Abonneer Log in

Mythes over werkloosheid ontrafeld

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 56 tot 67

Uit het regeerakkoord bleek al dat Michel I de druk op werklozen verder wil opdrijven. In 2015 werd reeds 481 miljoen euro minder uitgegeven aan werkloosheidsuitkeringen dan verwacht. Een budgettaire meevaller. Toch horen we regelmatig dat op deze ‘uitgavenpost’ bijkomend bespaard kan worden. In deze bijdrage wil ik niet zozeer de ruimte voor verdere besparingen binnen de werkloosheidsverzekering onderzoeken, maar wel een aantal van de mythes, zoals die door politici worden verspreid en door veel mensen voor waar aangenomen, toetsen aan de realiteit. Kent België (te) veel werklozen met een uitkering? Doen Belgen (te) veel beroep op andere uitkeringsstelsels? Zijn de werkloosheidsuitkeringen (te) hoog? Is de Belgische werkloosheid (te) weinig dynamisch? Is de Belgische werkloosheid (te) duur?

Wanneer er gepraat wordt over besparingen, dan komt de sociale zekerheid in het vizier. Met name de werkloosheidsverzekering lijkt een populair doelwit om besparingsplannen op te botvieren. In januari van dit jaar barstte alweer een klein relletje los tussen de meerderheidspartijen: N-VA-voorzitter Bart De Wever zei op de nieuwjaarsreceptie van zijn partij dat er in de sociale zekerheid, en in de werkloosheid in het bijzonder, nog ruimte was om verder te besparen; CD&V-voorzitter Wouter Beke riposteerde dat verder snijden in de sociale zekerheid taboe is. Partijgenoot en Minister van Werk Kris Peeters gaf daarbij aan dat ‘verder besparen op de werkloosheidsuitkeringen sociaal niet verder te verantwoorden is’.1

Het dient gezegd: uitkeringen voor gezonde burgers op actieve leeftijd, werkloosheidsuitkeringen en sociale bijstandsuitkeringen (het leefloon) zijn niet populair. Enquêtes wijzen keer op keer uit dat mensen het minst bereid zijn om solidair te zijn met gezonde werklozen. Bovendien leeft in de hoofden van veel mensen een wij-zij dichotomie: wie hard werkt betaalt voor wie zich wentelt in de hangmat van de werkloosheid waar men kan genieten van hoge uitkeringen; het sociaal profitariaat in actie. Ook politici bezondigen zich vaak aan het creëren van een negatieve perceptie rond de Belgische werkloosheidsverzekering. Vaak wordt daarbij verwezen naar het aantal werklozen en dito uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen die in ons land buitensporig hoog zouden zijn. Dit wordt dan vaak gerelateerd aan het feit dat de werkloosheidsuitkeringen in België onbeperkt zijn in de tijd. In een interview met De Standaard stelde Ben Weyts (N-VA) in 2013 bijvoorbeeld dat het beperken van de uitkeringen in de tijd een ‘gigantische besparing’ zou opleveren.2 Onderliggende boodschap: het feit dat de werkloosheidsuitkeringen onbeperkt zijn in de tijd, een unicum binnen de groep ontwikkelde welvaartsstaten, zorgt ervoor dat er te veel werklozen zijn, en dat kunnen wij niet langer betalen. Recent nog werd dezelfde boodschap herhaald in De Morgen: ‘Er worden nog te veel uitkeringen uitgedeeld in ons land. Daar moet beter op worden toegezien’.3

