Abonneer Log in

Hoe krijgen we meer solidariteit tussen generaties?

VRAGEN OVER SOLIDARITEIT

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 10 (december), pagina 46 tot 48 en pagina 57 tot 60

‘Na ons de zondvloed’: dat kan alleszins niet het devies van onze samenleving zijn met betrekking tot de toekomstige generaties. Het probleem is dat de belangen van de huidige generaties botsen met die van de toekomstige generaties, en dat op verschillende vlakken. Er is dus meer samenhang en solidariteit tussen verschillende generaties nodig. Maar hoe kunnen we dat bereiken?

VRAGEN OVER SOLIDARITEIT

Hoe genereus zijn we voor migranten en vluchtelingen?
Toon (Antoon) Vandevelde
Betekent meer diversiteit minder sociabiliteit?
Tim Reeskens
Wie verdient de steun van onze welvaartsstaat?
Tijs Laenen
Hoe geraken we voorbij de valse paradox tussen van onderuit en van bovenaf?
Stijn Oosterlynck
Hoe communiceren over solidariteit?
Eric Goubin
Hoe krijgen we meer solidariteit tussen generaties?
Danielle Zwarthoed

BELANGENCONFLICTEN TUSSEN GENERATIES: MILIEU EN ECONOMIE

Eén. Het belangenconflict tussen generaties is een belangrijk onderdeel van het milieuprobleem. Dat de huidige generaties meer produceren en consumeren, jaagt de klimaatverandering aan, zorgt voor meer vervuiling en voor roofbouw op niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen. Volgens experten heeft de capaciteit van natuurlijke ecosystemen stilaan een kritische grens bereikt.1 Dat wil zeggen dat de productie- en consumptiegewoontes van de huidige generatie een hypotheek dreigen te leggen op de capaciteit van toekomstige generaties om hun basisbehoeften te bevredigen en natuurrampen zoals droogtes, overstromingen en orkanen af te wenden.

Twee. Het belangenconflict tussen generaties heeft ook te maken met de economische keuzen die we als samenleving maken. Naarmate de demografische veroudering toeneemt, zal een aanzienlijk groter deel van de bevolking voor haar welzijn afhankelijk zijn van de economisch actieve bevolking. Om het huidige pensioenstelsel in stand te houden, zullen de jongere generaties wellicht meer belastingen moeten betalen en zullen de budgetten om de noden van jongeren te lenigen wellicht naar beneden moeten (d.w.z. bijvoorbeeld minder geld voor onderwijs, baantrajecten en bestrijding van de kinderarmoede). Er bestaat nu al flink wat ongerustheid in Europa over de gevolgen van het huidige begrotingsbeleid voor de toekomstige generaties. Het Europese Stabiliteit- en Groeipact is onder meer in de steigers gezet om die generaties niet op te zadelen met de schuldenlast van de vorige generaties. Dit gezegd zijnde, aan dat Pact ligt een tamelijk bekrompen visie op die schuldenlast en de intergenerationele solidariteit ten grondslag. Zij houdt immers geen rekening met publieke en private vermogens die worden overgedragen aan de toekomstige generaties. Ook dient men bij een correcte inschatting van wat aan die generaties wordt overgedragen, oog te hebben voor de manier waarop geleend geld door de overheid wordt gebruikt: gaat het om uitgaven die op korte termijn de consumptie aanwakkeren of om investeringen met een langetermijnkarakter? Schulden maken op kosten van de toekomstige generaties is niet per definitie nefast, en zeker niet als het bijvoorbeeld investeringen in onderwijs, geneeskunde, enzovoort betreft. Wel integendeel. We moeten eerder wakker liggen van het gebrek aan investeringen in publieke voorzieningen, dan van de hoogte van de schuldenlast uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product.2

Dit gezegd zijnde, moeten we er ook aan herinneren dat de jongere generaties in het Westen er op veel vlakken helemaal niet slecht voor staan. Zij leven vaak beter dan hun ouders: zij hebben een hogere levensverwachting, wonen in betere omstandigheden, profiteren van meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen, hebben makkelijker toegang tot het hoger onderwijs, en genieten van het comfort dat de nieuwe technologieën hen verschaffen. Dat neemt niet weg dat zij op langere termijn kunnen worden geconfronteerd met ernstige milieuproblemen of onderfinanciering van de publieke voorzieningen.

