Abonneer Log in

Vlaams Banenpact zoekt jobs

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 4 (april), pagina 75 tot 81

In het Vlaamse regeerakkoord 2014-2018 wordt aangekondigd dat ‘deze regering voor een werkzaamheidsgraad van 76% gaat tegen 2020. Ze zal daartoe een Banenpact afsluiten met de sociale partners’. In deze bijdrage schetsen we de inhoud van dit aangekondigde Banenpact, stellen we ons de vraag of ze de werkzaamheidsdoelstelling dichterbij zal brengen en mocht dit niet (voldoende) het geval zijn, wat er dan wel nodig is om voldoende jobs te creëren in Vlaanderen.

Ik moet de lezer al meteen teleurstellen: het Banenpact is er vandaag (eind maart) nog niet. Er is enkel een aanzet nu de regering een conceptnota goedkeurde over het doelgroepenbeleid. Maar het blijft haar ambitie om binnenkort het geheel af te ronden, het liefst in overleg met de sociale partners. Naast de doelgroepenkortingen zou het dan ook moeten gaan over werkervaring voor langdurig werklozen en over vormingsincentives voor werknemers. Want met het Banenpact wil de regering een (andere) invulling geven aan de nieuwe arbeidsmarktbevoegdheden die overkomen in het kader van de zesde staatshervorming, in het bijzonder het geheel van doelgroepgerichte RSZ-middelen (de structurele RSZ-verminderingen, zoals de korting op lage lonen, blijven federaal). Samen goed voor meer dan 1 miljard euro.

OPGESCHORT

Maar zover zijn we nog niet. Het overleg tussen sociale partners kruipt op dit eigenste moment traag vooruit. Traag maar niet altijd gestaag. Op de valreep, de dag voor de regering haar conceptnota goedkeurde, keurden de partners de principes goed waaraan het doelgroepenbeleid moest voldoen. Maar dat had inhoudelijk nog niet zoveel om het lijf - vooral de doelgroepselectie (jongeren, ouderen, personen met een arbeidshandicap) uit het regeerakkoord werd bevestigd en een beetje concreter gemaakt - en had vooral als meerwaarde dat de partners terug mee aan zet zijn, na een maandenlange stilstand van het overleg: deels omdat de visies ver uiteen lagen, deels omdat de werkgevers tijdens de maanden november en december weigerden om aan de regionale overlegtafel te zitten tijdens de vakbondsacties tegen het besparingsbeleid van de regeringen. Sinds begin maart ligt het overleg opnieuw stil: Unizo en Voka grijpen de ACOD-staking van 22 april aan om alle overleg op te schorten.

|

BOX 1: Het veelgeroemde ‘Vlaamse overlegmodel’
Vaak wordt beweerd dat het Vlaams overleg via SERV (Sociaal Economische Raad van Vlaanderen, met vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers) en VESOC (Vlaams Economisch en Sociaal Overlegcomité, met vertegenwoordigers van sociale partners en de regering) veel beter functioneert dan het armlastig federaal overleg binnen de Groep van 10 of de Nationale Arbeidsraad: de partners zouden elkaar beter vinden in Vlaanderen en het tripartite overlegmodel zou sowieso beter werken (dat daarom best ook op federaal niveau de regel moet worden, volgens de N-VA). Het is juist dat door de band genomen het Vlaams overleg in het verleden wat vlotter liep dan op het federaal niveau. Maar dat had vooral te maken met het voorwerp van het overleg: arbeidsmarktbeleid is een minder heikel overlegonderwerp dan pakweg lonen en uitkeringen die op federaal niveau hun beslag krijgen. Dat in Vlaanderen de nadruk altijd al lag op het drieledig overleg werkgevers-werknemers-regering had ook met die inhoud te maken. Lonen en arbeidsvoorwaarden zijn bij uitstek een paritaire aangelegenheid - of zouden het toch moeten zijn. Met de besteding van een stuk overheidsmiddelen voor begeleiding van werkzoekenden of voor tewerkstellingssteun aan bedrijven, komen we meer in het vaarwater van de politiek en is drieledig overleg een logische uitkomst. De successen van het Vlaams sociaal overleg in het verleden hebben dus niets van doen met een andere democratie, maar hadden vooral te maken met de bevoegdheidsverdeling die ook in het overleg speelt. Nu met de zesde staatshervorming thema’s overkomen - zoals het vormingsverlof - die veel meer te maken hebben met arbeidsvoorwaarden, zien we dat het overleg al begint te stokken. De bewering dat het Vlaams overleg per definitie beter functioneert is dus grotendeels onwaar.

