Abonneer Log in

De uitgestelde crisis van het democratische kapitalisme

boekessay

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 79 tot 85

Het boek Buying Time. The Delayed Crisis of Democratic Capitalisme(2014) van de Duitse socioloog Wolfgang Streeck was een echte ervaring voor me. De originele Duitse versie verscheen in 2013. Deze zomer las ik de Engelse vertaling ervan, tijdens de (voorlopige) afloop van de Griekse crisis. Die wordt in het boek haarfijn voorspeld. Meteen wordt duidelijk dat dit onze, ons aller crisis is. Kapitalisme en democratie zijn incompatibel geworden - het is Streecks kernstelling (2014:5). Rechtsstaat en volkssoevereiniteit vormen samen democratie. Volgens Streeck is de volkssoevereiniteit verdwenen, vervangen door het bewind van een mondiale dominante klasse, een ‘corporatistische plutocratie’. Van democratie rest een combinatie van rechtsstaat en volksvermaak.

Dit boek is een uitwerking van de Adorno-lezingen. Wolfgang Streeck gaf die in 2012. Dat verklaart waarom zo uitgebreid wordt verwezen naar het werk van de Frankfurtschool; in het bijzonder naar de theorie van de legitimeringscrisis. Die theorie - uit de jaren 1960, 1970 - stelde dat het kapitalisme weldra over zijn contradicties zou struikelen, niet meer kon voldoen aan de stijgende verwachtingen van de mensen, daarom legitimiteit zou verliezen en worden afgeserveerd. De neoliberale kering van de jaren 1970 heeft die theorie op een wel bijzonder spectaculaire wijze in het ongelijk gesteld.
Toch neemt Streeck er een belangrijk element van over, namelijk de noodzaak van een soort equilibrium tussen enerzijds de economische mogelijkheden en anderzijds de verwachtingen die zich via de democratie kunnen vormen en uiten. Terwijl hij die stelling aan de legitimeringstheorieën ontleent, draait hij deze theorieën als het ware op hun kop. Het evenwicht werd verstoord, het bestaande systeem verlaten. Niet omdat de arbeiders legitimiteit aan het kapitalisme onttrokken, maar omdat de kapitalisten het in de naoorlogse periode gegroeide equilibrium - het sociaal ingebedde kapitalisme - verwierpen.

DE ANALYSE VAN DE NEOLIBERALE KERING

In lijn met de door Streeck gekozen politiek-economische benadering en klasse-analyse, situeert hij de verklaring voor die kering in de motieven van de kapitalisten.

Het na de Tweede Wereldoorlog gegroeide, sociaaldemocratisch gebreidelde kapitalisme, met verzorgingsstaat, beperking van ongelijkheid, beschermende arbeidswetgeving… werd door de kapitaalhouders als een al te beklemmend keurslijf ervaren. Zij wilden meer vrijheid en grotere winsten (dingen die nogal eens samengaan voor wie veel geld heeft). Maar als het sociaal gebreidelde kapitalisme snel zou worden afgebouwd - de werkende mensen snel minder en de kapitaalhouders snel meer zouden krijgen - vreesde men legitimiteitsproblemen, protesterende burgers en politieke reacties (36). Daarom werd ‘tijd gekocht’. Eerst door hoge inflatie toe te laten, dan door publieke schuld op te bouwen, daarna - na een daartoe nodige versoepeling van de regels die het gedrag van banken reguleren - door privéschulden de hoogte te laten inschieten. Die mechanismen schiepen illusoire groei, in de volksmond ‘leven boven zijn stand’. Op die manier werd ‘tijd gekocht’, een hardere confrontatie uitgesteld, tussen een economie die steeds meer is afgestemd op het voordeel van kapitaalhouders en een democratie die uiting had kunnen geven aan het ongenoegen van de mensen.

De middelen om tijd te kopen, en vooral de overgang van het ene middel naar het volgende, leidden volgens Streeck als vanzelf tot de afbouw van het sociaaldemocratisch gedisciplineerde kapitalisme. Het beëindigen van de (relatief) hoge inflatie leidde tot het verhogen van (structurele) werkloosheid en via die weg tot het breken van de macht en het uitdunnen van de aanhang van de vakbonden. Het saneren van de overheidsfinanciën leidde tot de afbraak van de verzorgingsstaat en de privatisering van diensten die voorheen op een collectieve grondslag werden aangeboden. Het omgaan met de overheidsschuld - en hier illustreert Griekenland perfect de argumentatie van Streeck - leidt tot een verschuiven van politieke macht van nationale overheden naar een niet aan democratische controle onderworpen financiële diplomatie van mondiale kapitalisten.

