartsstaat van vandaag (en een publieke subsidiëring van lagelonen-arbeid, volgens critici, maar daarover geen woord in dit boek). Ook het invoeren van een kortere werkweek wordt door Bregman gelegitimeerd met behulp van een efficiëntie- en besparingslogica. En het uitdelen van gratis geld als middel om wereldwijde armoede op te lossen, zou volgens Bregman in de eerste plaats een besparing betekenen ten opzichte van de dure en inefficiënte ontwikkelingshulp vandaag.

De utopieën van Rutger Bregman zijn dan ook in de eerste plaats creatieve oplossingen voor problemen die zich (vooral) stellen wanneer men vasthoudt aan de mantra’s van het huidige dominante denken: de weldaad van kapitalistische economische groei, de wenselijkheid van onstuitbare technologische ontwikkeling en de idee dat iedereen ten lange leste bij beide wel zal varen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 92 en 94