|

DE WERVEN LIGGEN NOG OPEN

Zoals gezegd: de regering kon een eerste succesje boeken en keurde de krachtlijnen van het doelgroepenbeleid goed. Met dank aan de sociale partners die een voorzet deden. In kort bestek komt het hierop neer: de doelgroepkortingen (de vermindering van de RSZ-bijdragen voor werkgevers) worden vereenvoudigd en voortaan enkel toegekend voor jongeren en ouderen. Tewerkstelling van langdurig werklozen, bijvoorbeeld, komt niet meer in aanmerking voor RSZ-vermindering. Voor de jongeren speelt een scholingscriterium: enkel laag- en middengeschoolden geven recht op een korting en dat gedurende drie jaar. Voor ouderen is er niet alleen een tijdelijke aanwervingssteun, maar blijft er ook een korting voor al wie 55 is en al in dienst was. Voor de zestigers is het bedrag zelfs hoger. Voor de derde categorie, de personen met een arbeidshandicap, blijf alles bij het oude en kunnen werkgevers verder beroep doen op de Vlaamse ondersteuningspremie (VOP). Hiermee is in totaal een bedrag gemoeid van bijna 600 miljoen euro.

Het Banenpact zal echter meer in haar mars hebben en zal ook de toekomstige invulling inhouden van de tewerkstellingsprogramma’s als PWA, OCMW-tewerkstelling (art 60, 61), GESCO’s (deels) en andere werkervaringsprogramma’s, maar ook van de werkhervattingstoeslag voor oudere werkzoekenden en van de overgekomen opleidingssteun, zoals het betaald educatief verlof. Waarmee de kaap van 1 miljard euro wordt overschreden. Die werven liggen nog open. De regering heeft een voorzet geformuleerd voor verder sociaal overleg. Op bepaalde punten namen ze zelf beslissingen, zoals de afschaffing van het werkervaringsprogramma WEP+.

Al is de operatie nog ver van afgerond, we vinden het toch al hoog tijd om de eerste stappen naar een Banenpact te evalueren. Ook in het licht van de ambitie om de werkzaamheidsgraad naar 76% te tillen tegen 2020. Frank Vandenbroucke formuleerde al scherpe kritiek op het voornemen van de regering om de doelgroepkortingen te richten op een grote groep van jongeren.1 Zijn kritiek is dubbel: je richt de steun beter op ouderen want vooral ouderen komen moeilijk aan de bak. En als je de jongeren in het vizier neemt, beperk je dat best tot de laaggeschoolden. De middengeschoolden doen het immers niet slechter dan de hooggeschoolden. Het kan dus stukken effectiever, is de kritiek van Frank Vandenbroucke. Ook vanuit VVSG, de koepelvereniging van steden en gemeenten, kwam een alarmsignaal: als de doelgroepkortingen worden uitgevoerd zoals in de conceptnota beschreven, dan dreigen er 1000 arbeidsplaatsen voor kansengroepen bij de lokale besturen verloren te gaan. De tewerkstellingsspecialisten van VVSG vinden bovendien geen garanties terug in de regeringsnota voor de vele andere stelsels waarin op lokaal vlak aangepaste jobs of werkervaringsplaatsen worden gecreëerd voor werklozen, wat over meer dan 16.000 plaatsen gaat.2

BIJSTURINGEN NOODZAKELIJK

Deze kritiek snijdt hout. En daarom moet er mee rekening worden gehouden. Daarvoor dienen conceptnota’s en andere groenboeken toch? Om de eerste contouren van de beleidsplannen te schetsen en ze via maatschappelijk debat te boetseren tot concrete beleidsmaatregelen? Er dringen zich in elk geval drie grote bijsturingen op.

Ten eerste. Het kan niet dat langdurig werklozen geen steun meer in de rug krijgen door het rugzakje, waarmee ze zich bij werkgevers aandienen, weg te nemen. Dit is in strijd met het belangrijkste uitgangspunt van een efficiënt doelgroepenbeleid, namelijk: de personen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt ook het grootste voordeel bieden. En langdurig werklozen beantwoorden zonder twijfel aan dat criterium. Het gaat ook in tegen aanbevelingen van instellingen als de OESO ‘om prioriteit te geven aan tewerkstellings- en opleidingsmaatregelen voor langdurig werklozen’.3 Een verlaagde werkgeversbijdrage gecombineerd met een aanwending van de werkloosheidsuitkering als loonsubsidie (werkuitkering) - zoals in de huidige Activa - is daarom aangewezen. Vermits de lokale overheden veel inspanningen doen voor die groep van werklozen zou dit ook toelaten dat ze hun tewerkstellingsinspanningen in stand kunnen houden.