Die verschuiving van democratie naar de macht van een plutocratie wordt expliciet bepleit op basis van economische theorieën die stellen dat democratie onvermijdelijk tot spilzucht, overspending leidt (47-48). Streeck verwerpt dat argument. Hij wijst erop dat de openbare schuld het snelst toenam na 2008. Dus niet onder invloed van democratisch geformuleerde eisen, maar wel om banken - too big to fail - uit de wind te zetten. Niet de democratisch geformuleerde eisen van bevolkingen, wel de ingewilligde eisen van kapitaalhouders en banken dragen in belangrijke mate bij tot de overheidsschuld (52-53). Streeck verwijst naar onderzoek dat aantoont dat hoe groter de financiële sector van een land, des te groter de toename van de openbare schuld. Hij wijst ook op het cynische van de ‘cyclus’ die aldus ontstaat: eigenlijk betalen de rijken te weinig belastingen, daardoor moeten de overheden grof lenen, dat laat de rijken toe veilig te beleggen, omdat men erop rekent dat overheden (in feite de belastingbetalers) altijd wel zullen worden gedwongen hun schulden te vereffenen (76-78).

Ten gevolge van de neoliberale kering veranderde de wijze waarop de opbrengst van het werk wordt verdeeld. Tussen het einde van WOII en het midden van de jaren 1970 volgden inkomen en gezinsinkomen ongeveer de productiviteitswinst. Na 1975 stagneren die inkomens nagenoeg terwijl de productiviteitswinst verdubbelt. We werken harder en beter en met meer mensen, maar geven de opbrengst daarvan aan een heel kleine groep van superrijken. Dat neoliberale regime werkt dus prima voor die superrijken. Maar na 2008 is de overheidsschuld in een aantal landen zo zorgwekkend groot dat de crediteuren vrezen voor hun geld, hun ‘vertrouwen verliezen’. Zij zijn inmiddels uitgegroeid tot een nieuwe macht die in staat is de staten verdere leningen te ontzeggen en op die manier op de knieën te dwingen. Doorgaans komt de knieval trouwens vooraleer moet worden gedwongen. Behalve bij die weerbarstige Grieken. Vermetel genoeg om het volk te raadplegen. Stel je voor, naar de mensen luisteren! Not done, in deze nieuwe wereld. Het werd kordaat afgestraft. De stem van de hysterische Guy Verhofstadt, die van de burgermanifesten nochtans, sloeg door, in het Europese parlement en in gebrekkig Engels.

Wolfgang Streeck maakt het pertinente onderscheid tussen ‘staatsvolk’ (de burgers van een demos) en het ‘marktvolk’ (2014:80). Daar waar het staatsvolk mogelijk enige (maar in feite steeds minder) invloed kan uitoefenen via opinie en verkiezingen, doet het marktvolk dat veel gevolgrijker via de rente op leningen aan overheden. De bedoeling van het marktvolk is, volgens Streeck, zich zoveel mogelijk aan democratische controle te onttrekken en ervoor te zorgen dat ze rente krijgen op hun leningen en worden terugbetaald. Daarom willen ze de macht van staten ondergraven en een nieuwe macht vormen. Een soort nieuwe dominante klasse die boven de staten staat: een niet-democratische, kosmopolitische regering.

De governance van deze nieuwe dominante klasse omvat onder meer dat landen leningen moeten krijgen om de reeks gemaakte leningen terug te betalen. De schulden worden van de privésector afgekocht door de centrale banken en aldus ten laste gelegd van de belastingbetaler. Falende banken, ook al opereerden ze op een onverantwoorde wijze, worden niet genationaliseerd, maar geholpen en uit de wind gezet. Staten die insolvent zijn, laat men niet toe te falen. Zij moeten alles doen om hun crediteurs te betalen. De (onmondige) burgers in de minder door schulden beladen landen worden verplicht solidair te zijn, terwijl de burgers van de schuldenaar-landen verplicht worden zwaar te snoeien in hun sociale voorzieningen en sociale rechten (93-94). Een beter recept om nijdige en kleingeestige vormen van nationalisme te stimuleren (‘hardwerkende Duitsers’ versus ‘luie, sjoemelende Grieken’, Merkel als nazi en andere onzin) is moeilijk denkbaar.

