Abonneer Log in

Over vrije meningsuiting en culturele vervuiling

TO PUBLISH OR NOT TO PUBLISH?

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 2 (februari), pagina 24 tot 31

De aanslagen op de redactieleden van het Franse satirische weekblad Charlie Hebdo hebben het recht op de vrije mening meer dan ooit in het centrum van de aandacht geplaatst. In dit artikel pleiten we voor een pragmatische benadering. Men eigent zich steeds het recht toe om te zeggen wat men wil in een bepaalde maatschappelijke context. Maar wie die context zomaar naast zich neerlegt - het recht is er toch altijd en overal, dus waarom zou ik er geen gebruik van maken? - mist een kans om de multiculturele samenleving cohesiever te maken. Het beleid (ook dat van kranten) zal daarom steeds goed in overweging moeten nemen of het sop de kool wel waard is.

TO PUBLISH OR NOT TO PUBLISH?

Over vrije meningsuiting en culturele vervuiling
François Levrau
Het juridisch bekampen van Mein Kampf
Jogchum Vrielink

VRIJHEID VAN EXPRESSIE

Na de aanslag drukten duizenden mensen in Parijs en over de hele wereld hun afkeer uit tegen de moorden en gaven aan niet te zullen plooien voor het moslimterrorisme (Je suis Charlie!) dat een eind lijkt te willen maken aan het recht om alles en iedereen en in het bijzonder de profeet Mohammed te mogen bekritiseren/bespotten. Wie kan hen ongelijk geven? Aan de vrijheid van expressie, een liberaal-democratische verworvenheid, kan en mag niet getornd worden. Immers, wanneer de vrijheid van meningsuiting wordt opgeschort, dan verzandt men in een totalitaire staat waar mensen omwille van hun gedachten met angst voor vervolging moeten leven. Mensen moeten echter steeds kunnen denken en zeggen wat ze willen. In die zin veronderstelt de vrijheid van meningsuiting dat er ook intolerante, abjecte en zelfs ronduit foutieve meningen mogen worden geformuleerd. Het recht op de vrije mening is er misschien zelfs net om ook dit soort meningen een kans te geven. Met de vrijheid van expressie wordt dus geen respect gevraagd voor de overtuigingen van anderen (ik heb het recht om die overtuigingen te bekritiseren), maar wel voor de individuen die die overtuigingen verkondigen. Het feit dat mensen omwille van hun mening worden vermoord, kan dan ook niet en nooit getolereerd worden.

Nochtans is het recht op de vrije mening geen absoluut recht. Er zijn wel degelijk beperkingen die bij wet voorzien zijn (zie bijvoorbeeld Art. 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens). Zo kan de staat bijvoorbeeld ingrijpen wanneer de nationale, territoriale en openbare veiligheid in het gedrang is; wanneer de bescherming van de gezondheid en goede zeden op het spel staat of wanneer de goede naam of de rechten van anderen worden bedreigd. Er kan ook ingegrepen worden teneinde de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen tegen te gaan en om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Actief ingrijpen kan de overheid dus pas wanneer iemand direct oproept om anderen schade toe te brengen (hate speech) of wanneer iemand bijvoorbeeld kwaadwillig een feit ten laste wordt gelegd dat zijn eer kan krenken en/of hem aan openbare verachting kan blootstellen (cfr. laster en eerroof).

