Log in

'Inequality'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 89 tot 91

Inequality

Anthony Atkinson
Harvard University Press, Harvard, 2015

Met boeken over ongelijkheid kun je tegenwoordig de straten plaveien, maar naar het nieuwe boek van Anthony Atkinson werd met bijzonder veel gretigheid uitgekeken. Inequality. What can be done? werd dan ook aangekondigd als het ‘vervolg’ op Piketty’s besteller Kapitaal. Als Piketty de jeune premier van het moderne ongelijkheidsonderzoek is, dan is Atkinson de peetvader. Voor heel wat onderzoekers is hij de man die de studie naar ongelijkheid terug centraal in het wetenschappelijke economische werk plaatste. Bovendien is het epitheton ‘toekomstig Nobelprijswinnaar’ nooit ver weg wanneer zijn naam over de tongen rolt.

Het leeuwendeel van het boek is gefocust op de vraag hoe samenlevingen zich moeten organiseren om de groeiende ongelijkheid een halt toe te roepen. In een heldere maar geëngageerde stijl stelt hij op basis van wetenschappelijke bevindingen een combinatie van maatregelen voor die tezamen de ongelijkheid kunnen terugbrengen tot redelijke proporties. Redelijk is daarbij het ordewoord: Atkinson is revolutionair noch tafelspringer, maar besteedt bijzonder veel aandacht aan de politieke en technische haalbaarheid van zijn voorstellen.

In de eerste hoofdstukken laat Atkinson de lezer kennismaken met het wetenschappelijke denken over ongelijkheid, waarbij een helder onderscheid tussen ‘gelijkheid van uitkomsten’ en ‘gelijkheid van kansen’ wordt gemaakt, biedt hij een staalkaart van de ongelijkheidsevoluties in moderne welvaartsstaten, en introduceert hij de verschillende methodes om ongelijkheid te maken en de verschillende databronnen die daarvoor bruikbaar zijn. Alleen al voor deze spoedcursus ‘wat is ongelijkheid’ zou dit boek verplichte kost moeten zijn voor al wie zich in het openbaar over de materie wil uitspreken.

Atkinson stelt - zeer terecht - dat wie ongelijkheid bestudeert niet enkel mag focussen op het midden van de inkomensverdeling zoals dat vaak wordt gemeten door middel van de Gini-coëfficiënt, maar dat je de volledige inkomensverdeling in ogenschouw moet nemen. Dat is een cruciaal inzicht. Heel wat mensen (en niet alleen rechtse economen) zijn geneigd om te focussen op armoede, en dus wat er gebeurt aan de onderkant van de inkomensverdeling. Daaruit volgt impliciet (of soms zelfs expliciet) dat ongelijkheid op zich niet belangrijk is: het gaat er om de bodem op te tillen, niet om de top af te remmen. Atkinson weerlegt dat argument door de empirische link te leggen tussen de one percent (de top van de inkomensverdeling die zich verwijdert van de rest van de samenleving) en armoede (de bodem van de inkomensverdeling). Wat gebeurt aan de top heeft implicaties voor de beleidsruimte die ontstaat aan de onderkant. Zeker voor België is dit erg relevant, want ons land combineert een lage inkomensongelijkheid zoals gemeten door het Gini-coëfficiënt met relatief hoge armoedecijfers.

In de daaropvolgende hoofdstukken stelt Atkinson een batterij van maatregelen voor die - tezamen - de groeiende ongelijkheid een halt moeten toeroepen. Daarbij passeren niet alleen de usual suspects zoals herverdeling en fiscaliteit de revue, maar ook wat er plaatsgrijpt alvorens de mechanismen van de welvaartsstaat in werking treden. En dat betekent ingrijpen op de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld waarborgen van voldoende loon naar werken), ingrijpen door middel van regelgeving (bijvoorbeeld in de financiële sector, maar ook het aan banden leggen van CEO-lonen), en ingrijpen bij het doorgeven van rijkdom binnen het gezin (een nieuwe manier om naar erfrecht te kijken).

Voor wie vertrouwd is met de Belgische situatie (maar ook de situatie in heel wat andere Scandinavische en continentale welvaartsstaten) zullen sommige andere voorstellen erg bekend in de oren klinken. Zo pleit Atkinson onder meer voor het installeren van sociaal overleg op centraal niveau, voor een sterke rol voor vakbonden, een voldoende hoog minimumloon, een sterke sociale zekerheid en kinderbijslag. Inderdaad, allemaal zaken die bij ons min of meer in voege zijn (wat overigens niet wil zeggen dat ze voor altijd verworven zijn). Dat is meteen het grootse minpunt van het boek: het is geschreven voor een Angelsaksische beleidscontext.

Maar dat wil niet zeggen dat het gros van de beleidsvoorstellen niet relevant zijn. Ik pik er twee voorstellen uit die mijns inziens ook bij ons een toekomst kunnen hebben.

Ten eerste pleit Atkinson voor gegarandeerde tewerkstelling voor al wie wil werken, waarbij de overheid in die jobs moet voorzien en verlonen aan het minimumloon. Bovendien moet het mogelijk zijn deze jobs te combineren met een deeltijdse job elders. En het mag niet gaan om bullshit jobs: Atkinson ziet mogelijkheden in de zorg, onderwijs, administratie en dienstverlening. Financieel gaat het deels om een vestzak-broekzakoperatie: directe jobcreatie kost geld, maar betekent wel een besparing voor de sociale zekerheid; bovendien bouwen deze mensen sociale rechten op en betalen ze belastingen. De sociale tegenvoeter van de verplichte gemeenschapsdienst, dus. Bovendien is het een duidelijk signaal: werk is belangrijk in onze samenleving, en wordt ook als dusdanig gewaardeerd.

Ten tweede pleit Atkinson voor een andere kijk op erfenissen. Het overerven van rijkdom is een van de belangrijkste bronnen van ongelijkheid in onze samenleving. Hervormingsvoorstellen die pleiten voor een hogere belasting op erfenissen vallen doorgaans zeer slecht bij de publieke opinie. We willen onze kinderen vooruit helpen in het leven, en de staat heeft zich daar niet in te moeien: dat argument is dusdanig emotioneel geladen dat het elk debat over een hervorming van de fiscale behandeling van erfenissen onmogelijk maakt. Het voorstel van Atkinson kan een uitweg bieden: hij stelt voor om iedere jongere op hun achttiende een minimumerfenis mee te geven, een soort rugzakje dat iedere jongere de mogelijkheid zou geven om, bijvoorbeeld, een hypothecaire lening af te sluiten. Dit kan worden gefinancierd door een progressieve belasting op giften en erfenissen, maar dan berekend op basis van de levensloop en met een ondergrens: ouders kunnen bijvoorbeeld elk van hun kinderen kosteloos een duw in de rug geven doorheen hun leven; pas wanneer het duwtje een springplank wordt komt de fiscus aankloppen.

Maar wat is het belangrijkste inzicht van allemaal? Een grote mate van ongelijkheid is een politieke keuze, geen onwrikbare economische wetmatigheid. Lezen, dit boek.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 89 tot 91