MANKEMENTEN VAN DEZE ANALYSE

Het is zonder meer een verhelderende analyse. Toch dienen een aantal belangrijke mankementen te worden aangewezen.

Doet de sequentie inflatie-openbare schuld-privéschuld zich overal voor, zoals Streeck suggereert, of zijn er belangrijke cross-nationale variaties? Bijvoorbeeld in België was de openbare schuld voor 2007 in vergelijking met andere landen al bijzonder hoog en is de toename vanaf 2008 relatief klein. De regering-Di Rupo toonde ook aan dat het mogelijk is een (relatief gezien) meer dan behoorlijk niveau van economische groei te behouden, zonder pijnlijk in de sociale voorzieningen te snoeien. Het neoliberale regime heeft uiteraard een impact op de verzorgingsstaat. Maar ook hier stelt zich de vraag: is die impact overal even groot en overal in de westerse wereld (waarover het boek handelt) van dezelfde aard?

In verband met die impact spreekt Streeck van de tweederdemaatschappij (6). Maar geldt die diagnose overal? Om het neoliberale regime te schetsen, grijpt Streeck dikwijls naar het voorbeeld van de Verenigde Staten. Zijn expliciet geformuleerde stelling is dat wat daar gebeurt de voorbode is van wat ons allemaal te wachten staat. Hij betoogt eveneens - in tegenstelling tot onder meer Joseph Stiglitz - dat het onderscheid tussen verschillende soorten kapitalisme overdreven is, dat het hedendaagse kapitalisme overal ter wereld fundamenteel hetzelfde is, dus overal dezelfde economische, politieke, sociale en culturele tendensen vertoont. Dat is een verstrekkende stelling. Zij verdient nauwkeuriger te worden onderzocht en onderbouwd dan Streeck doet in dit boek. Er is, kortom, weinig aandacht voor cross-nationale variatie en voor de wijze waarop deze ook licht zou kunnen werpen op mogelijkheden om het neoliberale regime te keren of daaraan alleszins beter weerstand te bieden.
De analyse van Streeck is een klasse-analyse. Hij maakt van de kapitaalhouders een klasse en een actor. Het zijn de belangen van die actor die de geschetste ontwikkeling stuwen en sturen. Die analysewijze heeft naast de voordelen (manifest in dit boek), ook manifeste gebreken. Deze zijn verantwoordelijk voor de twee blinde vlekken van dit boek.

De gevolgen van de neoliberale omslag worden mooi beschreven. De vragen waarom en hoe die omslag er zo makkelijk en met zo weinig weerstand kwam, blijven grotendeels onbeantwoord. Er is de suggestie dat in de jaren 1970 de economie vertraagde, de vakbonden wel bijzonder hoge eisen stelden, de werkende mensen erg gulzige consumenten werden en de arrangementen van de verzorgingsstaat al te gul waren geworden. Misschien stapten verantwoordelijke politici daarom zo gemakkelijk met de neoliberalen mee, hopend dat de vrije, zelfregelende markt voor voldoende groei zou zorgen opdat middelen voor de verzorgingsstaat zouden kunnen worden afgeroomd.

Volkomen overtuigend is die verklaring niet. Sommige kernelementen van de neoliberale kering, bijvoorbeeld het opgeven van Bretton Woods en de aanzet tot de financialisering van de economie (het groeiende belang van financiële motieven, actoren en markten en hun ontoereikende regulering), het mogelijk maken van onverantwoord gedrag van de banken, werden niet door de hoge eisen van vakbonden of de kosten van de verzorgingsstaat geïnspireerd. Volgens Streeck is de schuldenstaat er ook gekomen omdat degenen die het meest profijt hadden bij de kapitalistische economie te weinig hebben bijgedragen aan de gemeenschap. Volgens hem hadden sociaaldemocraten hen zwaarder moeten belasten, de financiële markten strakker moeten reguleren en de ongelijkheid verkleinen (74-75). Maar ze deden dat niet. Waarom niet? Het neoliberale verhaal ondervond verbazend weinig weerstand. Het sneed door de geesten en de instellingen als een heet mes door boter.

