Log in

'De grote verwarring. Hoe moeten we reageren op het islamitisch fundamentalisme?'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 85 tot 86

De grote verwarring. Hoe moeten we reageren op het islamitisch fundamentalisme?

Luckas Vander Taelen
Houtekiet, Antwerpen, 2016

De boodschap van Luckas Vander Taelens boek laat zich als volgt samenvatten: links zit in een keurslijf van een naïef, politiek-correct denken, waardoor ze het groeiende probleem van de radicale islam ontkent, laat staan aanpakt. Dat zorgt voor veel verwarring bij de politici zelf, hun traditionele achterban en de bredere maatschappij. Op dit centrale thema borduurt de auteur een boek lang verder zonder evenwel tot een genuanceerde en diepgravende analyse te komen. Het boek bestaat uit een aaneenschakeling van persoonlijke anekdotes en éénzijdige mediaberichten, waarbij de auteur van de hak op de tak springt.
Maar laat ik met een positieve noot beginnen: Vander Taelen kaart terecht een aantal zaken aan waarover binnen bepaalde stromingen van de linkse, progressieve beweging een zekere ongemakkelijkheid bestaat. Ik denk hierbij vooral aan de grote gevoeligheid bij veel moslims over alles wat met seksualiteit en gender te maken heeft. Zonder te willen culturaliseren of te veralgemenen, is er hier nog steeds een probleem. Dat probleem is complex, kent veel verklaringen en verdient een genuanceerd antwoord.

Een andere rake observatie neemt de auteur over van filosoof Maarten Boudry. Veel linkse personen hanteren in discussies te vaak de ‘techniek van het wafelijzer’. Ze relativeren een probleem binnen een bepaalde etnisch-culturele gemeenschap met het argument dat dit probleem ook binnen de eigen of andere gemeenschappen voorkomt. Deze techniek is fout: ze pakt het probleem niet aan en overtuigt ook de achterban niet.

Een eerste pijnpunt van het boek is echter dat de auteur zeer verschillende zaken over dezelfde kam scheert en problematiseert. Weinigen zullen het probleem van islamitisch geïnspireerde terreur ontkennen. Luckas Vander Taelen koppelt dit geweld echter aan de groeiende populariteit van halal-slagers in Brussel, het dragen van de hoofddoek door moslima’s, de gebeurtenissen in Keulen tijdens afgelopen Nieuwjaarsnacht en de groeiende culturele en religieuze diversiteit in onze samenleving tout court. Dit is meer dan één brug te ver. De terroristen baseren zich bij hun geweld inderdaad op een éénzijdige en zeer specifieke lezing van de koran, maar niet alle moslims zijn daarom radicaal, laat staan gewelddadig. Een religie die door anderhalf miljard mensen op de wereld beleden wordt en uit talloze denominaties, nationale stromingen en sub-stromingen bestaat, is niet en kan niet dé oorzaak van terreur zijn.

Het tweede probleem is de selectieve blindheid van de auteur. Hij verwijt de partijen sp.a en Groen om te weinig de eigen waarden te verdedigen, waaronder de gendergelijkheid, scheiding tussen kerk en staat, vrijheid van seksuele geaardheid en andere belangrijke principes. De congresteksten en partijprogramma’s van de afgelopen decennia staan echter bol van deze principes. Deze stelling is dus allerminst goed onderbouwd door de auteur. Een heikel punt blijft niettemin de radicale, gewelddadige islam. Links heeft dit groeiende probleem inderdaad te lang onderschat. Slechts recent heeft men hier aandacht aan geschonken. De waarheid is echter dat zowel links als rechts dit probleem onderschat hebben. Het bleef voor veel partijen, middenveldorganisaties en overheidsdiensten te lang onder de radar.

Ten derde zijn er verschillende punten zeer slecht uitgewerkt door de auteur. Een voorbeeld: religie is voor Vander Taelen een strikt private aangelegenheid, dus pleit hij voor een hoofddoekenverbod in de publieke ruimte. Het is echter onduidelijk hoever hij hierin wil gaan. Mogen enkel ambtenaren geen hoofddoek meer dragen of ook bijvoorbeeld leerlingen in de klas of op de speelplaats? En wat met islamleerkrachten, verpleegsters in ziekenhuizen of verkoopsters in het Kruidvat? Hij geeft ook nauwelijks argumenten voor zijn pleidooi tegen religieuze symbolen in het openbare leven. Vreest hij een gebrek aan neutraliteit in het overheidshandelen? Maar waarom dan ook de leerlingen viseren of de niet neutrale handelingen direct aanpakken? Of wil hij vooral bepaalde religieuze druk of de groeiende populariteit van de radicale islam tegengaan? De vraag is dan of een verbod op hoofddoeken hiervoor wel het beste middel is.

Ten slotte is het jammer dat Luckas Vander Taelen eigenlijk de centrale vraag van het boek niet beantwoordt: hoe moeten we reageren op het islamitisch fundamentalisme? Honderdtwintig pagina’s lang neemt hij links op de korrel. Maar hoe hij de radicale, gewelddadige islam wil bestrijden, lezen we enkel in de voorlaatste alinea van het boek: ‘Repressie kan niet het enige antwoord zijn. … Er moet worden ingezet op de plaatselijke verenigingen om jongeren te bereiken. Men moet hen tonen dat er een alternatief is voor het radicalisme en hen betrekken in projecten die tolerantie en pluralisme bevorderen. Jongeren hebben behoefte aan opvoeding en duiding.’ Ik stel voor dat Luckas Vander Taelen deze ideeën nu eens in volgend boek verder uitwerkt. Of zijn deze ideeën te politiek-correct?

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 85 tot 86