SOLIDARITEIT TUSSEN GENERATIES: EEN INGESTELDHEID

De solidariteit tussen de generaties wordt dus ondergraven door belangenconflicten die zich zowel op het economische als op het milieuvlak situeren. Hoe kunnen we die solidariteit een nieuwe impuls geven? Via welke maatregelen en hervormingen?

Om op die vragen een bevredigend antwoord te verzinnen, hebben we nood aan een correcte definitie van ‘solidariteit’. Met het begrip ‘solidariteit’ kunnen inderdaad twee verschillende zaken worden bedoeld: een bepaalde ingesteldheid of bepaalde institutionele mechanismen.
Wat het eerste betreft, gaat het om wat iemand (of een groep mensen) er toe brengt om zich te engageren en de persoon (of de groep mensen) waarmee men solidair is, te helpen. Deze vorm van solidariteit mag men niet verwarren met een altruïstische ingesteldheid. Een altruïstische persoon is bereid om zich op te offeren zonder een tegenprestatie te verwachten. Solidariteit is iets anders: zij impliceert wederkerigheid. Men voelt zich solidair met iemand en is bereid om die persoon te helpen, enkel en alleen omdat men ervan uitgaat dat hij of zij, indien nodig, hetzelfde zou doen. Solidariteit als ingesteldheid heeft bijgevolg te maken met vertrouwen. En dat vertrouwen, die gevoelens van solidariteit, kunnen zich tamelijk gemakkelijk manifesteren in kleine, hechte gemeenschappen waar mensen elkaar kennen en regelmatig ontmoeten.

Veel moeilijker is het om die gevoelens te doen ontluiken op het niveau van een land, omdat de mensen elkaar niet persoonlijk kennen en dat wederzijdse vertrouwen zich niet spontaan ontwikkelt. Dat is ook de reden waarom veel politieke filosofen3 geloven dat de overheid zo’n cultuur van wederkerigheid moet bevorderen, opdat solidariteitsgevoelens ook op landelijke schaal zouden kunnen ontkiemen. Een nog grotere uitdaging bestaat er natuurlijk in om solidair te zijn voorbij de landsgrenzen heen, met alle mensen van de wereld en met alle generaties.

Ook de aard van deze uitdaging is anders, afhankelijk van het feit of we te maken hebben met de (spontane) band tussen de huidige generaties, die met elkaar in aanraking komen (bijvoorbeeld de generatie van 1945 en die van 1985), of met de (niet-spontane) band tussen de huidige generaties en de toekomstige generaties (bijvoorbeeld de burgers van de 21ste eeuw en die van de 23ste eeuw). Solidariteit aanmoedigen tussen de huidige generaties lukt aanzienlijk beter dan solidariteit prediken met de toekomstige generaties. Dit gezegd zijnde, benadrukken sommigen dat de solidariteit tussen de huidige generaties eveneens onder vuur ligt. Vanzelfsprekend vindt men in veel families vormen van solidariteit tussen jong en oud; de ouders zorgen ervoor dat hun kinderen kunnen studeren; en die kinderen steken op hun beurt een handje toe wanneer de levensavond van hun ouders eraan komt. Maar, de solidariteit tussen generaties speelt zich niet alleen af in familieverband. Zij heeft ook te maken met de bereidheid van de oudere generatie om zich opofferingen te getroosten voor andermans kinderen, en voor de komende generaties. Zo worden oudere kiezers, die alsmaar talrijker worden en zich steeds meer inlaten met politiek, soms verantwoordelijk gehouden voor het kortetermijndenken dat zich meester heeft gemaakt van het economisch, sociaal en milieubeleid.4 Is dat verwijt terecht? Hebben de oudste kiezers de jongste kiezers in de steek gelaten?

Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat de beweegredenen van oudere kiezers complex zijn. Uit psychologische experimenten leren we dat de oudsten onder ons wel degelijk bekommerd zijn om het algemeen welzijn en het milieu, en meer dan jonge volwassenen geneigd zijn om nobele doelen financieel te steunen.5 Amerikaans onderzoek lijkt aan te geven dat ouderen die al lange tijd op een bepaalde plek wonen meer geneigd zijn om het onderwijs te financieren dan zij die er pas wonen.6 Laten we ons hoeden voor snelle conclusies, en voor karikaturale en dus foutieve opvattingen over de ingesteldheid en de beweegredenen van de oudere kiezers.

Wat weten we over de solidariteit tussen de huidige en de toekomstige generaties? Dat zij een aantal psychologische obstakels op haar weg ontmoet. Algemeen gesproken, hebben we een concreter beeld van de nabije toekomst dan van de verre toekomst. Op de toekomstige generaties kunnen we ‘geen gezicht’ plakken, en dus hebben we het moeilijker om te sympathiseren met hun zaak. En omdat we vrijwel niets over die generaties weten, weten we ook niet of we er kunnen op vertrouwen dat zij zich voor hun nakomelingen dezelfde opofferingen zullen getroosten. Het is die onzekerheid die onze motivatie aantast om te sparen voor een verre toekomst. Juist omdat gevoelens van solidariteit met toekomstige generaties op een psychologische barrière botsen, moeten we op zoek gaan naar oplossingen die ons toelaten om onze solidariteitsplicht ten opzichte van die generaties gemakkelijker te vervullen.

Welke oplossingen? Wel, we moeten onze levenswijze meer in overeenstemming brengen met de noodzaak om te sparen voor de toekomstige generaties. De overconsumptie van de huidige generaties (jonge en minder jonge) resulteert in de uitputting van onze natuurlijke hulpbronnen en bedreigt het milieu, dat weten we allemaal. Maar we moeten ook durven onder ogen zien dat een verspillende levensstijl niet alleen onze bereidheid om belastingen te betalen doet afnemen (en we dus niet langer investeren in de toekomst van onze infrastructuur, ons onderwijs en onze gezondheidszorg), maar ook overconsumptie van sommige door de overheid gefinancierde goederen (zoals geneesmiddelen) in de hand kan werken. Als we er zouden in slagen om zuiniger te leven, dan betekent dat wellicht ook dat we onze consumptiegewoonten in overeenstemming zouden kunnen brengen met de gewenste intergenerationele solidariteit.

SOLIDARITEIT TUSSEN GENERATIES: INSTITUTIONELE MECHANISMEN

Solidariteit tussen generaties is niet alleen een kwestie van ingesteldheid. Zij heeft ook te maken met institutionele mechanismen die door solidaire mensen worden vormgegeven. Zo kunnen herverdelingssystemen en financieringswijzen van de pensioenen, het onderwijs en de gezondheidszorg worden gezien als solidariteitsmechanismen. De welvaartsstaat is de moderne vorm van solidariteit waar we wellicht het meest mee vertrouwd zijn. Er bestonden en bestaan echter ook andere, min of meer geïnstitutionaliseerde vormen van solidariteit, zoals de solidariteit binnen het gezin of binnen bepaalde religieuze of culturele gemeenschappen, solidariteit op wijkniveau, syndicale solidariteit, enzovoort. Zoals John Rawls stelt, beantwoordt een herverdeling van de rijkdom - met sociale voordelen voor de zwakkeren - het best aan het ideaal van wederkerigheid. Hij beschouwt de samenleving als een vorm van rechtvaardige samenwerking tussen vrije en gelijkwaardige burgers.7