PESSIMISTISCH BOEK

De vragen waarom en hoe dat gebeurde, blijven in het boek grotendeels onbeantwoord. Die antwoorden zijn nochtans belangrijk. Niet alleen om te begrijpen wat er is gebeurd, maar ook om het neoliberale tij te keren. Over die laatste mogelijkheid is Streeck herhaaldelijk onversneden pessimistisch (bv. 117-134). Ook voor Europa is zijn toekomstbeeld bleek en bitter:
‘(…) the only hope for the continued cohesion of the Brussels bloc of states is neoliberal ‘structural reform’ combined with the neutralization of national democracies through supranational institutions’ (146).

De twee grote mankementen van het boek - gebrek aan inzicht in het hoe en waarom van de neoliberale kering en in de strategieën die moeten worden ontwikkeld om de democratie te redden en het kapitalisme weer te breidelen - vloeien volgens mij voort uit de door Streeck gekozen analysewijze. Deze heeft geen of weinig aandacht voor de vorming van houdingen en opvattingen. Deze herleidt de mogelijkheid te handelen tot de stuwende en oriënterende kracht van belangen. Dat betekent niet dat Streeck geen belang hecht aan opvattingen, opinies, zienswijzen, kortom cultuur. Integendeel, er is volgens hem binnen Europa meer autonomie van de staten nodig, precies omdat deze een geschiedenis, identiteit, sociale en culturele eigenheid hebben (181).

Dichter bij de kern van zijn boek, verklaart Streeck het gebrek aan weerstand tegen de neoliberale kering door culturele factoren, met name door de brede aanvaarding van de stellingen die mensen receptief maakt voor het neoliberalisme, los van en dikwijls tegen hun persoonlijke belangen in (31). Hij gaat echter niet systematisch en empirisch onderbouwd in op wat die stellingen dan wel zijn, hoe zij werden verspreid en hoe wijd verspreid ze daadwerkelijk zijn. Eigenlijk redeneert Streeck functionalistisch op basis van een klasse-analyse: de houdingen die het best de belangen van de kapitaalhouders dienen, zullen wel breed verspreid zijn.

WAAR ZIJN DE TEGENSTRATEGIEËN?

Daarom worden over de wijze van verspreiding van die opvattingen in het boek wat lapidaire opmerkingen geformuleerd, maar geen empirische analyses gemaakt of gepresenteerd. Zo wordt verwezen naar de invloed van marketing (31) en van de cultuurindustrie (159). De corporate plutocracy koopt politici, partijen, parlementen en de publieke opinie (159), alsof het zo eenvoudig is hegemonische invloed te verwerven. De mensen hebben, volgens Streeck, de onzekerheid die voortvloeit uit het neoliberale beleid aanvaard (31). De lage en dalende deelname aan verkiezingen interpreteert Streeck als een uiting van resignatie (55). Van wat Streeck omschrijft als ‘de surplus bevolking’ - het verliezende derde - beweert hij dat ze politiek nog weinig participeren omdat ze geleerd hebben dat politiek een middenklassenbedrijf is. Volgens Streeck ontleent die surplus bevolking zijn wereldbeeld aan de vermaaksindustrie (117). Hij spreekt daarnaast van de neo-Protestantse middenklasse (117): de groep die veel wil investeren in werk én in de kinderen. Hij beschouwt deze groep als een politieke steun voor neoliberaal beleid (117).

Geen van die boude uitspraken over cultuur en mentaliteit worden onderbouwd. Op basis van mijn kennis van de opvattingen van de Vlamingen en Belgen heb ik de indruk dat die uitspraken niet alleen speculatief en ongenuanceerd, maar ook grotendeels verkeerd zijn. Nochtans schuilt in kennis van de mate waarin de aannames van het neoliberalisme door de publieke opinie worden gedragen - van de mate waarin mensen bijvoorbeeld geloven dat marktuitkomsten inherent rechtvaardig zijn en politieke uitkomsten onrechtvaardig - een sleutel tot het uitbouwen van een mogelijk succesrijke tegenstrategie. De taak tegenstrategieën uit te bouwen op basis van een combinatie van politieke economie en cultuursociologie, ligt nog volkomen braak.