Duidelijk is dat de demarcatielijn niet altijd even helder kan worden getrokken. Wanneer is er immers sprake van een reële bedreiging? Wanneer is de propositionele inhoud van een overtuiging met andere woorden van dien aard dat een bepaald individu of een bepaalde groep individuen reële schade zal ondervinden? Zo stelt Loobuyck (2013: 151) dat islamcritici de Koran met Mein Kampf mogen vergelijken, maar ze mogen niet oproepen om moslims uit te sluiten, te discrimineren of gewelddadig te behandelen. Hier geldt Karl Poppers (1945) befaamde boutade over de ‘intolerantie voor de intolerantie’. Maar, is het echt zo dat wie de Koran verwerpelijk vindt en bijvoorbeeld oproept (zoals pastor Terry Jones uit Florida in 2010 en 2011 deed) om de Koran te verbranden, niets zegt over de moslims die zich aan de Koran verbonden weten? En gaat er van een boekverbranding niet een bepaalde symbolische kracht uit?1 Vanuit de idee dat sommige mensen constitutief gebonden zijn aan de Koran, kan een aanval op de Koran ook worden beschouwd als een directe aanval op de moslims zelf. In die zin heeft Terry Jones niet zozeer de verzen van de Koran voor ogen, maar wel degelijk de moslims die zich zo nadrukkelijk met het voor hem ‘scabreuze’ van die verzen blijken te associëren. Immers, als er geen mensen zouden zijn die zich met de Koran associëren, dan zou pastor Jones er wellicht nooit over gedacht hebben om de Koran te verbranden. Als Jones zich ergert aan de aanstootgevende verzen van de Koran, dan had hij evengoed Markies De Sades Les Cent-Vingt journées de Sodome ou l’École du libertinage kunnen verbranden. Dat hij dat niet doet, wijst erop dat het wel degelijk de moslims zijn die hij in het vizier heeft en bijvoorbeeld niet de mensen die zich overgeven aan allerhande seksuele aberraties. Het verschil tussen kritiek op een mening en kritiek op het individu dat de mening verdedigt, is dus vaak moeilijk te duiden. Dat de criticus zich zogenaamd op de propositionele inhoud van een gedachte/geloof richt, en niet op de persoon die de gedachte/het geloof ‘aanhangt’, zal voor die laatste niet altijd even overtuigend zijn.

INCASSERINGSVERMOGEN

Nu kan men een belediging misschien niet hoffelijk of zelfs ongepast vinden, maar mensen moeten daarom niet het recht ontnomen worden om hun (beledigende) mening te formuleren. Een zeker incasseringsvermogen is noodzakelijk. Het is de prijs die men moet bereid zijn te betalen om het recht op de vrije meningsuiting staande te houden (zie ook Loobuyck, 2013). De gevoelde pijn door een belediging is ten andere ook een erg subjectieve aangelegenheid. Iedereen kan zich omzeggens wel door iets beledigd voelen. Wanneer ‘subjectieve pijn’ het referentiepunt wordt waaraan de toelaatbaarheid van een mening wordt afgewogen, dan kan alleen ‘stilte’ als panacee gelden. Desalniettemin mag die emotionele pijn niet zomaar genegeerd worden. Een exclusieve focus op de (dreiging van) reële fysieke schade of het verlies van lichamelijke integriteit - de grond op basis waarvan een staat mag ingrijpen - negeert de impact van het woord. Het woord, zoals we dat al bij Shakespeare vinden, is vaak het equivalent van een dolk. ‘I will speak daggersto herbut use none’(Shakespeare’s Hamlet).

De emotionele pijn mag dus niet zomaar onder de mat geveegd worden, temeer omdat er onder het mom van de vrijheid van meningsuiting een maatschappelijke sfeer kan ontstaat waarin bepaalde individuen of groepen keer op keer en in toenemende mate worden gedemoniseerd. De overheid mag hier niet de kop in het zand steken en al zeker niet wanneer onder druk van de vrije meningsuiting sommige mensen bijvoorbeeld niet langer zouden durven uitkomen voor hun geloof. In dat geval wordt de vrijheid van religie in gevaar gebracht. ‘(…) if polemical attacks on religious minorities, presented in the name of freedom of expression, poison societal relations to such a degree that members of the targeted groups refrain from publicly professing and manifesting their faith, then their religious freedom may be in serious peril’ (Bielefeldt, 2013: 61). Wegkijken en alles laten gedijen, in de veronderstelling dat er een soort egalisering van kritiek is en dat iedereen dus wel een keer het voorwerp van spot wordt, is ontkennen dat het in de westerse samenlevingen al enkele decennia lang de moslims zijn die keer op keer in het brandpunt van de kritiek staan.

TO PUBLISH OR NOT TO PUBLISH?

