Abonneer Log in

IPA: waarom het ABVV 'NEE' zei

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 2 (februari), pagina 47 tot 48 en pagina 57 tot 61

Na enkele weken van bittere onderhandelingen gingen het ACV en ACLVB op 30 januari in op een voorstel tot interprofessioneel akkoord (IPA). Het ABVV verwierp het akkoord als basis om de onderhandelingen verder te zetten. Het ABVV kreeg in de pers de zwarte piet toegespeeld zonder een analyse van de motieven van het ABVV of van het akkoord zelf. Dit artikel schetst hoe de interprofessionele onderhandelingen met betrekking tot de lonen verliepen. De focus van dit stuk ligt bij de loonvorming. Niet omdat andere onderdelen van de interprofessionele onderhandelingen van minder belang zijn, maar omdat een globaal en unaniem akkoord uiteindelijk strandde op de loonvorming.

De herfst van 2014 zal niet de geschiedenis ingaan als de kalmste ooit op sociaal vlak. Als reactie op de besparingstrein die over België en haar deelstaten donderde, mobiliseerden de vakbonden massaal. Niet enkel de vakbonden. Burgerinitiatieven als ‘Hart boven Hard’ probeerden de Thatcheriaanse geest van ‘There is no alternative’ terug in de fles te krijgen. Mensen die voordien nooit aan een actie of manifestatie hadden deelgenomen, gingen voor het eerst de straat op, te voet of met de fiets.

Het gemeenschappelijk vakbondsfront trok ten aanzien van de regering een duidelijke lijn. Alle bonden zouden niet plooien totdat de regering garanties zou geven omtrent: een vrijwaring en versterking van de koopkracht, een sterke federale sociale zekerheid, een investering in duurzame relance en werkgelegenheid en tot slot meer fiscale rechtvaardigheid.1 Om de koopkracht te versterken zou worden ingezet op de bescherming van de index én de vrijheid van onderhandelen. Daarvoor zouden ze desnoods tot aan de finish gaan.

Back to reality. Het ACV en ACLVB besloten op 30 januari het compromis tot interprofessioneel akkoord te aanvaarden. Inclusief een indexsprong. Het ABVV sprong niet mee op de kar. De rekening van het ABVV werd in de pers snel gemaakt. De krantenkoppen spraken voor zich: ‘De vakbond die altijd NEE zegt’. ‘Het ABVV blijft alleen achter’. ‘De radicaalste en meest geïsoleerde der bonden’. De meeste van die titels zijn de socialistische vakbond niet onbekend, maar voelen daarom niet minder onrechtvaardig aan. Het ABVV was immers akkoord met twee van de drie luiken van de onderhandelingen: de welvaartsvastheid van de uitkeringen en de kaderakkoorden rond SWT (brugpensioenen) en tijdskrediet. Het ABVV was akkoord om deze twee onderdelen te ondertekenen. De overige sociale partners kwamen echter tot het akkoord om het lot van alle dossiers met elkaar te verbinden, waardoor de vakbonden op vlak van de lonen plots gegijzeld werden: een indexsprong en een minimale loonmarge slikken in ruil voor de andere sociale akkoorden. Dit ging te ver.

HET IPA-KADER: DE WET VAN ‘96

Om de beslissing van het ABVV te verklaren, is het nuttig om het sociaal overleg in België te kaderen. Boven het sociaal overleg in de sectoren zit een ‘hoedje’, het interprofessioneel overleg. Het sectorale overleg is het niveau met het belangrijkste gewicht. Echter, het interprofessioneel niveau is de spil waarrond het sectoraal overleg draait. Er worden onderwerpen aangesneden die op sectoraal niveau niet worden bediscussieerd. Je kan het beschouwen als een kruispunt voor sociale en economische beslissingen. Naast de loonvorming worden meestal ook afspraken gemaakt rond arbeidsorganisatie, innovatie, vorming, minimumlonen en andere sociale kwesties. De loonvorming blijft centraal staan in het interprofessioneel overleg en de sectoren hechten er veel belang aan omdat ze er vaak steun vinden in hun sectorale eisen.

Sociale onderhandelingen gebeuren op basis van duidelijke cijfers, noem het parameters. Binnen een bedrijf of sector worden aan de onderhandelingstafel parameters gebruikt zoals de verwachte inflatie, de bedrijfswinsten of de productiviteit. Zo wordt geprobeerd om tot een evenwichtig akkoord te komen rond loonsverhogingen of verbeteringen van de arbeidsorganisatie. Op interprofessioneel niveau is dit niet anders.