En het blijft niet bij praten alleen. De regering-Di Rupo voerde vanaf 2012 op graduele wijze de versterking van de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen in: het bedrag van de uitkering nam sneller af naargelang de duur van de werkloosheid, en daarnaast zijn de voorwaarden inzake het aanvaarden van werk om nog recht te hebben op een werkloosheidsuitkering verstrengd. Ook de inschakelingsuitkering (de vroegere wachtuitkering voor schoolverlaters) en het SWT (stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, het vroegere brugpensioen) werd minder genereus en minder toegankelijk gemaakt, een beleid dat door de regering-Michel nog werd voortgezet. Bovendien wordt er in toenemende mate ingezet op een strengere activering van werklozen. Voornamelijk de graduele introductie van de procedure ‘activering van het zoekgedrag naar werk’ of kortweg, de dispo-procedure in 2004 is hierbij het vermelden waard. Deze procedure bepaalt gedetailleerd de opvolging van het zoekgedrag naar werk door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), in samenwerking met de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling (VDAB in Vlaanderen, FOREM in Wallonië en ACTIRIS in Brussel). Bij herhaaldelijke negatieve evaluaties kan de werkloze uiteindelijk gesanctioneerd worden met tijdelijk of definitief verlies van de uitkering tot gevolg. Al deze maatregelen hebben reeds gezorgd voor aanzienlijke besparingen in de werkloosheidsverzekeringen. Opvallend is wel dat het principe van de onbeperktheid in de tijd de besparingsdans telkens wist te ontspringen.

In wat volgt wil ik een aantal van de aannames van politici en het brede publiek aan de werkelijk toetsen. Kent België (te) veel werklozen met een uitkering? Doen Belgen (te) veel beroep op andere uitkeringsstelsels? Zijn de werkloosheidsuitkeringen (te) hoog? Is de Belgische werkloosheid (te) weinig dynamisch? Is de Belgische werkloosheid (te) duur? Recente studies en databanken van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) laten toe om deze vragen te beantwoorden, en om een aantal mythes te ontrafelen.

1. KENT BELGIË (TE) VEEL WERKLOZEN MET EEN UITKERING?

Laat ons beginnen bij het begin: zorgen werkloosheidsuitkeringen die onbeperkt zijn in de tijd voor (te) veel werklozen die afhankelijk zijn van een uitkering? Om dat na te gaan is het raadzaam om de Belgische werkloosheid in vergelijkend perspectief te plaatsen. De OESO heeft een publieke databank ontwikkeld waar gegevens worden verzameld over het aantal werklozen die een werkloosheidsuitkering ontvangen; dit geeft een meer gedetailleerd beeld van het stelsel van de werkloosheidsverzekering dan de werkloosheidsgraad.4 Immers, niet iedereen die werkloos is heeft recht op een werkloosheidsuitkering (in België gaat het om minder dan 60% van de werklozen5).

Figuur 1 toont het aandeel van de werklozen die een werkloosheidsuitkering ontvangen binnen de populatie van ‘actieven’ (tussen 15 en 64 jaar) voor een groep van Europese en OESO-landen in 2012. Met een aandeel van 7% scoort België hoog, maar steekt het er niet bijzonder bovenuit. België kende in 2012 een lager aandeel werklozen die afhankelijk zijn van een uitkering dan Spanje, Ierland, Finland, IJsland en Duitsland. De grafiek toont ook het aandeel in 2007, en dat leert ons dat een aantal landen die nu meer werklozen hebben die afhankelijk zijn van een uitkering over het algemeen zwaar zijn getroffen door de crisis. België is de crisis erg goed doorgekomen; het aandeel ontvangers van een werkloosheidsuitkering is zelfs lichtjes gedaald. Dit impliceert uiteraard dat België in 2007 wel aan de top stond, al liet het nog steeds Duitsland voor zich. Het is ook zo dat de duurtijd van het recht op werkloosheid samen lijkt te gaan met een groter aandeel werklozen dat een beroep doet op een uitkering.6 Het is dus waar dat het aandeel van de actieven die beroep doen op een werkloosheidsuitkering hoog was voor de crisis, maar in geen geval is België een uitzondering.

Figuur 1. Aandeel personen met een werkloosheidsuitkering in totaal aantal personen op actieve leeftijd (15-64).