Als men zich bedenkt dat moslims het in de meeste West-Europese landen moeilijk hebben - ze worden sociaal, economisch en politiek gemarginaliseerd en ze worden in toenemende mate voorgesteld als een bedreiging voor het voortbestaan van de natie - dan heeft een (kranten)beleid misschien vooral goede en redelijke argumenten om niet over te gaan tot de publicatie van de cartoons over de profeet Mohammed. Van John Stuart Mill (1978), nochtans een groot pleitbezorger van het recht op de vrije mening, is geweten dat ook hij stelt dat men best rekening houdt met de kwetsbaarheid van diegenen die worden aangevallen (en dus bijvoorbeeld met de minderheidspositie). Zo stelt Carens (2006) dat de Deense krant Jyllands-Posten er destijds beter had aan gedaan de cartoons niet te publiceren. ‘The mere fact that it is legally permissible to publish something does not mean that it should be published, however, or that a given newspaper is obliged to publish it. Major newspapers have greater responsibilities than individual authors to exercise judgment in what they publish and to think about its public impact. (…) Of course, there is no religious (or legal) obligation for non-Muslims not to publish portrayals of Muhammad, but there is a civic obligation not to do so, when this serves no important purpose and causes offence’ (Carens, 2006: 34-40).

Het is dus niet omdat men de cartoons mag publiceren, dat het verstandig is om die te publiceren. Het recht op vrije meningsuiting wordt best in een brede context geplaatst, waarbij wordt nagedacht over hoe dat recht zich tot andere waarden verhoudt. Zo merkt Latré (2015) op dat meningen op het publieke forum pas echt interessant zijn wanneer ze op de één of andere manier raken aan het algemene belang. We kunnen ons dan ook afvragen wat de publicatie van de gewraakte cartoons eigenlijk aan de maatschappelijke gelijkheid en de solidariteit bijdraagt. Zet het niet veeleer groepen tegen elkaar op en zorgt het er niet vooral voor dat de interculturele contacten worden bemoeilijkt?

Op zich valt Jyllands-Posten en Charlie Hebdo dus niets aan te wrijven - als er al iemand iets aan te wrijven valt, dan vooral diegenen die tegen de publicatie van de cartoons op een gewelddadige wijze hebben geprotesteerd, tegen de krant legio bedreigingen hebben geformuleerd en redactieleden op lafhartige wijze hebben vermoord. Het recht op de vrije meningsuiting is nu eenmaal een basisrecht. Het kan niet dat mensen moeten sterven omdat ze er een andere mening op nahouden. Maar, als men rekening houdt met de brede context en als men dus de islamofobie ernstig neemt (als men dus rekening houdt met de gevolgen), dan is de beslissing om de cartoons niet te publiceren mogelijks de meeste rechtvaardige. In die zin gaan we niet akkoord met wat Boudry (2015) in een opiniestuk stelt, namelijk dat er nog te weinig kranten zijn die de cartoons van Charlie Hebdo op hun voorpagina’s hebben afgedrukt. Natuurlijk is het belangrijk en noodzakelijk dat de islam kan worden bekritiseerd. Natuurlijk moet er over de aanslagen worden bericht. Echter, het tonen van de cartoons is niet noodzakelijk en het op de voorpagina publiceren van die cartoons is dat al zeker niet. Het is dus niet zo dat de islam van kritiek zou moeten worden gevrijwaard. Het gaat erom dat men kan nadenken over de manier waarop men kritiek uit. In grote getalen de cartoons publiceren kan eigenlijk alleen maar als een provocatie worden ervaren. In dat verband kunnen we verwijzen naar wat Kernohan (1998) met het begrip ‘cultural pollution’ heeft aangeduid. Als er één leeg blikje cola op de openbare weg belandt, dan is er geen probleem. Maar als iedereen één leeg blikje op de weg gooit, dan is er binnenkort sprake van een milieuprobleem. Mutatis mutandis kan worden gezegd dat één sneer naar moslims en de islam op zich niet zo erg is, maar als er vele sneren komen en dat over een lange periode, dan dreigt er een destructief intermenselijk klimaat te ontstaan.

