Log in

'Economie zkt Geluk. Hoe worden we welvarender én gelukkiger?'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 94 tot 96

Economie zkt Geluk. Hoe worden we welvarender én gelukkiger?

Peter Van Rompuy
Lannoo, Tielt, 2016

Peter Van Rompuy, ondervoorzitter van het Vlaams Parlement en voormalig senator (CD&V), wijdt een interessant pamflet aan het thema ‘geluk’, en de band met de economie. Zonder expliciete referenties - het boek probeert zo nieuw mogelijk te voelen en te lezen - sluit dit aan bij het personalisme van de christendemocratische en uiteraard ook de bredere christelijke traditie, die het nastreven van rijkdom als hoogste goed afkeurt, of heil ziet in de matiging als maat der dingen. Van Rompuy probeert een nieuwe gemene ethische deler te vinden. Hij doet dat via op het eerste gezicht kleine praktische maatregelen, gericht op het ‘werkbaar’ houden van de samenleving. Het einddoel is de ‘sociale, groene en menselijke vrije markt’ (p. 127).

De inspiratie voor het boek komt uit de koerswending in de economische theorie, weg van de neoklassieke richting die in de jaren 1980 en 1990 het debat domineerde. Wat auteurs als Jacques Généreux (Samenleving en politiek, oktober 2011) of Thomas Piketty hebben herhaald - economie is een sociale wetenschap, niet geregeerd door eigen wetten, maar door machtsverhoudingen - wordt ook steeds vaker aangevuld met een psychologische component, bijvoorbeeld om irrationele financiële bewegingen te verklaren.

Peter Van Rompuy zoekt met dit boek een alternatief centrumvertoog voor het zoutloze besparingsbeleid dat sinds de crisis veel mensen de adem afsnijdt. Het succes van Podemos en Syriza, of beter nog de onmacht van Syriza om het tij te keren, zijn duidelijke tekenen dat een bureaucratische uitleg voor het EU-besparingsbeleid onvoldoende legitimiteit biedt. Men kan het antwoord in het voorliggende boek op twee manieren interpreteren. Ofwel is dit een poging om de consensus in het overheidsbeleid te verleggen, en zo iets te doen aan de onderliggende machtsverhoudingen die leiden tot de opgesomde kwalen (burn-out, depressie, verlies aan mentaal perspectief). Ofwel is dit geen verweermiddel tegen evidente tekortkomingen van het economische systeem, maar enkel tegen de moeilijk te weerleggen kritiek erop ter linkerzijde. Nicolas Sarkozy kondigde zo bij zijn verkiezing in 2007 twee initiatieven aan. Eerst een commissie onder leiding van Jacques Attali - in dit boek veel geciteerd - en de toen nog onbekende Emmanuel Macron, met als de groei te ‘bevrijden’. Vervolgens een initiatief onder leiding van Amartya Sen en Joseph Stiglitz, om het bnp als graadmeter te herdenken, in dit boek geciteerd (pp. 79-80). Het eerste initiatief wordt nu ten dele uitgevoerd door François Hollande met de Loi-Macron (2015) en de Loi-El Khomri (2016). Het tweede is bij een aanzet blijven steken: het politieke debat in Frankrijk gaat zowel ter rechter- als ter linkerzijde over werkloosheidscijfers, overheidsschuld en belastingen. Kan het ‘dashboard aan indicatoren’ (p. 80) in het jaarverslag van de Nationale Bank, ingevoerd met steun van de auteur als parlements­lid, een echt kader vormen voor de regering-Michel?

Van Rompuy gelooft niet in het ‘openzetten van de geldkraan’ of het opbouwen van schulden om te remediëren aan samenlevingsproblemen. Het pleidooi van Paul De Grauwe (o.a. Sampol, april 2016) en andere economen om broodnodige en in België al lang te sterk teruggeschroefde investeringen buiten de balans te houden, vindt geen gehoor. Dit staat nochtans haaks op de duidelijk uitgedrukte wens om meer duurzaamheid. De concrete test komt natuurlijk bij specifieke maatregelen: welke kant kiezen bij de ‘versoepeling’ van de 38-urenweek, zoals voorgesteld door partijgenoot Kris Peeters (en ook mogelijk gemaakt in de Loi-El Khomri)? Wat met de zondagsrust? Als arbeidsduurverkorting resulteert in een loutere productiviteitsverhoging en dus meer stress, moet er dan niet gekeken worden naar de onderliggende machtsverhoudingen in de economie?

Dit boek moet worden beoordeeld aan de hand van het objectief dat vooropstaat: het balanceren van economische omstandigheden en levenskwaliteit, ten voordele van ‘meer waarden’ (p. 115). Van Rompuy looft de prestaties van de sociale zekerheid en zet zich duidelijk af tegen een individualistisch perspectief. Fundamentele hervormingen bevat het boek niet, maar wel een waslijst aan praktische suggesties, niet altijd in een rechtstreeks verband met het hoofdthema. Geïsoleerd verhelpen die niets aan de structurele problemen van de samenleving. Het pleidooi voor meer ‘intéressement’ van de werknemers door hen een supplement in aandelen uit te betalen is tegelijk geen vernieuwing (het bestaat al in België), maar inherent ook geen rem op prestatiedruk. Van Rompuy koppelt bijvoorbeeld slechte arbeidsvoorwaarden en druk op de arbeidsmarkt aan oneerlijke concurrentie tussen multinationals en kmo’s. Hij vindt dat hier op Europees niveau maatregelen moeten worden genomen (p. 96). Zal dit nobele voornemen weerstaan aan de lobbykracht van grote bedrijven?

Dit boek is een poging vanuit de christendemocratie om zonder taboes (bijvoorbeeld inzake onderwijs, waar testen onder de tien jaar worden uitgebannen) het beleid te heroriënteren op waarden die deels gemeenschappelijk zijn met de sociaaldemocratie. In die zin is het ook voor (centrum)links een interessante oefening, die getuigt van een gelijkaardige openheid als Ctrl+Alt+Del van John Crombez. Wil links terug wegen op het beleid, dan moet uiteraard eerst het debat geclaimd worden. In een volgende stap, binnen de instellingen, zijn gesprekspartners evenwel noodzakelijk om ideeën om te zetten in beleid. Het erkennen van gedeelde symptomen en een gedeeltelijke identificatie in waarden zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Het publieke debat in Vlaanderen wordt zo hopelijk rijker dan het de laatste vijftien jaar geweest is.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 94 tot 96