Daarbij moet wel in acht worden genomen dat België een relatief groot aandeel langdurig werklozen kent, dat zijn werklozen die langer dan 1 jaar werkloos zijn. Maar ook hier geldt dat België geen uitzondering is in vergelijking met andere landen. Figuur 2 toont het aandeel langdurig werklozen van het totaal aantal werklozen. In 2014 hebben Ierland, Spanje, Slovenië, Kroatië, Bulgarije, Portugal, Italië, Griekenland en Slowakije een groter aandeel langdurig werklozen dan België. Landen die sterk inzetten op activering (Denemarken, Zweden) en landen die hun arbeidsmarkten weinig reguleren (Australië, Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk), kennen over het algemeen lage niveaus van langdurige werkloosheid. Uiteraard speelt ook de economische conjunctuur een belangrijke rol in het voorkomen van langdurige werkloosheid. De grafiek toont een duidelijk effect van de crisis in landen die er zwaar door werden getroffen (Ierland, Spanje, Italië, Portugal, Griekenland). Ook in 2007 voerde België het lijstje echter niet aan: het aandeel langdurig werklozen was groter in Duitsland, Tsjechië, Bulgarije en Slowakije. Uitkeringen die onbeperkt zijn in de tijd lijken dus niet noodzakelijk tot een uitzonderlijk hoog aandeel langdurig werklozen te leiden.

Figuur 2. Langdurig werklozen (\> 12 maanden) als aandeel van het totaal aantal werklozen, %.

In de klassieke economische literatuur wordt het vaak aangenomen dat langdurige werkloosheid samenhangt met de generositeit van de werkloosheidsuitkeringen: een hoge(re) uitkering betekent in deze interpretatie een disincentive om actief naar werk te zoeken. Wetenschappelijke evaluaties komen echter tot tegenstrijdige conclusies7, en het effect van de generositeit van de uitkeringen op de duur van de werkloosheid hangt ook af van de mate waarin er wordt ingezet op activering. Daar ga ik later op in. Het is belangrijk in het achterhoofd te houden dat langdurige werkloosheid wel degelijk een maatschappelijk probleem is, omdat deze mensen vaak erg moeilijk nog in de arbeidsmarkt te integreren zijn en tegelijkertijd een erg groot armoederisico lopen. Het hoge aandeel langdurige werkloosheid in het contingent werklozen in België moet dan ook zorgen baren. Het feit dat de uitkeringen onbeperkt zijn in de tijd lijkt daar echter geen grote rol in te spelen.

2. DOEN BELGEN (TE) VEEL BEROEP OP ANDERE UITKERINGSSTELSELS?

Een belangrijke kanttekening is dat het vergelijken van specifieke uitkeringsstelsels altijd een risico inhoudt, omdat sociale rechten van burgers niet in elk land op dezelfde manier gedefinieerd worden (wie in België in de werkloosheidsverzekering zit, belandt elders misschien in een ander stelsel) en omdat er transities bestaan tussen uitkeringsstelsels (van werkloosheid naar sociale bijstand, of van werkloosheid naar ziekteverzekering).

De databank van de OESO die ik hierboven gebruik om de werkloosheidsgegevens mee samen te stellen, biedt ook informatie over het aantal mensen dat een beroep moet doen op sociale bijstandsuitkeringen en invaliditeits- of ziekte-uitkeringen. Dat is relevant omdat de maximale werkloosheidsduur in heel wat landen ingekort werd in de voorbije decennia. In Zweden, bijvoorbeeld, waren de werkloosheidsuitkeringen in 1995 nog de facto onbeperkt in de tijd; nu zijn ze beperkt tot 300 dagen. Wie geen rechten meer heeft binnen het stelsel van de werkloosheidsverzekering stroomt dan over het algemeen door naar het sociale bijstandsstelsel waar men eventueel aanspraak kan maken op een uitkering (indien er voldaan wordt aan de voorwaarden), of stroomt door naar het stelsel van de ziekteverzekering, of verdwijnt uit de statistieken. In België zijn de werkloosheidsuitkeringen onbeperkt in de tijd, en men zou dan ook verwachten dat er minder mensen doorstromen naar de sociale bijstand (het leefloon) of naar de ziekteverzekering.