Anders dus dan wat Boudry (2015) stelt, heeft het niet tonen van de cartoons (op de voorpagina’s) niet noodzakelijk iets te maken met capitulatie voor terrorisme. Het gaat om een zekere hoffelijkheid - een hoffelijkheid die niet bij wet verplicht is, maar die in een tijd waar de gemoederen al zo verhit zijn, waar de ‘multiculturele samenleving’ al zo onder spanning staat en waar moslims het al zo vaak en op zovele punten moeten ontgelden, wel van kranten kan/mag worden verwacht. In scherpe bewoordingen stelt Boudry verder dat door de lafheid van andere media die de cartoons niet hebben gepubliceerd Charlie Hebdo in het eenzame brandpunt van alle religieuze haat is komen te staan. Hoe minder media de cartoons durven plaatsen, hoe meer gevaar de ‘moedige enkelingen’ lopen. En, als niemand de cartoons nog overneemt, dan is het einde van de persvrijheid in zicht. Echter, redacties beslissen autonoom en hoeven niet te kijken wat andere redacties wel/niet doen. De beslissing om de cartoons niet te publiceren hoeft niet noodzakelijk als misplaatst respect voor religie noch als angstvallige capitulatie te worden begrepen. Ze zijn ook niet ‘laf’, zoals Boudry stelt. Het gaat erom dat het recht op de vrije meningsuiting ook op een pragmatische wijze, met respect voor mensen, kan worden gehanteerd. Er spelen ook andere belangen mee, zoals de creatie van een cohesieve en interculturele samenleving. Of, om Carens nog even te hernemen, niet alles wat bij wet kan/mag, hoeft ook te gebeuren. Het is niet omdat de cartoons bij wet gepubliceerd mogen worden, dat er niet ook maatschappelijke belangen spelen die ertoe aanzetten om geen olie op het vuur te gooien.

FUNDAMENTALISME

Om ‘cultural pollution’ te vermijden zal eender welk beleid (dus ook dat van een krant) erover moeten waken dat ze (ongewild) niet meewerkt aan de creatie van een ‘wij-zij’ samenleving die verdachtmaking, racisme of discriminatie van bepaalde groepen (i.c. moslims) in de hand werkt. Ook de staat heeft hier een rol te spelen. Tussen de excessen van een totalitaire staat die haar burgers paternalistisch oplegt wat er moet worden gedacht en een libertaire staat waar burgers zonder meer alles mogen zeggen, is er vast ook wel een liberale staat mogelijk die de vrijheid van meningsuiting beschermt, maar die tegelijk ook nagaat of er geen maatschappelijke tendenties zijn die een groep door woord en daad in toenemende mate apart zetten. Een manier waarop het beleid op dit punt actief kan interveniëren, is door te voorzien in voldoende objectieve informatie en duiding teneinde voldoende tegengewicht te bieden aan het pestilente moslim-odium. Een beleid prefereert of promoot daarmee niet zozeer een bepaalde ‘conceptie van het goede leven’, maar benadrukt enerzijds de gelijkwaardigheid van en het respect voor alle mensen en beschermt anderzijds het algemeen maatschappelijk klimaat.

