Abonneer Log in

'De globaliseringsparadox. Waarom mondiale vrijhandel, de natiestaat en democratie niet samengaan'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 1 (januari), pagina 77 tot 79

De globaliseringsparadox. Waarom mondiale vrijhandel, de natiestaat en democratie niet samengaan

Dani Rodrik
Amsterdam University Press, Amsterdam, 2015

In het voorwoord bij de Nederlandse editie van zijn boek geeft Dani Rodrik, hoogleraar Internationale Politieke Economie aan Harvard University, meteen aan wat de kern van zijn boodschap is. Het gaat om wat hij ‘het trilemma van de wereldeconomie’ noemt of het feit dat economische globalisering, politieke democratie en de natiestaat niet met elkaar te verzoenen zijn.

Vooraleer hij echter dit thema aansnijdt en uitdiept neemt de auteur ons mee in het verleden en het heden van de globalisering en reikt ons op die manier een analysekader aan om de paradox van die globalisering in de toekomst aan te pakken.

Volgens Rodrik ontstond de globalisering al in de 15de eeuw toen na de ontdekking van nieuwe continenten (Amerika en India) een ‘wereldhandel’ ontstond. In het begin werd die handel gevoerd door handelsmaatschappijen, gemachtigd door de kroon. Deze maatschappijen vervulden naast de handel ook een aantal ‘overheidstaken’, ze hadden o.m. een leger, een eigen munt en konden recht spreken. Van bij het begin was er dus duidelijk sprake van de markt en de ‘overheid’.

In de 19de eeuw komt dan de eerste grote globaliseringsgolf. Oorzaken hiervoor zijn o.m. nieuwe technologieën, een visie op vrijhandel, de gouden standaard, het feit dat belangrijke economische beslissers ideologisch naar elkaar toegroeiden en het imperialisme. Na Wereldoorlog I brokkelde de goudstandaard (pariteit van de munt t.a.v. het goud) af en begin de jaren 1930 verdween die definitief.

In het Interbellum kwamen er in vele landen sociale spanningen. De overheden reageerden hierop door de invoering van protectionistische maatregelen om de eigen, nationale markt te beschermen. Het zorgde ervoor dat de wereldhandel tussen 1929 en 1937 gehalveerd werd. Het maakte ook duidelijk dat democratisch geformuleerde nationale belangen grenzen opleggen aan de globalisering van de economie.

Na Wereldoorlog II stond men voor het grote probleem hoe het mogelijk was een open economie te herstellen met politiek versterkte natiestaten? Keynes en White formuleerden als oplossing een nieuwe economische filosofie en riepen twee nieuwe internationale organisaties in het leven: het IMF en de Wereldbank. Hun visie wordt het Bretton Woods model genoemd. Basisideeën zijn: een gezonde bruisende nationale economie, die ook sociale doelstellingen nastreeft, internationale discipline en een gematigde globalisering. De gevolgen lieten zich voelen: tussen 1948 en 1990 steeg het volume van de wereldhandel gemiddeld met 7% per jaar.

Met de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in 1995 komt een duidelijke neoliberale ideologie op de voorgrond. De doelstelling is duidelijk: hyperglobalisering (waarbij alle mogelijke hindernissen moeten worden weggeruimd) en financiële globalisering.

Zolang het Bretton Woods model geldig was, werd er gewerkt met een mondiale munt (de dollar). Die was in zekere zin een nieuwe ‘goudstandaard’. Toen die referentie wegviel, werden de financiële markten opengegooid. Dat het met die financiële globalisering behoorlijk mis kan gaan, heeft de crisis van 2008 duidelijk bewezen. Rodrik wijt dit aan wat hij ‘de vossen en de egels’ van de financiële wereld noemt. De egels hebben één basaal idee en zien de wereld enkel door het prisma van dit idee. Het staat voor de economen die onvoorwaardelijk kiezen voor liberalisering, kost wat kost. De vossen hebben meer manieren om naar de wereld te kijken. Ze staan sceptisch tegenover grote theorieën omdat de wereld te complex is om te veralgemenen. Deze economen geloven ook in de markt maar pleiten voor een behoedzame aanpak die rekening houdt met de omstandigheden. Bij de financiële crisis van 2008 hebben de egels, die blind gingen voor onbeperkte financiële liberalisering, duidelijk het laken naar zich toegetrokken.