De intergenerationele solidariteit vormt inderdaad een specifiek probleem. Van (een cultuur van) wederkerigheid kan er bij die vorm van solidariteit moeilijk sprake zijn, aangezien voorgaande generaties - die zich opofferingen hebben getroost - er niet meer zullen zijn. De rechtstreekse nakomelingen kunnen zich bij die wederkerigheid nog wel iets voorstellen, maar verre nakomelingen niet. Om dat probleem te ondervangen moeten we een welbepaalde opvatting van wederkerigheid ingang doen vinden8, d.w.z. elke nieuwe generatie zou haar solidariteit kunnen betonen door bereid te zijn om zich dezelfde opofferingen te getroosten als de voorgaande generatie; niet om hun ouders te compenseren voor hun inspanningen, maar om de volgende generatie - hun kinderen dus - een toekomst te bezorgen. Met andere woorden: bij intergenerationele solidariteit speelt een ander mechanisme. Het gaat niet zozeer over herverdeling, dan wel over overdracht van bepaalde goederen.

Eerder hebben we gesteld dat met het begrip solidariteit twee verschillende zaken worden bedoeld: een bepaalde ingesteldheid of bepaalde institutionele mechanismen. Dat onderscheid lijkt misschien een beetje kunstmatig; want waarom zouden kiezers die deze solidaire ingesteldheid vertonen, ook niet meteen opteren voor bepaalde institutionele mechanismen? Bestaat het ene wel zonder het andere? Kom je wel eens mensen tegen die solidair zijn, maar niet moeten weten van solidariteitsmechanismen? Of omgekeerd, dat men opteert voor solidariteitsmechanismen, zonder het etaleren van gevoelens van solidariteit? Zowel het ene als het andere lijken me tot op zekere hoogte mogelijk, en wel om de volgende reden. Daar waar mensen in kleine, overzichtelijke gemeenschappen hun handelen laten dicteren door gevoelens van solidariteit en solidariteitsprincipes, gaapt er op het niveau van de staat vaak een kloof(je) tussen de wens om solidair te zijn en de politieke keuze die uitdrukking geeft aan die solidariteit.

Zuid-Afrika, ten tijde van het Apartheidsregime, vormt een zeer frappant voorbeeld op dat vlak. Op het eerste gezicht lijkt er in dat soort racistisch regime geen plaats te zijn voor een solidaire ingesteldheid. Niettemin heeft het onderzoek van Jeremy Seekings9 aangetoond dat er in Zuid-Afrika destijds - en dus reeds voor het einde van de Apartheid - wel degelijk ‘solidariteitsmechanismen’ bestonden, en dat er op sociaal vlak een genereus beleid werd gevoerd dat algemene toegang verzekerde tot het onderwijs en het pensioensysteem.10 Volgens Seekings had dat beleid niet zozeer te maken met een bepaalde ingesteldheid van de Zuid-Afrikaanse kiezers, maar wel met de Zuid-Afrikaanse geschiedenis en de werking van de Zuid-Afrikaanse instellingen (bijvoorbeeld de centralisering). Met andere woorden: ondanks de aanwezigheid van ‘egoïstische’, niet-solidaire kiezers is het soms toch mogelijk om solidariteitsmechanismen te scheppen. Andere hefbomen kunnen immers worden geactiveerd, zoals het kiessysteem, een tamelijk omvangrijke vorm van centralisering, het economisch beleid, het belastingstelsel, enzovoort. Omgekeerd, kan het ook zo zijn dat de bestaande solidariteitsmechanismen de gevoelens van solidariteit van de oudere generaties met de jongere generaties niet weerspiegelen.

DE INSTELLINGEN HERTEKENEN

En dus zullen we de instellingen moeten hertekenen, opdat we de belangen van de jongere generaties zouden kunnen veilig stellen.11 Er circuleren al meerdere voorstellen op dat vlak: kinderen stemrecht geven, vertegenwoordigers van de toekomstige generaties laten zetelen in bepaalde Vergaderingen, of - zoals in Noorwegen - een soeverein fonds voor de toekomstige generaties oprichten.

