Log in

'Kleinstaterij! De terugkeer van de natie en de afkeer van Europa'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 83 tot 85

Kleinstaterij! De terugkeer van de natie en de afkeer van Europa

Vincent Stuer
De Bezige Bij, Antwerpen, 2014

Van het ‘Schotse scheefdenken’, over het onafhankelijkheidsstreven van Catalonië tot de politieke heropleving van het nationalisme in het Vlaanderen van Bart De Wever: nationalisme is een erg actueel begrip. Historicus en politicoloog Vincent Stuer (39), de speechwriter van José Manuel Barroso en voordien woord- en penvoerder van Karel De Gucht, vraagt zich in zijn boek af waar al die ‘Kleinstaterij’ toe zal leiden. Een waardevolle en uitgebreide analyse.

In het eerste deel van het boek grijpt Stuer terug naar de veelvormige geschiedenis van nationalistische bewegingen in Europa. Het is een uitgesponnen inleiding - maar wel een knap staaltje vertelwerk - waarin hij een intelligente lezing op de geschiedenis tentoonspreidt. Stuer verbindt schijnbaar losstaande feiten met elkaar en maakt een complex web van gebeurtenissen begrijpelijk. Hij slaagt erin om gebeurtenissen in verschillende landen, op verschillende niveaus, als puzzelstukken in elkaar te laten passen. Het is vooral de eenmakingsgeschiedenis van Italië die uitgebreid aan bod komt. Het land wordt beschouwd als een ultiem voorbeeld van een natiestaat, maar Stuer maakt duidelijk dat er geen sprake was van één volk dat verenigd werd. Amper 2,5% van de bevolking sprak Italiaans! De staat Italië is het gevolg van de heldenstatus van enkele ‘verlichte’ geesten, romantische ideeën en gebeurtenissen met onbedoelde gevolgen. Het gevoel tot eenzelfde volk te behoren ontstaat soms door het behoren tot eenzelfde staat. Ook de absurde voorgeschiedenis van Cyprus is hiervan een mooie illustratie; ‘twee onbestaande naties hadden twee ondenkbare staten gekregen, waarna die haast toevallig zelfstandig geworden staten twee zelfverzekerde naties voortbrachten’.

Het boek kabbelt langzaam van het ene voorbeeld naar het andere, tot we aan het laatste en meest actuele en boeiende deel komen; dat over identiteit, democratie en soevereiniteit. Nationalistische denkers en politici beschouwen een natiestaat als een voorwaarde voor een goed functionerende democratie. Voor hen moeten politici hun volk als geheel kunnen vertegenwoordigen. Internationale instellingen hollen de democratie uit. Stuer zet deze visie af tegen de praktijk van enkele goed functionerende en stabiele democratieën in Europa. Gezonde democratieën zoals die van Nederland en Frankrijk - complexe en plurale samenlevingen - tonen aan dat pluraliteit en conflict juist nodig zijn. Pas wanneer politici kunnen toegeven niet voor iedereen te kunnen spreken, kunnen ze ervoor zorgen dat ieders basisrechten gerespecteerd worden; beleving van de eigen taal, geloof, cultuur en onderwijs. Scheiding van private en publieke sfeer definiëren een goede democratie. Wanneer de staat samenvalt met een zogenaamde identiteit - zoals in nationalistische ideaaldromen - kan de staat echter ook een bepaalde identiteit opleggen aan haar burgers met discriminatie als onvermijdelijk gevolg.

Van in het begin was supranationalisme het opzet van de Europese eenmaking, al wordt dat ook van in het begin steevast ontkend. De terugkerende wetmatigheid van de Europese eenmaking is dat lidstaten naar aanleiding van een economisch of politiek dieptepunt afspraken proberen te maken zonder macht af te staan, daarin mislukken en vervolgens uit noodzaak verdergaan op het supranationalistische pad. Nieuwe grenzen veroorzaken nieuwe problemen, en dus streefde de prille Europese Unie ernaar grenzen te overstijgen in plaats van ze te verleggen.

Het Europese Parlement is au fond een schoolvoorbeeld van een goed werkende democratie. Er worden respectvolle discussies gevoerd, beslissingen worden genomen met inclusieve meerderheid telkens samengesteld uit wisselende partijen. Hoe meer (kleine) staten deel uitmaken van de Europese Unie, hoe moeilijker het concept van gelijkwaardigheid echter te handhaven is. Elk land wordt immers vertegenwoordigd in de Raad van ministers, waardoor kleine landen op hetzelfde niveau komen te staan als grote landen.

Volgens Stuer staat de natiestaat haaks op de realiteit van de Europese integratie. Nieuwe (potentiële) natiestaten (Kosovo, Schotland) ‘dreigen tussen wal en schip te vallen, want het Europa als statenbond maakt hen het toetreden zo goed als onmogelijk, terwijl Europa als federatie vanuit hun nationalistische wereldbeeld zo goed als onaanvaardbaar is.’

Het is een beetje jammer dat Stuer niet verder ingaat op de contradictie tussen het Europa van de regio’s - wat net door de Europese Unie sterk gestimuleerd wordt - en de terughoudendheid van de Europese leiders telkens wanneer een regio in het kader van een nationalistisch gedachtengoed stappen richting meer autonomie zet. Zijn betoog is volledig in lijn met de waarschuwingen voor het nationalisme als anti-Europese kracht van Europees voorzitter Van Rompuy en van gewezen Commissievoorzitter Barroso. Echter, niet alle nationalisten zijn anti-Europa. Waar zijn bijvoorbeeld de pro-Europese Schotse regionalisten te plaatsen? Kan de toenemende regionalisering niet juist leiden tot toenemende gelijkheid? En zijn het soms niet net de lidstaten zelf die de illusie van een natiestaat in stand houden? Ook binnen het huidige Europa hebben de regio’s een vertegenwoordiging. In zijn beschrijving van de werking van de Europese Unie besteedt Stuer hier geen aandacht aan. België zou met zijn zes staatshervormingen een interessant voorbeeld zijn om in dit licht verder te analyseren.

Stuer beschrijft. Hij legt de onoplosbare vragen bloot die het streven naar natiestaten in een integrerend Europa met zich meebrengt. Hij plaatst de huidige nationalistische tendensen in een geschiedkundig kader, maar laat het grotendeels aan de lezer om erover te oordelen. Dat Stuer vindt dat het niet de goede kant uit gaat, is duidelijk. Hoe en wanneer dit dan zal keren, of wat daarvoor nodig is, of waarom nationalistische en conservatieve politici de lessen uit het verleden negeren, blijven vraagtekens. De geschiedenis zal het uitwijzen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 83 tot 85