Figuur 3 toont het aandeel ontvangers van een uitkering in de sociale bijstand (en andere vormen van financiële hulp buiten de werkloosheidsverzekering8) in Europese landen. In 2012 was het aandeel ontvangers van een bijstandsuitkering binnen de bevolking op actieve leeftijd in België met 1,3% erg klein in vergelijking met andere Europese welvaartsstaten. Bovendien was het effect van de crisis er eveneens beperkt. Hoewel het aantal leefloners in België in 2014 voor het eerst boven de 100.000 is uitgestegen, is dit ten opzichte van de bevolking op actieve leeftijd nog steeds weinig. Over het algemeen was er in 2012 een zwak maar negatief verband tussen het aantal mensen dat beroep doet op een werkloosheidsuitkering enerzijds en het aantal mensen dat een beroep doet op de sociale bijstand anderzijds (r = -0.23): landen met meer mensen in de werkloosheid kennen over het algemeen minder mensen in het stelsel van de sociale bijstand. Dit is vooral opvallend in de Scandinavische landen (met uitzondering van Finland). De crisis zorgde in een aantal landen voor een sterke toename van bijstandstrekkers: in Bulgarije, Roemenië, Letland, Litouwen en Malta verdubbelde het aantal mensen in de bijstand; in de Verenigde Staten nam het aantal toe met 65%. In Italië bestaat geen veralgemeend stelsel van sociale bijstand.

Figuur 3. Aandeel personen met een sociale bijstandsuitkering in totaal aantal personen op actieve leeftijd (15-64).

Figuur 4 toont het aandeel van de mensen die een beroep doen op een ziekte- of invaliditeitsuitkering in de totale populatie op actieve leeftijd, opnieuw voor het jaar 2007 en het jaar 2012. In België deed 6% van de bevolking op actieve leeftijd een beroep op ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, gelijkaardig aan landen als Duitsland, Frankrijk en Denemarken. In Scandinavische landen Finland, Zweden en IJsland doen ongeveer 8% van de actieven beroep op dit stelsel; in Noorwegen loopt dit zelfs op tot 14%. In het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Malta en Hongarije is het aantal ziekte- en invaliditeitsuitkeringen sinds de crisis fors gedaald. In het algemeen geldt ook hier dat landen met een hoog aantal personen met een werkloosheidsuitkeringen over het algemeen minder mensen kennen die beroep doen op ziekte- of invaliditeitsuitkeringen (r = -0.22).

Figuur 4. Aandeel personen met een ziekte- of invaliditeitsuitkering in totaal aantal personen op actieve leeftijd (15-64).

Wanneer we het totale aantal ontvangers van werkloosheid-, ziekte-, invaliditeit en sociale bijstandsuitkeringen onder de loep nemen, dan lijkt België maar weinig gemeen te hebben met het cliché van de uitkeringsstaat. Figuur 5 toont een optelsom van de drie stelsels die we hierboven bespraken, en dat leert ons dat in België relatief weinig personen op actieve leeftijd afhankelijk zijn van een uitkering. In de Verenigde Staten, Finland, Litouwen, Ierland, IJsland, Noorwegen en Duitsland deden minstens 1 op 5 van de actieven een beroep op een uitkering in 2012; in België was dat 1 op 7. Een laag aandeel actieven die een werkloosheidsuitkering ontvangen is dus geen garantie dat er minder mensen een beroep doen op uitkeringen, en bijgevolg geen garantie op minder overheidsuitgaven (zie verder). Dit toont aan hoe belangrijk het is om specifieke uitkeringsstelsels niet in isolement te bekijken.

Figuur 5. Aandeel personen met een uitkering in totaal aantal personen op actieve leeftijd (15-64).

3. ZIJN DE WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN (TE) HOOG?

Als mensen spreken over uitkeringen als een hangmat, impliceren ze dat deze uitkeringen te hoog zijn. Ze laten toe om comfortabel te leven zonder dat men zich de inspanning moet getroosten naar werk te zoeken. Wat dit laatste betreft: werkbereidheid is altijd al onderdeel geweest van zowel de werkloosheidsverzekering als van de sociale bijstand. Recente hervormingen binnen de werkloosheid hebben voor een striktere opvolging van de zoekinspanningen van werkzoekenden gezorgd (zie verder). Maar hoe zit het met de generositeit van de uitkeringen?