Laten we even stilstaan bij het stemrecht voor kinderen. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de mechanismen die de intergenerationele solidariteit verzekeren niet worden afgeschaft of ook elders ingang vinden? Uitgangspunt is de gedachte dat de belangen van kinderen voortaan veel zwaarder moeten wegen op de besluitvorming inzake overheidsuitgaven. Stemrecht voor kinderen geeft aan de jongere generaties de mogelijkheid om die politieke besluitvorming te beïnvloeden. De vraag is alleen: hoe gaat dat in zijn werk? Het is het voornaamste bezwaar. Men kan zich voorstellen dat kinderen vanaf de leeftijd van 16 jaar, 14 jaar en misschien zelfs 12 jaar stemrecht krijgen (hoewel kinderen op die leeftijd natuurlijk zeer beïnvloedbaar zijn en niet voldoende geïnteresseerd in het politieke bedrijf, al geldt dat evenzeer voor sommige oudere kiezers). Maar wat doe je met pasgeborenen of zeer jonge kinderen? Zij die opkomen voor stemrecht voor kinderen, argumenteren meestal dat de ouders in hun plaats kunnen stemmen. Ouders zouden in dat geval over meerdere stemmen beschikken: hun eigen stem en die van hun kinderen. Zo’n voorstel is in Frankrijk overigens al eens afgewezen in de jaren 1920 (al was het toen ook bedoeld om de dalende nataliteit tegen te gaan).12 Dit gezegd zijnde, biedt het toch geen echte oplossing. Want, zelfs al ga je er van uit dat ouders goed geplaatst zijn om de belangen van hun kinderen (rechtstreekse nakomelingen) te behartigen, dan nog kun je je afvragen waarom anderen slechter zouden zijn geplaatst om de belangen van verre nakomelingen te verdedigen.

Dat is ook de reden waarom sommigen voorstellen om vertegenwoordigers van de toekomstige generaties (rechtstreekse en verre nakomelingen) bij de politieke besluitvormingsprocessen te betrekken. Zo was er in het Israëlische parlement, tussen 2001 en 2006, een Commissie voor de Toekomstige Generaties aan de slag; zij kon zowel advies geven als voorstellen formuleren. En in Hongarije werd er in 2008 een Ombudsman voor de Toekomstige Generaties aangesteld; hij kan gerechtelijke stappen ondernemen wanneer hij vindt dat natuurlijke hulpbronnen en het cultureel erfgoed bedreigd worden (vanaf 2012 ging het om een Gedeputeerde voor de Grondrechten). In Zweden heeft het ‘Ministerie van Strategische Ontwikkeling en Noordse Samenwerking’ specifiek aandacht voor de toekomst. Dit Ministerie heeft geen budget. De taak van de Minister is om andere Ministers over langetermijnkwesties te adviseren. Hoewel het niet evident is om geschikte kandidaten te vinden om de belangen van de toekomstige generaties te verdedigen, hebben voorstellen in die zin toch de verdienste om het debat over de intergenerationele solidariteit op gang te brengen, en het langetermijnperspectief niet uit het oog te verliezen.

BESLUIT

Over solidariteit tussen de generaties kan dus op meer dan één manier worden nagedacht, afhankelijk van het feit of men het heeft over een ingesteldheid of over institutionele mechanismen, enerzijds, en over rechtstreekse en verre nakomelingen, anderzijds. Het gaat zonder meer over een complex probleem: we moeten de ware aard van onze verplichtingen ten opzichte van de toekomstige generaties precies definiëren (terwijl de toekomst onzeker oogt); we moeten er rekening mee houden dat die verplichtingen misschien niet kunnen worden verzoend met onze consumptiegewoonten; en we hebben ook te maken met ingewikkelde institutionele mechanismen.

