Abonneer Log in

'Dit kan niet waar zijn'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 83 tot 85

Dit kan niet waar zijn

Joris Luyendijk
Atlas Contact, Amsterdam, 2015

De financiële crisis van 2008 en volgende jaren heeft een ravage aangericht: banken stonden aan de rand van het faillissement, moesten gered worden met belastinggeld, overheden kwamen in budgettaire problemen en de wereldeconomie sukkelde in een recessie. Ook de reputatie van banken en bankiers ondervond veel schade. Niet echt verwonderlijk, als een sector die de neiging heeft zichzelf bloedserieus te nemen producten op de markt blijkt te brengen waarvan ze zelf de risico’s zelf niet begrijpen, laat staan beheersen, en die dan met een air van deskundigheid en autoriteit verkoopt aan klanten die er nog veel minder van begrijpen. Het valt ook moeilijk uit te leggen waarom de belastingbetaler zou moeten opdraaien voor instellingen die zich bezig houden met absurde vormen van speculatie zoals flitshandel, waarbij met behulp van computerprogramma’s aandelen gekocht en binnen de seconde weer verkocht worden. Het aan het licht komen van het ‘liborschandaal’ (een clubje topfinanciers dat zichzelf al meer dan 20 jaar verrijkte door het manipuleren van een belangrijke standaardrentevoet) was ook al niet bevorderlijk voor de aaibaarheid van bankiers. Zouden medewerkers van banken zich nu schuldig voelen, zich uit eerlijke schaamte gedeisd houden en massaal op zoek zijn naar een andere werkgever? Of blijven ze ervan overtuigd dat ze niets verkeerd gedaan hebben? Of nog: zijn het gewetenloze, door hebzucht gedreven slechteriken die zich niets aantrekken van de eventuele schade die ze aanrichten?

Journalist en antropoloog Joris Luyendijk verdiepte zich twee jaar lang in de Londense ‘City’, het kloppende financiële hart waar zich een grote concentratie van nationale en internationale banken, verzekeringsmaatschappijen, beleggingsfondsen, enzovoort bevindt. Hij sprak er met zo’n 200 werknemers en ex-werknemers, en op basis van deze interviews verzorgde hij een blog bij de Britse krant The Guardian en schreef hij columns in NRC Handelsblad en De Standaard. En nu is er dus het boek. Luyendijk slooft zich niet uit om de lezer duidelijk te maken hoe de financiële sector werkt en welke rampzalige constructies de zaken lieten ontsporen. Hij concentreert zich op de menselijke factor, op de individuen die achter de marmeren gevels van prestigieuze kantoorbuildings hun brood verdienen met het bedenken en verkopen van beleggingsproducten, of met het adviseren van kapitaalbezitters over geldzaken. ‘De’ bankier bestaat natuurlijk niet, net zomin als ‘de’ ambtenaar of ‘de’ politicus bestaat. Er zijn ook zeer verschillende segmenten binnen de rijk gevarieerde wereld van het grote geld. Aandelenhandelaars doen heel andere dingen dan zakenbankiers die fusies en overnames regelen, en de wiskundigen die ingewikkelde beleggingsproducten bedenken hebben weinig gemeen met ‘compliance officers’ die verondersteld worden om te kijken of alles binnen de bank wel volgens de regels gebeurt en of er geen onverantwoorde risico’s genomen worden.

Luyendijk ontwikkelt vanuit de losse pols een soort van typologie en geeft zijn types tot de verbeelding sprekende namen zoals ‘tandenknarsers’, ‘Masters of the Universe’, ‘waanbankiers’ en ‘koele kikkers’. Wat precies de criteria zijn om tot een klasse te worden gerekend, is niet erg duidelijk en het doet er ook niet toe: de boodschap is vooral dat er vogels van velerlei pluimage bij zitten. Dus ook geldwolven, cynici, machtswellustelingen en onverantwoordelijken, maar die heb je nu eenmaal in alle organisaties. Dat sommige van die weinig sympathieke types zich eerder aangetrokken voelen tot de financiële sector dan tot pakweg de auto-industrie of de ambtenarij of de zorgsector is best mogelijk, maar daar spreekt Luyendijk zich ook niet over uit. Wel heeft hij het over een bedrijfscultuur die kortetermijndenken en eigenbelang in de hand werkt. Hoge lonen en nog hogere bonussen die gebaseerd zijn op het halen van ambitieuze omzetcijfers, en een hire-and-fire omgeving waarbij om het even wie op om het even welk moment een telefoontje van ‘boven’ kan krijgen dat onmiddellijk ontslag inhoudt, zonder enige vooropzeg of bescherming. In zo’n omgeving is het niet verwonderlijk dat werknemers weinig loyaliteit voelen naar hun werkgever en helemaal niet bekommerd zijn om het welzijn op langere termijn van de onderneming waarvoor ze werken. Dit betekent overigens niet dat ze geneigd zijn om de interne keuken en de eventuele wanpraktijken van hun bank te grabbel te gooien aan outsiders via de media of zelfs aan de toog. Er geldt een strikte code of silence, en wie die doorbreekt verliest niet alleen zijn eigen job maar zal het ook zeer moeilijk hebben om ergens anders binnen de financiële sector aan de slag te kunnen.

In zijn laatste hoofdstuk (veruit het sterkste van het boek) komt Luyendijk tot de onvermijdelijke conclusie dat de nefaste bijwerkingen van de financiële sector niet veroorzaakt worden doordat bankiers onverantwoordelijke slechteriken zijn. De werkelijkheid is veel erger. Het financiële systeem blijkt onbestuurbaar. Luyendijk gebruikt het beeld van een lege cockpit. De grootbanken zijn ‘too big to fail’ en daarom hebben overheden geen andere keuze dan ze te redden als ze in problemen komen. Ze verenigen activiteiten met tegengestelde belangen onder één dak, en wat ze doen ontsnapt voor een groot deel aan overheidscontrole omdat ze uiterst mobiel en complex zijn. De remedies zijn gekend en lijken eerder simpel: splits de verschillende bankactiviteiten, verhoog de kapitaalbuffers, verscherp het toezicht. Maar dat gebeurt niet. Is er te veel belangenverstrengeling tussen politici/partijen en banken? Of ontbreekt het gewoon aan slagkracht en middelen om een grondige hervorming van de financiële sector af te dwingen? Waarschijnlijk spelen beide factoren een rol. Als de politiek er niet in slaagt om de macht te heroveren op de internationale financiële sector dan is ze al bij voorbaat medeplichtig aan de volgende bankencrash. En die komt er zeker.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 83 tot 85