Figuur 6 toont de gemiddelde netto vervangingsgraad (dat is het bedrag dat men te besteden heeft in een situatie van werkloosheid uitgedrukt als een percentage van het inkomen voor de start van de werkloosheid) in OESO-landen in 2013 voor een specifiek gezinstype (een koppel met twee kinderen, voorheen tewerkgesteld aan het gemiddelde loon) en voor twee periodes van werkloosheid. De vervangingsgraad wordt getoond voor dit ene gezinstype om de landen onderling vergelijkbaar te maken, maar het beeld zou niet substantieel veranderen mochten we andere gezinstypes (alleenstaanden) of andere loonniveaus (minimumloon, hoge lonen) vergelijken.

Figuur 6. Netto vervangingsgraad tijdens twee periodes van werkloosheid voor een koppel met twee kinderen.

Met een netto vervangingsgraad van om en bij de 74% bij de start van de werkloosheid is België niet bijzonder genereus in vergelijkend perspectief. Landen als Nederland en zeker ook Duitsland kennen hogere uitkeringen in de initiële fase van de werkloosheid. De daling van de vervangingsgraad voor langdurig werklozen is in het Belgische stelsel wel minder sterk dan in veel andere landen (ook na de verscherpte degressiviteit die gradueel werd ingevoerd vanaf 2012), maar wat de generositeit voor langdurig werklozen betreft moet ons land toch nog Ierland en Oostenrijk voor zich laten.

4. IS DE BELGISCHE WERKLOOSHEID (TE) WEINIG DYNAMISCH?

Een belangrijke vraag is in welke mate werklozen doorstromen naar de arbeidsmarkt. Hierboven gaf ik reeds aan dat er enerzijds weinig mensen op actieve leeftijd een beroep doen op sociale bijstand-, ziekte- of invaliditeitsuitkeringen in vergelijking met veel andere landen, maar anderzijds dat er van de Belgische werklozen een groot aandeel langdurig werkloos is. Het eerste duidt op een beperkte doorstroom naar andere uitkeringsstelsels, het tweede op een beperkte doorstroom naar de arbeidsmarkt.

Er zijn maar weinig recente studies voorhanden die de doorstroom van werkloosheid naar tewerkstelling in België in vergelijkend perspectief plaatsen. De Hoge Raad voor Werkgelegenheid (HRW) publiceerde in 2012 een studie waarin de transitie van werkloosheid naar werk werd vergeleken voor een aantal landen.9 België scoorde daarbij zeer slecht: gemiddeld stroomde slechts 21% van de personen die in 2009 werkloos werden in 2010 door naar de arbeidsmarkt. Alleen Griekenland deed slechter; Italië en Spanje deden het net iets beter. Landen als Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk doen het veel beter met doorstroompercentages van meer dan 40%. Een nadeel van deze analyse is dat het gebaseerd is op een steekproef en men maar een korte periode kan beschouwen. Bovendien heeft doorstroom naar werk ook te maken met de beschikbaarheid van jobs en de karakteristieken van de werklozen (hoger opgeleiden vinden bijvoorbeeld makkelijker terug werk dan lager opgeleiden). De vraag is dan ook of het slechte resultaat van België te wijten is aan het systeem of aan de samenstelling van het contingent werklozen?

De studie van de HRW poogt dat een beetje in kaart te brengen door de werkelijke kans op werk in te schatten, via statistische methodes abstractie makend van een aantal andere invloeden (zoals scholingsgraad). Uit die analyse blijkt dat die kans heel erg samenhangt met de leeftijd van de werkzoekende: terwijl in 2009 een werkzoekende in de groep 20 tot 24 jaar een kans had van 63% om een jaar later betaald werk te hebben gevonden, daalt die kans tot 51% voor 25- tot 34-jarigen, 38% voor 35- tot 49-jarigen en 24% voor 50- tot 64-jarigen.

