Log in

'Ongelijk spel. Verontwaardiging als bouwsteen voor vooruitgang'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 82 tot 84

Ongelijk spel. Verontwaardiging als bouwsteen voor vooruitgang

Rudy De Leeuw
Borgerhoff & Lamberigts, Gent, 2016

Dat de voorzitter van een vakbond een boek schrijft is een belangrijke gebeurtenis. Vakbonden staan immers onder vuur. Ze zouden iedere verandering of modernisering tegenhouden en gedragen zich vaak heel onverantwoordelijk. Via de uitbetalingsinstellingen halen ze daarenboven overheidsgeld binnen dat die overheid beter zelf kan gebruiken. Een voorzitter die een boek schrijft moet daarop ingaan en dat doet Rudy De Leeuw. Hij levert geen autobiografisch verhaal af, maar geeft zijn visie op de wereld van vandaag. De titel is veelzeggend: verontwaardiging is zijn basismotivatie. Vanuit verontwaardiging over onrechtvaardigheid wil hij vechten voor welvaart en vooruitgang.

Zijn verontwaardiging knapt een aantal keer af op de actuele politieke situatie. In 2014 is volgens hem kiezersbedrog gepleegd, want geen enkele partij heeft vooraf aangekondigd dat ze de pensioenleeftijd zou verhogen of besparingen zou uitvoeren op het inkomen van gewone mensen. Voor een keer hebben de partijen die uiteindelijk aan de macht gekomen zijn, minder gezegd dan wat ze van plan waren. Vooral de N-VA moet het ontgelden. Het nationalisme wordt als hefboom gebruikt om een economisch programma te realiseren. De 19de eeuwse Franstalige bourgeoisie is vervangen door een Nederlandstalige. Vreemdelingen en Walen zijn de zondebokken. Het doet De Leeuw sterk denken aan de jaren 1930.

Het is een regering geworden van de rijken, een factuurregering. De besparingen worden uitvoerig opgesomd. De voorzitter vraagt zich af hoe we daar tegen in kunnen gaan. Dat kan niet alleen met rationele argumenten, het moet door beroep te doen op het rechtvaardigheidsgevoel: ‘Als rede en emotie botsen, wint emotie altijd’ (71). Daarom vooral wil hij zijn ABVV-verhaal vertellen en inspelen op wat leeft bij de bevolking. De vakbond staat volgens hem immers nog heel dicht bij de mensen, alleen vindt die niet altijd de gepaste vertaling.

De Leeuw is natuurlijk voor een sterke federale sociale zekerheid. Die is de enige garantie dat er voor iedereen gezorgd wordt, maar dat ook iedereen er kan aan winnen. De twee basisprincipes - solidariteit en verzekering - moeten worden gevrijwaard. En de federale ruggengraat moet worden uitgemaakt door het loonoverleg, het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de vennootschapsbelasting. Dat wil niet zeggen dat de auteur het bestaan of zelfs het nut van een regionale sociale bescherming zou ontkennen. Hij wijdt er een heel hoofdstuk aan om aan te tonen dat er op dat vlak integendeel nog veel werk op de plank ligt.

De toekomst van die sociale zekerheid hangt af van de sterkte van de economie. En precies daar wringt het schoentje: er is nood aan een nieuw industrieel beleid, aan meer innovatie en aan een verhoging van de productiviteit. En aan een verlaging van de loonkost? De Leeuw aarzelt niet om zich in dat debat te smijten. Hij is er immers van overtuigd dat er op dat vlak nauwelijks of geen probleem bestaat. Het federaal planbureau heeft uitgerekend dat het verlies aan exportaandeel slechts voor 1/3de te maken heeft met de kosten voor de bedrijven (loonkost is daar maar een van). De structuur van de economie zit niet goed en moet worden opgewaardeerd. Dat kan alleen door te investeren, in O&O (waar er in ons land een reëel deficit is) en in mensen. Ook het verschil in energieproductiviteit moet worden weggewerkt, want in ons land wordt voor de productie van een zelfde product meer energie gebruikt dan in het buitenland. Het verschil in loonkost wordt voor de rest quasi volledig verklaard door een verschil in productiviteit. We verliezen terrein, dat is waar. Maar dat heeft te maken door de bewuste keuze om lager geschoolden aan het werk te houden (bijvoorbeeld via dienstencheques). En ondertussen geeft de regering miljarden aan voordelen aan de bedrijven. Ze gaan bijna volledig naar de winstuitkeringen van de aandeelhouders, zonder dat er voorwaarden aan verbonden worden om jobs te creëren.