Tussendoor wordt in het boek via twee hoofdstukken, ‘Arme landen in een rijke wereld’ en ‘Handelsfundamentalisme in de tropen’, ingegaan op het spanningsveld tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Argentinië, Japan en China passeren de revue, met telkens scherpe analyses van hun economie. Het waren weer egeleconomen die de rol van de overheden in ontwikkelingslanden wilden minimaliseren en een doctrinaire aanpak voorstelden die werd neergelegd in de zogeheten ‘Washington Consensus’. Hoewel die in principe meerdere hervormingen inhield, werd die al snel herleid tot drie woorden: stabiliseren, liberaliseren en privatiseren. Het neoliberale dogma kreeg veel tegenkanting van politiek links, maar leidde helemaal niet naar economische successen. De conclusie was dan ook dat er naar een nieuw evenwicht moest worden gezocht tussen staat en markt.

In hoofdstuk 9 wordt het trilemma duidelijk omschreven als de spanning tussen de natiestaat, de democratie en de mondiale markten. Een beetje provocerend zegt de auteur dat er drie mogelijkheden zijn om met die spanning om te gaan: de democratie inperken, de globalisering inperken of de democratie globaliseren.
Het droomscenario is dan waarschijnlijk het realiseren van een mondiaal democratisch bestuur. Rodrik komt snel tot de conclusie dat dit niet haalbaar en misschien ook niet wenselijk is. De verbondenheid met de natiestaat bepaalt nog steeds in grote mate de identiteit van mensen en daar werkt de democratie ook het best. Dit wil niet zeggen dat er geen werk moet worden gemaakt van mondiale (basis) normen. Misschien is er wel nood aan een Bretton Woods nieuwe stijl. Global Pact van de VN wordt genoemd als een stap in de goede richting en de EU als enig tot nog toe min of meer geslaagd voorbeeld van globaal bestuur.

Een tweede scenario dat Rodrik voorstelt noemt hij ‘Kapitalisme 3.0’. Het prille kapitalisme met een beperkte rol voor de overheid (de nachtwachtstaat) is dan kapitalisme 1.0, de gemengde economie en de ruime verzorgingsstaat ontstaan na Wereldoorlog II is het kapitalisme 2.0. Van de nationale gemengde economie een mondiale tegenhanger boetseren wordt dan kapitalisme 3.0. De auteur somt zeven basisbeginselen op waarop deze ‘slimme’ of ‘gezonde’ globalisering moet worden gebouwd.

Het boek besluit met een verrassende boodschap. Rodrik vindt immers dat er nog veel economische vooruitgang te boeken is via het vrijmaken van de arbeid. Hij pleit voor meer arbeidsmigratie. In dat hoofdstuk formuleert hij het enige zeer concrete voorstel: ‘Rijke landen moeten tot 3% van hun beroepsbevolking tijdelijke (5 jaar) werkvisa toekennen aan (geschoolde en ongeschoolde) werkers uit arme landen. Van wat deze migranten verdienen wordt een deel opzijgezet. Als hun visum verlopen is en ze blijven, dan verliezen ze dit spaarpotje en kunnen ze niet vervangen worden door een nieuwe migrant. Keren ze terug naar hun land van herkomst dan krijgen ze het spaarpotje mee om een nieuwe start te maken en kunnen ze vervangen worden door een nieuwe migrant’. Ongetwijfeld controversieel maar misschien ook stof tot nadenken.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 1 (januari), pagina 77 tot 79