De staat kan het zich niet veroorloven om de terreurdreiging die vanuit extremistische hoek uitgaat te negeren. Extremistische elementen kunnen worden aangepakt door degelijk onderwijs aan te bieden; door werk te maken van gelijke kansen, door een sociaal-politieke cultuur van mensenrechten te creëren; door mechanismen te ontwikkelen die potentieel misbruik detecteren en kenteren; door effectief misbruik justitieel, wettelijk en constitutioneel te bestraffen. De genoemde strategieën zijn overigens niet specifiek gericht op het mogelijke gevaar van illiberale en fundamentalistische immigranten/moslims, maar wel op de bedreiging van het illiberalisme, fundamentalisme en terrorisme tout court. Strengere veiligheidsmaatregelen zijn misschien wel nodig, maar dan moet men er wel over waken dat die de multiculturele samenleving niet gaan overschaduwen. De multiculturele samenleving en het multiculturalisme - het beleid dat integratie van etnisch-culturele minderheden wil versterken door de maatschappelijke instituties van de meerderheidsgroep aan te passen in functie van de etnisch-culturele verschillen - werken immers het best wanneer de relatie tussen staat en etnisch-culturele minderheden wordt begrepen als een item voor sociaaleconomisch beleid en niet voor staatsveiligheid (Kymlicka, 2007). Als er dus een sfeer ontstaat waarin immigranten worden geassocieerd met bedreigingen voor de veiligheid, dan krijgt het draagvlak van de multiculturele samenleving een flinke knauw. De steun voor de multiculturele samenleving rust in grote mate op de assumptie dat etnisch-culturele groepen een grote betrokkenheid betuigen ten op zichte van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Precies omdat groepen minder worden aanvaard als de perceptie leeft dat bepaalde groepen zich de Mensenrechten niet eigen kunnen/willen maken, is het van belang dat de staat duidelijk maakt dat het moslimfundamentalisme nog steeds een uitzonderingspositie is en dat die dus niet door de grote meerderheid van moslims wordt aangenomen. Wat de meeste immigranten willen, is dat ze als een gerespecteerd deel van de samenleving worden beschouwd. De erkenningsclaims die ze formuleren, zijn geen signalen dat ze zich van die samenleving willen afzetten, maar wel dat ze zich niet voldoende erkend weten en dat er dus over het integratieproces kan worden onderhandeld. Dat integratie (soms) een moeilijke en langdurige zaak is, betekent niet dat men dan maar een oogje moet dichtknijpen voor de illiberale praktijken (bijvoorbeeld gedwongen huwelijken, het uitvoeren van clitoridectomie) die sommige immigranten met zich meebrengen, en dat er dan maar moet worden ingegaan op claims om de Sharia-wetgeving in te voeren. Het belang van de scheiding van Kerk en Staat moet gehandhaafd blijven. De staat moet dus steeds haar beleid kunnen verantwoorden los van de verwijzing naar één bepaalde geloofsovertuiging.

‘A crucial task facing liberal defenders of multiculturalism, therefore, is to distinguish the "bad" minority rights that involve restricting individual rights from the "good" minority rights that can be seen as supplementing individual rights (…). To oversimplify, we can say that minority rights are consistent with liberal culturalism if (a) they protect the freedom of individuals within the group; and (b) they promote relations of equality (non-dominance) between groups’ (Kymlicka, 2002: 340-342).

Bovendien is het zo dat er altijd een kans bestaat dat mensen de liberale democratie zullen gebruiken om de vrijheid van spreken van anderen te beknotten. Die bedreiging is eigen aan de liberale democratie zelf (in naam van de vrijheid eisen mensen het recht op om anderen te doen zwijgen). Terroristen vindt men over de hele wereld, ook en wellicht vooral in landen waar er geen liberaal(-multicultureel) beleid wordt gevoerd. ‘Pockets of illiberal traditionalism and radicalism exist in all Western democracies, but there is no evidence that [liberal] multiculturalism policies exacerbate this problem (…)’ (Kymlicka, 2007: 165). Uit grootschalig Europees comparatief onderzoek bij de tweede generatie jongeren blijkt overigens dat ‘Political Islam (…) seems to thrive least in a tolerant "multicultural" environment’ (Crul & Schneider, 2012: 399). Een multicultureel beleid van respect voor verschil kan met andere woorden een dam bieden tegen de radicalisering van mensen die zich niet erkend weten. Respect voor verschil betekent dat men mensen behandelt als psychologische wezens met een zekere kwetsbaarheid wanneer het hun diepste identiteiten betreft. De vrije meningsuiting als recht moet niet aan het altaar van die emotionele kwetsbaarheid geofferd worden, maar het is een uiting van beschaving wanneer iemand zich rekenschap geeft van die kwetsbaarheid.

BESLUIT

Alles wel beschouwd lijkt het wenselijk om het recht op de vrije mening niet tot een absoluut recht te verheffen en steeds rekening te houden met de context waarin dat recht wordt uitgeoefend. Men moet de spanningen niet nodeloos op de spits drijven door mensen op stang te jagen. Het is beter en wellicht ook veel urgenter te investeren in interculturele projecten en in een objectieve media. Niemand is gebaat bij een verscheurde samenleving. Het heeft geen zin om op de kruik die stilaan aan het barsten is, nog een harde tik te geven alleen omdat het mag en omdat het misschien ook leuk is. ‘(…) the best way to counter the unease we sometimes feel towards foreigners is not to keep them at a distance, but to approach them in a way that breaks down stereotypes and facilitates their integration in the host society. In other words, exclusion is reprehensible not only on a moral or legal level, but from a sociological and pragmatic standpoint as well’ (Bouchard, 2011: 450).