Tweede noodzakelijke bijsturing: meer focus op de kortgeschoolden. Want net als langdurig werklozen en oudere werklozen zijn het de kortgeschoolden die het moeilijkst liggen op de arbeidsmarkt door de globalisering en door technologische evoluties. Daarom kunnen ernstige vragen worden gesteld bij aanwervingssteun voor middengeschoolde jongeren, zeker mocht die van eenzelfde duur of intensiteit zijn. Minder of geen steun toekennen bij aanwerving van de middengeschoolden laat ruimte om steun uit te breiden richting alle kortgeschoolden zonder leeftijdsgrens.

Derde noodzakelijke correctie: aanwervingssteun moet ook de werkzoekende versterken. Er zou immers een wezenlijk verschil moeten zijn tussen structurele lastenverlaging en doelgroepkortingen. Zoals reeds aangestipt, moet doelgroepsteun de relatieve nadelen van kansengroepen milderen door het (reële of vermeende) rendementstekort weg te werken. Dat doe je niet alleen door die werknemers goedkoper te maken, maar ook en vooral door die werknemers sterker te maken zodat het rendementsverschil verkleint of verdwijnt. Ligt het niet voor de hand dat de ondernemingen bij aanwerving van kortgeschoolden extra inspanningen doen voor de opleiding van die groepen, als tegenprestatie voor de genoten steun, maar ook als investering? Daar is in de huidige plannen nog geen werk van gemaakt, behalve de verwijzing naar kwalitatieve maatregelen die via overleg nog moeten worden uitgetekend.

HET IDEOLOGISCHE KADER

Je kan je de vraag stellen waarom minister van werk Philippe Muyters die richting kiest en onvoldoende rekening houdt met langdurig werklozen, met laaggeschoolden en met kwalitatieve aanwervingsvereisten. Het gaat in tegen het gezond verstand en tegen wetenschappelijke bevindingen, die nochtans rijkelijk voorhanden zijn binnen een beleidsdomein met een meer dan behoorlijke traditie op vlak van investeringen in beleidsondersteunend onderzoek.4 De reden is dan ook vooral politiek-ideologisch van aard. We doen een poging om het ideologische kader wat meer zichtbaar te maken.

Wat zeker speelt, is de dwangmatige ijver om het anders te doen. De Verandering, weet je wel. Wat overgeheveld wordt, moet anders en eenvoudiger. Daarbij komt het risico om de hoek kijken dat men ook wijzigt wat goed werkt. Dat men een weliswaar eenvoudiger maar daarom nog geen effectiever, laat staan socialer beleid zal voeren. We zien dit niet alleen hier, maar ook op andere terreinen zoals de kinderbijslag die voortaan tot elke prijs ‘voor elk kind gelijk moet zijn’, waardoor men dreigt af te stappen van leeftijdstoeslagen die een compensatie zijn van kosten die oplopen met de leeftijd.

Wat ook meespeelt, is de vraag van de werkgeversorganisaties om de steun zo structureel en onvoorwaardelijk mogelijk toe te kennen. Het overleg tussen sociale partners over het Banenpact bewoog vorig jaar voor geen meter omdat Voka in feite een regionale structurele korting wou, een lage lonen-bis. Dat hebben ze ook langs politieke weg niet voor mekaar gekregen omdat het de deur zou openen voor bevoegdheidsdisputen vermist het akkoord over de zesde staatshervorming de structurele kortingen, lage lonen inbegrepen, op federaal niveau blijft situeren. Maar ze hebben voorlopig wel hun zin gekregen dat de steun op dit ogenblik zeer breed gaat en nauwelijks aan voorwaarden is onderworpen. Stel dat het beleid geen oren heeft naar de syndicale verzuchtingen, dan zal het geen verschil uitmaken of je als werkgever een oudere werknemer met een weekcontract aanwerft of met een contract van onbepaalde duur. Net zomin zal het een verschil uitmaken als je een laaggeschoolde of een middengeschoolde jongere in dienst neemt: zelfde korting. Het maakt overigens ook geen verschil uit of de jongere werkloos is dan wel van werk verandert: zelfde korting. Terwijl deze regeringen er alles aan doen om zelfs de bompa’s aan het werk te zetten, laat men de langdurig werklozen compleet in de kou staan. Geen RSZ-korting voorzien, net zomin als het behoud van een werkuitkering en als er van werkervaring sprake is - wat op zich een positieve aanpak kan zijn als opstap naar en duurzame inschakeling -, dan niet meer via een betaald statuut (WEP-plus) maar enkel met behoud van een uitkering… en straks een verplichte gemeenschapsdienst? Wellicht staan die werklozen in de ogen van veel werkgevers te ver af van de arbeidsmarkt.

We kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat deze bewindsploeg ook deze patronale invalshoek volgt en een scherpe opdeling maakt tussen beter en minder goed geplaatsen. Aan de werkgevers worden de Best Beschikbare Arbeidskrachten aangeboden, met korting. De minder goed geplaatsten worden geactiveerd. De vraag is nog: naar wat en naar waar als de werkgevers voor die groepen geen inspanningen doen? Het is een fenomeen dat ook opduikt in de plannen van de regering rond duaal leren. Goed bedoeld, maar met een tweedeling tussen de iets rijpere leerlingen in het technisch onderwijs die kunnen solliciteren (sic) bij bedrijven en de anderen uit het deeltijds beroepssecundair onderwijs die nog meer dan vandaag dreigen deeltijds werkloos te blijven nu bedrijven zelf kunnen selecteren uit een veel breder aantal kandidaten. Bovendien zijn niet alleen de langdurig werklozen zelf het slachtoffer van die hervorming. Die sectoren die traditioneel gebruik maakten van de maatregelen voor langdurig werklozen (dienstencheques, social profit, lokale besturen) dreigen eveneens zwaar getroffen te worden.

HOGERE TEWERKSTELLINGSGRAAD?

Brengt dit beleid nu de doelstelling van een hogere werkzaamheidsgraad van 76% tegen 2020 dichter in de buurt? We betwijfelen het. Het Steunpunt WSE kwam in haar meest optimistische scenario uit op 73,1% werkende Vlamingen of 111.000 werkenden minder dan beoogd in 2020. En daarbij werd geen rekening gehouden met de impact van de regeerakkoorden van 2014.5 Het Vlaamse Banenpact zal dit niet veranderen. Het Banenpact is in de eerste plaats een operatie waarbij nieuwe arbeidsmarktbevoegdheden worden ingekanteld in het Vlaams beleid. Daar komen geen nieuwe middelen aan te pas. Integendeel: er wordt ook op deze uitgaven gekort. Bovendien werd aangetoond dat het doelgroepenbeleid, indien ongewijzigd, minder effectief zal zijn doordat steun te weinig selectief wordt toegekend en er dus een groter buitenkanseffect (bedrijven strijken steun op voor aanwervingen die ze sowieso van plan waren te doen) zal spelen. Wat zeker is, is dat het beleid op dit ogenblik vooral banen schrapt door haar besparingsbeleid. Zelfs bij een conservatieve inschatting komen we al snel op enkele duizenden arbeidsplaatsen uit.6

Het ziet er zeker op de korte termijn dus niet al te goed uit voor de werklozen. Een beleid gericht op het langer aan het werk houden van oudere werknemers zal dit nog moeilijker maken. In haar herfstnota 2014 geeft de VDAB dat open en bloot toe: ‘De verlenging van de (einde) loopbaan van uittreders kan zeker bij een langdurige, lage groei- en jobdynamiek de kansen van nieuwe intreders, vooral jonge schoolverlaters en werkzoekenden, verminderen. De daling van de instroom naar werk van werkzoekende jongeren de laatste jaren is wellicht het gevolg van het gecombineerd effect van de laagconjunctuur, de langere werkzaamheid van oudere werknemers en de geringe arbeidsvraag’. Het heeft lang geduurd, maar nu wordt het steeds meer toegegeven: op een weinig dynamische arbeidsmarkt kan langer werken de kansen van jongeren en werklozen fnuiken. In de volksmond: wat baat het ouderen te verplichten om langer te werken als er voor jongeren nog geen jobs zijn.7 Ook het optimisme van die arbeidsmarktprofeten die verkondigden dat we naar structurele tekorten dreigden te evolueren door de massale uitstroom van de babyboomers, is wat verstomd. De groei valt tegen, de besparingen verergeren de situatie nog en de overheden snoeien in de gesubsidieerde tewerkstelling…

SAMENGEVAT

Het Banenpact dreigt voorlopig zijn naam niet echt waar te maken: het zal niet alleen zeer waarschijnlijk geen pact zijn, omdat de werkgevers het overleg blokkeren; het zal ook niet veel banen scheppen. Dit mag niet leiden tot fatalisme, noch tot een afwachtende houding. Maar we zullen het niet klaren met ongewijzigd beleid.