Tijdens de tweejaarlijkse interprofessionele onderhandelingen is het uiteindelijke doel het onderhandelen van een loonmarge die de sectoren mogen toekennen bovenop de automatische indexering. Het is dat stukje loonsverhoging dat gegeven mag worden, bovenop de indexaanpassing. Het overleg rond de loonmarge is wettelijk geregeld door de wet van ’96. Deze wet geeft aan welke parameters op interprofessioneel niveau gebruikt worden bij de onderhandelingen. Cruciaal hierbij is de evolutie van de lonen in de buurlanden (Frankrijk, Nederland en Duitsland). Niet toevallig zijn dit ook onze belangrijkste handelspartners.

De loonevolutie wordt op twee manieren bekeken. Allereerst wordt nagegaan in welke mate de Belgische lonen sinds 1996 geëvolueerd zijn.

Deze worden vergeleken met dezelfde evolutie in de buurlanden. Dit is de ‘loonkloof’: het loonkostenverschil tussen België en haar buurlanden. Daarnaast wordt ingeschat in welke mate de lonen in de buurlanden de komende twee jaar zullen stijgen. De wet van’96 bepaalt dat onze lonen niet sneller mogen stijgen dan in onze buurlanden. Zo zou worden vermeden dat België concurrentiekracht verliest ten opzichte van haar belangrijkste ‘concurrenten’. De inschattingen voor de loonevolutie in deze landen moeten - zo bepaald in de wet van ’96 - worden aangeleverd in het Technisch Verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) die op haar beurt de cijfers krijgt van de OESO in Parijs. Geen amateurs dus.

DE POLITIEKE CONTEXT

Tot zover het wettelijk kader. Niet enkel de wet van ’96 zorgt voor een afbakening van het speelveld van de sociale partners. De politieke context waarin het sociaal overleg plaatsvindt, is minstens zo bepalend voor haar uitkomst. Uit het regeerakkoord van oktober 2014 bleek dat de regering-Michel de sociale partners niet zomaar zou laten onderhandelen over lonen. Zo zegt het regeerakkoord: ‘De regering verbindt zich ertoe om minstens de loonhandicap met de buurlanden die sinds 1996 wordt waargenomen vóór het einde van de legislatuur weg te werken. Dit wordt in 2015 en 2016 onder meer concreet mogelijk door: een indexsprong in 2015, de lastenverlaging vervat in het competitiviteitspact te vervroegen en een verdere periode van loonmatiging in 2015-2016 (of tot zolang de competitiviteit niet hersteld is).’

|

Box 1. Het regeerakkoord: een menu aan maatregelen ten voordele van de werkgevers

De werkgevers ontvangen van de regering-Michel op 1 januari 2016 een verlaging van de werkgeversbijdragen van 600 miljoen euro. Dit komt neer op een verlaging van de loonkost met 0,4% in de privésector. Daarbovenop wordt een ‘vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing’ eindelijk officieel in rekening genomen als een verlaging van de loonkost. Het is namelijk zo dat ondernemingen niet alle bedrijfsvoorheffing die zij van uw loon afhouden, verplicht moeten doorstorten. De overheid staat hen toe om een deeltje voor zichzelf te houden. Tot voor kort had deze maatregel, die natuurlijk een verlaging van de loonkost is, geen enkele weerslag in de nationale boekhouding als zijnde een verlaging van de loonkost. De regering besliste dat dit wél zo moet zijn. Deze ‘boekhoudkundige maatregel’ - waarmee de werkgevers het trouwens eens zijn - komt neer op een verlaging van de loonkost met 0,64%. Tel deze twee maatregelen bij elkaar op en je komt aan een verlaging van de loonkost in periode 2015-2016 van 1,04%.

|

Op 15 januari 2015 maakte de regering afspraken rond de doelstellingen van het sociaal overleg en de timing. Opmerkelijk is dat de regering het speelveld opnieuw verbreedde. In het akkoord is te lezen: ‘Op basis van het rapport van de CRB en in overeenstemming met de wet van ’96 bepalen de sociale partners op een autonome wijze de loonmarge en dit rekening houdend met de doelstelling de loonhandicap op korte termijn weg te werken.’ De regering liet hiermee ruimte aan de onderhandelaars om zelf de modaliteiten te bepalen om de doelstelling van de regering - het wegwerken van de loonhandicap - te bereiken.