Er is overigens niet alleen een economische en sociale noodzaak om de economie te heroriënteren. Ook de klimaatopwarming vraagt om een ander economisch model, dat meer duurzaam, rechtvaardig en sociaal is. De klimaatopwarming toont het falen van het kapitalisme, het is tijd om over te stappen naar een koolstofarme economie. Dat zal echter slechts gaan indien er ook op Europees niveau iets gebeurt. Vandaag heeft Europa geen bevoegdheden in sociale zaken. De idee is dat uit economische groei automatisch sociale bloei zou moeten volgen. Dat automatisme is echter een illusie. Alle sociale vooruitgang moet gewoon bevochten worden, ook al moet De Leeuw toegeven dat er tot nu geen Europese tegenbeweging op gang gebracht kon worden. Als voorzitter van het Europees Vakverbond wil hij daar in elk geval toe bijdragen.

Het boek van De Leeuw is geen boek over ideologie, maar hij ontwijkt die ook niet. Wanneer hij terugkomt op het sociaal pact van 1944 lijkt hij te betreuren dat de vertegenwoordigers van de werknemers te ver gegaan zijn in de erkenning van het gezag van de werkgevers. Toen is de strijd tegen het kapitalisme al te zeer afgezwakt, ook al werden die levensbelangrijke principes van sociale verzekering overeen gekomen. De erkenning door de werkgevers van het syndicaal feit was op dat moment een overwinning, maar het aanvaarden van het wettelijk gezag van de werkgevers toch eerder een nederlaag. In de socialistische vakbond zijn er een aantal momenten waarin men dat heeft proberen recht te zetten, maar het is niet echt gelukt om de economische democratie in te voeren.

Toch wanhoopt de voorzitter niet. Nog grote delen van de bevolking staan positief tegenover de vakbonden. Dat belet niet dat het vertrouwen in die bonden achteruit gaat en daar kunnen ze zelf ook iets aan doen. Ze zijn helemaal niet tegen verandering, alleen willen ze geen verandering die geen verbetering is. In een ideale wereld zouden er geen vakbonden nodig zijn, maar de wereld is nu eenmaal niet ideaal. In veel landen wordt het syndicalisten flink moeilijk gemaakt. In ons land zijn de gesprekken over het zogenaamde Herenakkoord afgesprongen. Volgens De Leeuw omdat de werkgevers niet op zoek waren naar een actualisering, maar naar mogelijkheden om de vakbonden, onder meer financieel, aan banden te leggen. Hij ontkent dat er een gebrek aan transparantie zou zijn. De uitbetalingsinstellingen bestaan in ons land om historische redenen en ze zijn vandaag nog altijd performanter en goedkoper dan de Hulpkas Voor Werkloosheid, die inspringt voor wie niet gesyndiceerd wil zijn. Die uitbetalingsinstellingen, die een veel ruimere benadering geven dan de Hulpkas, worden overigens heel minutieus gecontroleerd. Een vermenging met de syndicale middelen is niet mogelijk. Voor die syndicale middelen is er voldoende interne controle. De stakingskassen kunnen niet publiek gemaakt worden omdat anders inzage gegeven wordt in de syndicale krachten.

De publicatie van een boek van de voorzitter van het ABVV is belangrijk. Hij geeft een mooi overzicht van de problemen waar de vakbonden vandaag mee af te rekenen hebben. Men voelt bijna op iedere bladzijde dat De Leeuw wel degelijk door verontwaardiging voortgestuwd wordt. Hij doorprikt een aantal verhalen over de vakbonden en overtuigt door zijn Europees pleidooi. Het valt echter op dat je nergens iets leest over deeleconomie en basisinkomen. Niet dat je verwacht dat zijn vakbond daar een groot voorstander zou van zijn, maar een argumentatie zou wel interessant zijn. Het economisch alternatief waar de auteur voor pleit zou er misschien beter uit de verf door komen. En op ideologisch vlak had hij toch ook wat verder kunnen gaan. Niettemin heeft hij een meer dan lezenswaardig boek geschreven.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 82 tot 84