Zoals hierboven aangehaald werd in België in 2004 de procedure ‘Activering van het Zoekgedrag naar Werk’ stapsgewijs ingevoerd. Eerst voor de min dertigjaren, vanaf juli 2005 voor de min veertigjaren en vanaf juli 2006 ook voor de min vijftigjaren. In 2013 werd de procedure verruimd naar oudere werklozen tot 55 jaar en in 2016 wordt dit verder uitgebreid naar 58 jaar. Een belangrijk element van deze dispo-procedure is de evaluatie van het zoekgedrag van de werkzoekende door middel van periodieke, individuele gesprekken gekoppeld aan sancties, gaande van een verwittiging, een al dan niet tijdelijke verlaging van de uitkering tot een al dan niet tijdelijke schorsing van de uitkering. Een studie van Cockx et al10 naar de effectiviteit van deze verscherpte controle op het actief zoekgedrag naar werk, focust op de min dertigjarige uitkeringsgerechtigde werklozen in de periode 2004-2008. Zij vinden dat de nieuwe procedure effectief heeft geleid tot een snellere overgang naar werk, maar dat dit vooral geldt als er ook voldoende vacatures beschikbaar zijn.

Met andere woorden, bij de jonge werklozen lijkt het feit dat de uitkeringen onbeperkt zijn in de tijd geen belemmering om een relatief goede doorstroming naar werk te bewerkstelligen. Bij de oudere werklozen die niet aan de activeringsprocedure worden onderworpen, is de doorstroom naar werk echter heel slecht. Het is dan ook geen toeval dat de groep van langdurig werklozen voornamelijk uit oudere werklozen (50+) bestaat.

5. IS DE BELGISCHE WERKLOOSHEID (TE) DUUR?

Een laatste bewering die ik aan de feiten wil toetsen, is dat het Belgische stelsel van de werkloosheidsverzekering duur is. Figuur 7 toont hoeveel landen spenderen aan werkloosheidsuitkeringen (brugpensioen incluis), sociale bijstandsuitkeringen en invaliditeitsuitkeringen, uitgedrukt in % van het bbp. Samen met Spanje spendeert België het meest van alle OESO-landen, en dat zou volgens een rapport van de Europese Commissie11 gerelateerd zijn aan het feit dat de uitkeringen onbeperkt zijn in de tijd. Figuur 7 toont dat we inderdaad relatief veel uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen. Er is ook een sterk verband tussen de kost voor werkloosheidsverzekering en de duurtijd van het recht op een werkloosheiduitkering (r = 0.74). De keerzijde van de medaille is wel dat we minder uitgeven aan sociale bijstandsuitkeringen en invaliditeitsuitkeringen. Opnieuw is het dus belangrijk het totale plaatje in ogenschouw te nemen.

Figuur 7. Uitgaven voor uitkeringen voor personen op actieve leeftijd, 2012.

CONCLUSIE

Het is een mythe dat werkloosheidsuitkeringen die onbeperkt zijn in de tijd samengaan met hoge uitkeringen en een bijzonder hoog aantal werklozen. Het is een feit dat zo’n stelsel veel geld kost. Bovendien lijkt de Belgische werkloosheidsverzekering met een hoog aandeel langdurig werklozen en een lage doorstroom naar de arbeidsmarkt weinig dynamisch, althans voor oudere werklozen. Voor jonge werklozen lijkt het stelsel wel degelijk meer dynamiek en een hogere doorstroom naar werk te vertonen. Een particulier uitkeringsstelsel in isolatie analyseren is echter misleidend, want in andere landen waar de uitkeringen wel beperkt zijn in de tijd stromen mensen door naar andere uitkeringsstelsels zoals het leefloon of de ziekte- en invaliditeit. België kent in vergelijkend perspectief erg weinig mensen die afhankelijk zijn van een leefloon of een ziekte- of invaliditeitsuitkering. In globo kent ons land dan ook geen bijzonder hoog aantal mensen die op een uitkering beroep moeten doen.