LOONOVERLEG 2015-2016

Nu naar de feiten en de cijfers. Op 22 december 2014 publiceerde de CRB haar Technisch Verslag.2 Wat onmiddellijk duidelijk werd, was dat het loonverschil met de buurlanden eind 2014 naar 2,9% was gezakt, het laagste cijfer in jaren. Wat betekent dit concreet? Sinds 1996, dus over een periode van achttien jaar, zijn onze lonen 2,9% sneller gestegen dan in onze buurlanden. Oftewel 0,16% per jaar. Niet bijster veel dus. Zeker als je in het achterhoofd houdt dat dit vooral te wijten is aan de loonmatiging in Duitsland sinds 2005. De Belgische loonevolutie ligt sinds ’96 in lijn met Frankrijk en Nederland.

Zoals eerder aangehaald, kijkt de CRB niet enkel naar het verleden. Onze lonen moeten in lijn blijven met de buurlanden, dus worden ook voorspellingen gedaan over de toekomst. In dit opzicht speelt de CRB een beetje God, maar haar voorspellingen zijn in het verleden redelijk accuraat gebleken. Uit het Technisch Verslag 2014 bleek dat de lonen in Frankrijk, Duitsland en Nederland in de privésector gemiddeld 3,7% zouden stijgen over de periode 2015-2016.

Om het lijstje van parameters compleet te maken, was het cruciaal om te weten hoe de lonen ten gevolge van de automatische indexering in België de komende twee jaar zouden stijgen. Hier werd de inschatting gemaakt dat de gezondheidsindex (en dus de lonen) in de periode 2015-2016 slechts met 1,5%3 zou stijgen ten gevolge de lage inflatie. Dus, indien de indexsprong niet zou worden toegepast, dan zouden de lonen in België met 1,5% stijgen.

|

Box 2. De loonkloof: meten vanaf ’96 of het absolute verschil nemen?

De werkgevers zijn er steeds als de kippen bij om de loonkloof die de CRB publiceert te relativeren. Ook nu werd de loonkloof van 2,9% als ‘irrelevant’ bestempeld. De CRB bekijkt 1996 als een ‘uur nul’ en brengt de evolutie van de lonen sinds 1996 in rekening. Volgens de werkgevers wordt het historisch perspectief vergeten en moet de vergelijking gemaakt worden op basis van de ‘absolute’ loonkost. Die stelling valt economisch echter moeilijk te onderbouwen.

Het klopt dat er historische loonverschillen zijn, maar deze mee in rekening nemen is niet correct. De belangrijkste reden is dat economieën op vlak van absolute loonkost niet hetzelfde startpunt kennen. Zo zijn de lonen in Oost-Duitsland nog steeds lager dan de rest van Duitsland en trekken zo het Duitse gemiddelde naar beneden. Moeten de Belgische lonen anno 2015 afgestemd worden op deze lagere historische lonen? Nee, beter is om te kijken hoe de lonen vanaf een bepaald tijdstip evolueren en ze te vergelijken. Om daarna mogelijk aanpassingen door te voeren. Daarom is de wet van ’96 zo opgesteld. Ten tweede heeft de Belgische economie een erg hoge productiviteit in vergelijking met de buurlanden. De hoge productiviteit zorgt voor hogere lonen. Door de absolute lonen als vergelijkingspunt te nemen, wordt dit productiviteitsverschil genegeerd.

|

DE ONZINNIGE INDEXSPRONG

In een interprofessioneel akkoord rond de lonen levert de CRB de puzzelstukken, het is aan de sociale partners zelf om ze in elkaar te passen. Toen de cijfers van de CRB bekend geraakten, bleek al snel dat een simpele rekensom een opzienbarende conclusie opleverde. We maakten de rekensom in de veronderstelling dat er géén indexsprong wordt doorgevoerd. Zoals eerder aangegeven zullen de lonen in de buurlanden de komende twee jaar stijgen met 3,7%. Wanneer we ervan uitgaan dat de index in België voor een loonaanpassing zorgt van 1,5% in dezelfde periode dan blijft er een ‘loonmarge’ over van 2,2%.