Wat de ‘cartoonrellen’ en de ‘Charlie Hebdo aanslagen’ dus leren is dat niet alles wat juridisch toegelaten is (het publiceren van de cartoons), moreel/maatschappelijk wenselijk is. En dat omgekeerd niet alles wat moreel/maatschappelijk onwenselijk is (het publiceren van de cartoons), juridisch kan worden verboden. Ergens tussen moraal (wenselijk gedrag) en recht (afdwingbaar gedrag) schuilt een opgave voor het beleid. In eerste instantie moet de overheid alle kritische en (potentieel) beledigende meningen tolereren. Meningen - hoe abject en fout ook - verbieden, strookt immers niet met de kwintessens van een open en vrije samenleving waar mensen als vrije en gelijke individuen zichzelf kunnen en mogen zijn. Echter, de overheid mag wel pogingen ondernemen om haar burgers te beïnvloeden zodanig dat zij er maatschappelijk meer wenselijke meningen op nahouden. Net zoals de overheid via campagnes roken en ongezonde voeding kan ontraden, kan zij dus ook bepaalde meningen ontraden. De vraag is niet of de overheid mag moraliseren (dat mag ze), maar wel hoe zij dat mag doen (lees: op een niet paternalistische wijze). Zo is het verlenen van objectieve informatie en het bevorderen van de sociale cohesie via het promoten van intercultureel contact en multicultureel respect geen controversiële beleidspositie, omdat men er mag van uitgaan dat iedereen liever gerespecteerd en gewaardeerd wordt en dat iedereen liever in een conflictloze samenleving leeft.

François Levrau
Centrum voor Migratie en Interculturele Studies, Universiteit Antwerpen

Noot
1/ De geschiedenis leert dat aan de verbranding van mensen nogal eens de verbranding van boeken is vooraf gegaan. Milan Kundera (1983: 159), wiens boeken in zijn patria lange tijd verboden waren, schrijft: ‘The first step in liquidating a people is to erase its memory. Destroy its books, its culture, its history.

Referenties
- Bielefeldt, Heiner (2013). ‘Misperceptions of freedom of religion or belief’, Human Rights Quarterly, 35 (1): 33-68.
- Bouchard, Gérard (2011). ‘What is interculturalism’, McGill Law Journal, 56 (2): 435-468.
- Boudry, Maarten (2015). ‘Door de lafheid van andere media werd Charlie Hebdo het eenzame brandpunt van alle religieuze haat’, Knack, 10 januari 2014.
- Carens, Joseph (2006a). ‘Free speech and democratic norms in the Danish cartoons controversy’, International Migration, 44 (5): 33-42.
- Crul, Maurice & Schneider, Jens (2012). ‘Conclusions and implications. The integration context matters’. In Crul, Maurice, Schneider, Jens & Lelie, Frans (Eds.) The European second generation compared. Does the integration context matter?, pp. 375-404. Amsterdam: Amsterdam University Press, IMISCOE Research.
- Kernohan, Andrew (1998). Liberalism, equality, and cultural oppression. Cambridge: Cambridge University Press.
- Kymlicka, Will (2002). Contemporary political philosophy. An introduction. Oxford: Oxford University Press.
- Kymlicka, Will (2007). Multicultural odysseys. Navigating the new international politics of diversity. Oxford: Oxford University Press.
- Kundera, Milan (1983 [1979]). The book of laughter and forgetting. London: Penguin Books.
- Latré, Stijn (2015). ‘Als bijtende spot pestgedrag wordt’, De Redactie, 15 januari 2015.
- Loobuyck, Patrick (2013). De seculiere samenleving. Over religie, atheïsme en democratie. Antwerpen, Utrecht: Houtekiet.
- Mill, John-Stuart (1978 [1859]). Over vrijheid. Amsterdam: Boom, Meppel.
- Popper, Karl (1945). The open society and its enemies, vol. 1 (The Spell of Plato). London: Rout-ledge.

vrije meningsuiting - Charlie Hebdo - multiculturalisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 2 (februari), pagina 24 tot 31