Arbeidsmarktmaatregelen zoals deze in een (verbeterd) Banenpact zijn belangrijk en nodig, maar zullen niet voor de ommekeer zorgen. De evolutie van de werkloosheid in Europa volgt naadloos de evolutie van de groeivertraging. Het herstel van een investeringsdynamiek en van een koopkrachtige vraag zal daarom doorslaggevend zijn om het tij te kunnen keren. Een vergelijking tussen de EU-landen met de beste resultaten inzake werkloosheid (Duitsland en Oostenrijk) en de slechtst presterende landen (Griekenland en Spanje), toont aan dat het verschil gelegen is in hun groeiprestaties. Wie de beste werkgelegenheidsresultaten voorlegt, scoort bovendien ook het best op sociale bescherming, zoals ontslagbescherming en hoogte van werkloosheidsuitkeringen.8 Een verdere aantasting van sociale bescherming - zoals vaak wordt aangeprezen onder het mom van een structurele arbeidsmarkthervorming - zou dan ook helemaal verkeerd zijn. De eerste sleutel voor een duurzaam werkgelegenheidsherstel is dan ook gelegen in een politiek van (duurzame) groei, al mogen we geen wonderen verwachten. Het ziet er immers niet naar uit dat we binnen afzienbare tijd naar voldoende groei tenderen waarbij de marksectoren de nodige jobs zullen scheppen zodat het enkel kwestie is van jongeren en werklozen klaar te stomen in de juiste richtingen.

We zullen ook moeten blijven inzetten op directe jobcreatie, ook in de niet- marktsectoren. Het voorbeeld van de dienstencheques bewijst dat de overheid de ontwikkeling van diensten kan stimuleren met robuuste tewerkstellingsresultaten voor laaggeschoolden en werklozen. Maar ook daar is er weinig hoop vanuit de regering te verwachten. De verplichting voor dienstenchequebedrijven om voor 60% te rekruteren uit bepaalde kansengroepen werd al afgeschaft en het in het regeerakkoord beloofde groeipad voor de sociale economie werd onlangs alweer geschrapt, althans minstens voor de komende twee jaar.

Derde sleutel: arbeidsherverdeling. Het Europees Vakbondsinstituut stelt vast dat de groei in tewerkstelling die in de meerderheid van lidstaten werd geobserveerd, het gevolg is van arbeidsherverdeling eerder dan van toename van arbeidsvolume. Met die kanttekening, dat het vaak het gevolg is van een toename van onvrijwillig deeltijds werk en mini-jobs.9 We stipten het al aan: arbeidsherverdeling moet terug op de agenda. Al beseffen we dat in de huidige politieke context een stand still op dit vlak al hoog gemikt is.

Jean-Marie De Baene
Hoofd studiedienst Vlaams ABVV

Noten
1/ Frank Vandenbroucke, in: De Morgen, 04/02/2015.
2/ VVSG.
3/ OECD Employment Outlook 2014, p.17.
4/ Zie: Steunpunt Werk en Sociale Economie.
5/ ‘Terugblik op de Vlaamse arbeidsmarkt. Ontwikkelingen sinds de jaren tachtig.’ WSE-rapport 2015 nr.1, pp. 58- 59.
6/ Er zijn verschillende schattingen over het jobverlies door de besparingen van de Vlaamse regering. De Teller.be (sp.a) heeft het over een 15.000 bedreigde/verloren jobs. Het Vlaams regeerakkoord (2014) maakt zelfs gewag van 1950 jobs minder binnen de Vlaamse administratie.
7/ Daar bestaat uiteraard geen consensus over. Op de vraag of de afwezigheid van jobs geen valabel argument is tegen het activeren van bruggepensioneerden, reageert Jan Denys, arbeidsmarktdeskundige bij Randstad in De Tijd (19/3/2015): ‘Dat is een heel flauwe en domme redenering. Mensen die zulke dingen beweren, begrijpen niet hoe de arbeidsmarkt in elkaar zit. Net door systemen als het brugpensioen vinden 50- plussers geen werk, want ze werken stigmatiserend.’
8/ ‘Benchmarking Working Europe 2015’ - European Trade Union Institute, pp. 25-26.
9/ ‘Benchmarking Working Europe 2015’ - European Trade Union Institute, p. 24.

Banenpact - arbeidsmarkt - werkgelegenheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 4 (april), pagina 75 tot 81