Dat is een belangrijke les voor politici die pleiten voor een hervorming van de werkloosheidsverzekering en daarbij de uitkeringen in de tijd willen beperken: uitkeringsstelsels fungeren als het ware als communicerende vaten. Het is bijvoorbeeld de vrees van OCMW’s dat zij de kosten zullen dragen van een verdere verstrenging binnen de werkloosheidsverzekering. Een recent rapport suggereert dat de transities van werkloosheid naar sociale bijstand nu al sterk toenemen.12 Bovendien zal niet iedereen die uit het stelsel van de werkloosheid valt aankloppen bij het OCMW. Sommige omdat ze voldoende middelen hebben; anderen omdat ze de weg niet vinden. Zij vallen dan door de mazen van het net.

Dat is een mogelijk voordeel van de onbeperktheid in de tijd: mensen blijven gevat in een systeem waar je ze kunt opvolgen en naar werk kunt begeleiden. Als ze uit het stelsel van de werkloosheid vallen maar niet aankloppen bij een OCMW, dan heeft men er geen vat meer op en kunnen ze ook niet meer naar de arbeidsmarkt toe geleid worden. Als dat samengaat met een stevig activeringsbeleid hoeft een uitkering die onbeperkt is in de tijd geen rem te zijn op de overgang van werkloosheid naar werk.

Dat wil niet zeggen dat er van hervormingen absoluut geen sprake kan zijn; voor een dergelijk groot volume aan uitgaven zijn de uitkeringen immers laag en dat noopt ons tot reflectie over hoe we de uitgaven in de toekomst doelmatiger kunnen aanwenden. Van een loutere beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd lijken we echter maar weinig wonderen te kunnen verwachten.

Wim Van Lancker
Redactielid van Samenleving en politiek en als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (UAntwerpen)

Noten
1/ ‘Verder besparen op werkloosheid sociaal niet te verantwoorden’, De Standaard, 30 januari 2016.
2/ ‘Wie met ons regeert, moet zeggen: wij willen confederalisme’, De Standaard, 2 november 2013.
3/ ‘Alleen N-VA wil nog snijden in de sociale zekerheid’, De Morgen, 26 februari 2016.
4/ De werkloosheidsgraad is de verhouding tussen het aantal werklozen en de beroepsbevolking (werkend + werklozen).
5/ Zie ‘The majority of the unemployed in the EU do not receive unemployment benefits’, Evidence in Focus, DG Employment, Social Affairs & Inclusion, European Commission. http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=89&furtherNews=yes&langId=en&newsId=2318.
6/ De correlatie tussen aandeel ontvangers van een werkloosheidsuitkering en de duurtijd van het recht op werkloosheid (uitgedrukt in maanden) op basis van OESO-data is 0.4.
7/ Zie bijvoorbeeld Howell, David R. en Miriam Rehm (2009). ‘Unemployment compensation and high European unemployment: a reassessment with new benefit indicators.’ Oxford Review of Economic Policy 25(1): pp. 60-93.
8/ De voorwaarden en definities van de sociale bijstandsuitkeringen kunnen verschillen van land tot land. Zie: OECD (2014). Society at a Glance 2014: OECD Social Indicators, OECD Publishing, Paris.
9/ HRW (2012). Verslag 2012. Hoge Raad voor de Werkgelegenheid: Brussel.
10/ Cockx, B. M. Dejemeppe en B. Van der Linden (2011). ‘Sneller aan werk dankzij activering van het zoeken?’, Over.Werk, 21 (2), 142-152.
11/ Esser, Ingrid, Tommy Ferrarini, Kenneth Nelson, Joakim Palme & Ola Sjöberg (2013). Unemployment Benefits in EU Member States. European Union: Brussel.
12/ POD MI (2014). Focusnota RVA-sanctie en doorstroom naar de OCMW’s. Nummer 8. Programmatorische Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Brussel.

sociale uitkeringen - werkloosheid - welvaartsstaat

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 56 tot 67