Danielle Zwarthoed
Universiteit van Montréal (Canada) en Université catholique de Louvain (UCL)
(Vertaling: Jan Vermeersch)

Noten
1/ UN Foundation, ‘The Millenium Ecosystem Assessment,’ 2005, 831; 834. http://www.millenniumassessment.org/en/Global.html
2/ Over het gebrek aan investeringen in het onderwijs en in menselijk kapitaal, zie bijvoorbeeld : Kenneth Arrow et al. (2004), ‘Are We Consuming Too Much?,’ The Journal of Economic Perspectives 18, no. 3: pp. 147-72.
3/ Om er slechts enkele te noemen: Jean-Jacques Rousseau, John Rawls, David Miller…
4/ Pieter Vanhuysse (2013), ‘Intergenerational Justice in Aging Societies: A Cross-National Comparison of 29 OECD Countries,’ SSRN Scholarly Paper (Rochester, NY: Social Science Research Network, April 20, 2013), http://papers.ssrn.com/abstract=2309278.
5/ Alexandra M. Freund & Fredda Blanchard-Fields (2013). ‘Age-Related Differences in Altruism Across Adulthood: Making Personal Financial Gain Versus Contributing to the Public Good’, Developmental Psychology.
6/ Michael B. Berkman and Eric Plutzer (2004), ‘Gray Peril or Loyal Support? The Effects of the Elderly on Educational Expenditures\*,’ Social Science Quarterly 85, no. 5: pp. 1178-92.
We argue that loyalty to community schools competes with economic self-interest and that older citizens are heterogeneous in their preferences. Methods. We test these arguments and their implications for public school finance using a data set of more than 9,000 school districts. Results. The data show that longstanding older residents represent a source of support for educational expenditures while elderly migrants lower spending. Further, this divide among the elderly and their impact on policy outputs depends on how states finance local public education and on aspects of state and local tax policy. Conclusions. Elderly concentrations are a financial asset for a school district unless the senior community includes a large number of new arrivals. The design of tax policy can have enormous impact on the depth of political cleavages and their ultimate impact on public policy. The results are consistent with the idea that loyalty - an emotional bond between residents and their community’s institutions - competes with and often trumps instrumental self interest.
7/ John Rawls (2001), Justice as Fairness: A Restatement. Cambridge, Mass.: Harvard University Press.
8/ Zie: Axel Gosseries (2009), ‘Three Models of Intergenerational Reciprocity,’ in Intergenerational Justice, ed. Axel Gosseries and Lukas H. Meyer (Oxford University Press), pp. 119-146.
9/ Jeremy Seekings (2004), ‘Institutional Design, Cultural Diversity and Economic Solidarity: A Comparison of South Africa, Brazil and Nigeria,’ in Cultural Diversity versus Economic Solidarity. Proceedings of the Seventh Francqui Colloquium, ed. Philippe Van Parijs (Brussels: De Boeck), pp. 101-138.
10/ Als de ongelijkheid in Zuid-Afrika niet is afgenomen, zegt Seekings, dan heeft dat te maken met de oplopende werkloosheid. En die wordt dan weer veroorzaakt door een economisch beleid dat eerder is gericht op productiviteitsstijgingen (en hogere lonen voor de arbeiders) dan op het opslorpen van de werkloosheid.
11/ Zie ook: Philippe Van Parijs (1998), ‘The Disfranchisement of the Elderly, and Other Attempts to Secure Intergenerational Justice,’ Philosophy & Public Affairs 27, no. 4 (October 1, 1998): pp. 292-333.
12/ Ibid., pp.309-310. Zie ook Karl Hinrichs (2007), ‘Faut-Il Accorder Le Droit de Vote Aux Enfants?,’ Revue Philosophique De Louvain 105, no. 1: pp. 42-76.

solidariteit - intergenerationele solidariteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 10 (december), pagina 46 tot 48 en pagina 57 tot 60