Echter, het regeerakkoord vraagt ons om als sociale partners het engagement aan te gaan om het loonverschil met de buurlanden volledig weg te werken. Als ABVV wilden we ons hiertoe verbinden, niet om dit over één legislatuur te doen, maar nog sneller, namelijk over één IPA-periode, dus twee jaar. Als je de marge (2,1%) vermindert met het huidige loonverschil met de buurlanden (2,9%), maar daarbij alle voordelen telt die de werkgevers zullen ontvangen (zie Box 1: 1,04%) dan kom je uiteindelijk aan een marge van 0,3 à 0,4% bovenop de index. Voor wie dit te snel gaat, is de rekening als volgt:

Moraal van het verhaal: de indexsprong blijkt helemaal niet nodig om het loonverschil met onze buurlanden in één klap weg te werken. Het behoud van de index én daarnaast een loonmarge was (en is) perfect mogelijk. Het is met deze instelling en met deze cijfers dat het ABVV naar de onderhandelingstafel trok. Als vakbond waren wij bereid om een stap te zetten in de richting van de regering door het engagement aan te gaan om in één legislatuur het loonverschil met de buurlanden volledig weg te werken. Dit is een ongeziene correctie in de geschiedenis van de wet van ’96 en dit was een grote toegeving vanuit syndicale zijde.

Op het Federaal Comité van het ABVV van 13 januari 2014 werd dan ook - in lijn met de verklaringen van het gemeenschappelijk vakbondsfront - een mandaat aan de onderhandelaars gegeven om een interprofessioneel akkoord te sluiten waarbij 1) een indexsprong zou worden vermeden 2) de vrijheid van onderhandelen zou worden gegarandeerd door een indicatieve loonmarge toe te kennen.

DE UITKOMST

De onderhandelingen bleken uit te monden in een welles-nietesspel. De werkgevers contesteerden de cijfers van de CRB (zie Box 2) en hielden vast aan de indexsprong. Zij bleven halsstarrig de indexsprong als beslist beleid beschouwen. Deze benadering was echter in tegenspraak met het akkoord dat de sociale partners op 15 januari met de federale regering gesloten hadden. In dat akkoord kregen de sociale partners alle autonomie en was er van een indexsprong geen sprake meer.

De werkgevers kregen echter op een cruciaal ogenblik in de onderhandelingen de wind in de rug. Minister Kris Peeters verklaarde in het parlement dat de teksten omtrent een indexsprong in zijn schuif klaarlagen. Ze zouden snel na de onderhandelingen bovengehaald kunnen worden. Is dit autonoom onderhandelen? Neen, opnieuw werden de werkgevers in een pluchen zetel gezet. Een schande.

Op de vooravond van de deadline deden de werkgevers een ultiem voorstel. Van een indexsprong kon niet worden afgeweken. In ruil zouden ze een enveloppe van maximaal 0,5% van de loonmassa (wat neerkomt op 0,375% brutoloon) en netto 0,3% toestaan. Het ACV en ACLVB hapten toe, het ABVV niet.

WAAROM ‘NEE’

Wie voorgaande grondig gelezen heeft, kan deze vraag zelf beantwoorden. Hoewel alle cijfers aantonen dat een indexsprong niet nodig is om de loonkloof te dichten én we als bond een toegeving deden om de loonkloof in één klap weg te werken, wilden de werkgevers geen millimeter van hun positie opschuiven. Het ‘ultieme voorstel’ van de werkgevers compenseerde op geen enkele manier de indexsprong die iedereen 2% doet verliezen. Waarom zouden wij een koopkrachtverlies van 1,3% aanvaarden terwijl dit niet gerechtvaardigd is door de wet die het loonoverleg omkadert?

Wie het akkoord van naderbij bekijkt, kan enkel tot de conclusie komen dat de sociale partners die in dit verhaal meegaan een kat in een zak hebben gekocht. De 0,5% waarmee geschermd wordt, houdt geen enkele verplichting tot loonsverhoging in. De werkgever kan dit bedrag besteden zoals hij wil. Hij kan bijvoorbeeld opleidings- of vervoerskosten onder deze noemer onderbrengen. Jawel, u leest het goed: door dit akkoord zal u vanaf 2016 zonder dat u het zelf beseft uw eigen opleiding of treinticket moeten bekostigen. ‘Handige jongens die Romeinen’, zou Obelix zich in het haar krabben. Nergens wordt de werkgever tot een effectieve loonsverhoging verplicht. Bovendien is deze 0,5% een maximum. Sectoren en bedrijven die een zwakke syndicale vertegenwoordiging kennen, zullen van een erg kale reis thuiskomen. En dat terwijl de index voor de werknemers in deze sectoren een minimale bescherming vormde tegen de erosie van hun inkomen.