TOCH EEN AANZET: GEMEENSCHAPSAFBAKENING

Streecks pessimisme, gekoppeld aan een gebrek aan empirisch onderbouwde aandacht voor tegenstrategieën, maakt dit boek bijzonder somber. Gitzwart en declinistisch. Waarschijnlijk besefte Streeck dat. Naar het einde van zijn boek toe vindt men in elk geval wat meer aanzetten tot een alternatief en een tegenbeweging. Deze draait rond gemeenschapsafbakening.

Het vestigen van democratische controle over de economie veronderstelt een als demos georganiseerde maatschappelijke gemeenschap en dus een mate van integriteit en afbakening van die gemeenschap. Een belangrijk, doorslaggevend argument voor gemeenschapsafbakening is dat er inmiddels wel ‘wereldburgers’ bestaan - de creditoren van de staten, het ‘marktvolk’- terwijl het staatsvolk buitenspel wordt gezet. Het conflict tussen die twee draait in grote mate rond de politieke betekenis van gemeenschap. Het marktvolk - wel mondiaal, maar eigenlijk geen burgers - oefent via ratings en de zogeheten kredietwaardigheid van staten een grote invloed uit ten koste van de burgers van de naties (81). Het marktvolk is niet gemeenschapsgebonden. Zij sluiten contracten met de politiek georganiseerde gemeenschappen en streven daarom, uiteraard, naar een macht die boven die gemeenschappen staat en de contracten (indien mogelijk in hun voordeel) doet respecteren. Zij leven in een wereld van contracten en juristen, niet in een wereld van binding, gemeenschap, loyauteit en solidariteit.

Het boek van Streeck toont aan dat die macht, een kosmopolitische heersende klasse of power elite daadwerkelijk bestaat. In zijn inleiding zegt Streeck dat hij tijdens zijn studentenjaren niet veel op had met de theorieën die hij in Frankfurt over zich heen kreeg: ‘(…) more often than not I missed the kind of wordly realism to be found in a book such as C.Wright Mill’s The Power Elite. Zo’n boek zou nu inderdaad over de kosmopolitische machtselite moeten worden geschreven.

Streeck verwijst (97 e.v.) naar het inmiddels beruchte artikel van Hayek waarin deze stelt dat een sociaal en economisch beleid onder democratische controle gemakkelijker te voeren is in een gemeenschap die historisch gegroeid is, een gevoel van identiteit heeft omdat daar een gevoel van binding, saamhorigheid en solidariteit kan uit voortvloeien. Eenheden die zich daaraan onttrekken, die gemeenschapsafbakening overschrijden, neigen er volgens hem onvermijdelijk toe te liberaliseren, gestuurd te worden door marktkrachten. Daarom dromen zoveel volgelingen van Hayek van een Verenigde Staten van Europa. In de strijd voor democratie tegen marktdominantie is gemeenschapsafbakening volgens die stelling van doorslaggevend belang. Geen gemeenschapsafbakening, geen democratie, geen burgers, enkel markt, marktvolk en schrijnende ongelijkheid.

De aanzetten tot een road map die Streeck op het einde van zijn boek biedt, hebben bijna allemaal te maken met (strakke, niet zelden radicale vormen van) gemeenschapsafbakening:

  • Echte nationale soevereiniteit betekent dat men zich boven schulden kan plaatsen (162);
  • Een werkbaar Europa moet meer autonomie aan de staten bieden (179);
  • Landen moeten het recht op devaluatie behouden (181-182);
  • De euro is een stommiteit (185). Er zijn maar twee mogelijkheden: de vlucht vooruit of terug naar de nationale munten. De vlucht vooruit - meer politieke eenheid in Europa - zou het niet democratische, ongebreidelde kapitalisme consolideren. De vlucht vooruit zou Europa en de wereld verhayek-en. Streeck is eerder voorstander van een terugkeer naar nationale munten en een soort Europees Bretton Woods. Hij is daar zeer radicaal in: ‘An exit from the European single currency would mean the start of a policy drawing boundaries against so-called globalization’. (187)

Mark Elchardus
Redactielid Samenleving en politiek

*De limieten van de markt. *
De slinger tussen overheid en kapitalisme
Paul De Grauwe
Lannoo, Tielt, 2014

economie - democratisch kapitalisme - Streeck Wolfgang

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 79 tot 85