En de netto 0,3% dan? Wel, de nettovoordelen die in het akkoord voorzien zijn, moeten worden toegekend in de vorm van een verhoging van de maaltijdcheques of een verhoging van het plafond voor niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen.4 Wist u dat 40% van de Belgische werknemers géén maaltijdcheques krijgt? Geen nettoverhoging voor hen dus. Van de resultaatsgebonden voordelen bent u nog minder zeker. In het geval dat uw bedrijf hierover al een cao heeft afgesloten, geldt dit mogelijk (en waarschijnlijk) enkel voor een bepaalde categorie werknemers. En dan nog… hangt dit af van de resultaten van uw bedrijf.

En die indexsprong? Die werd aanvaard zonder enige garanties. In totaal krijgen de bedrijven 2,6 miljard euro cadeau. Dat zijn geen borrelnootjes. Minimaal had je kunnen verwachten dat hier garanties tegenover zouden staan qua tewerkstelling, maar zelfs dat vinden we in het akkoord niet terug. Eerdere indexsprongen werden in het verleden gebruikt om de sociale zekerheid te financieren, nu wordt de hele handel aan de werkgevers à la Euromillions uitgekeerd. De indexsprong kost ook nog eens een pak aan de overheden, tot 650 miljoen euro volgens het Rekenhof. Wie zal dat betalen? U en ik in de vorm van één of andere besparing. Twee keer verlies.

Er wordt niet vastgehouden aan de indexsprong omwille van een objectieve economische analyse, maar omwille van starre ideologische redenen. Voor het ABVV is de index een kwestie van solidariteit tussen actieven en niet-actieven, tussen jong en oud, tussen sterke en zwakke economische sectoren, tussen het publieke en private deel van onze economie. Een indexsprong kan je niet compenseren door een hogere loonmarge. Dit zijn geen communicerende vaten.

EGOÏSME?

Sommigen betichten het ABVV van egoïsme. Om enkele luttele procentjes binnen te kunnen halen, zou die ‘blokkeringsvakbond’ het sociaal overleg kelderen. Een erg bizarre voorstelling van de realiteit. Kapitaal in de 21ste eeuw van Thomas Piketty staat blijkbaar in menig (syndicale) boekenkast stof te vergaren. Als het al gelezen is tenminste. Dat boek leert ons dat de ongelijkheid groeit. Dat het aandeel van de lonen in de nationale rijkdom een cruciale factor is om ongelijkheid tegen te gaan. Wanneer de lonen niet meer groeien, dan neemt kapitaal haar plaats in en groeit de macht van de grote vermogens. In tal van Europese landen is dit de afgelopen decennia gebeurt. België hield stand, maar de komende twee jaar zullen we, als dit akkoord wordt uitgevoerd, misschien definitief de rol moeten lossen.

Is het daarom verwonderlijk dat het ABVV zich niet kon vinden in het akkoord? Wij onderhandelen geen akkoorden die de mensen welvaart kost. Neen, dit soort van akkoorden is gebouwd op een ideologie die geen oren heeft naar het feit dat vorig jaar 130.000 Belgen moesten aankloppen bij de voedselbanken omdat ze de middelen niet hebben om eten te kopen. Met dit akkoord gaat niemand er in onze maatschappij op vooruit. Er is een verschil: wie zwak is, of slecht vertegenwoordigd komt er nog berooider van af.

Daarom zei het ABVV ‘NEE’.

Lars Vande Keybus
Economische adviseur Federaal ABVV

Noot
1/ Citaat uit het persbericht van het gemeenschappelijk vakbondsfront van 11 september 2014, ‘Voor een beleid in teken van sociale rechtvaardigheid’.
2/ http://www.ccecrb.fgov.be/txt/nl/report\_nl.pdf.
3/ In het technisch verslag wordt eerst de inschatting van 1,8% gemaakt, daarna door het Planbureau teruggebracht tot 1,5%.
4/ Dit stelsel laat ondernemingen toe een bonus toe te kennen aan hun werknemers in functie van collectief bereikte resultaten.

ABVV - vakbond - sociale dialoog - interprofessioneel overleg

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 2 (februari), pagina 47 tot 48 en pagina 57 tot 61