Log in

Partijleden en link(s)e samenwerking

HET SIENJAAL: 20 JAAR LATER

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 19 tot 24

In deze bijdrage gaan we dieper in op gelijkenissen en verschilpunten tussen partijleden van partijen of partijonderdelen die 20 jaar na het Sienjaal ter linkerzijde zouden kunnen samenwerken of zelfs fusioneren. Meer bepaald analyseren we partijleden van Groen, sp.a en de werknemersvleugel van CD&V.1 Het Sienjaal voorzag ook in een samenwerking met linkse Vlaams-nationalisten, maar omdat die nog amper te vinden zijn onder N-VA-leden worden ze niet meegenomen in de analyse.2 We focussen op drie zaken: de inhoudelijke opvattingen van partijleden, hun sociodemografisch profiel en hun opinie over samenwerking. We baseren ons op een grootschalige bevraging van partijleden, die liep tussen 2013 en 2015.3 Hoe link is linkse samenwerking voor partijleden?

HET SIENJAAL: 20 JAAR LATER

Iedereen bleef kijken vanuit het eigen hokje
Norbert De Batselier
Verschillen en complementariteit tussen groene en rode kiezers
Bart Meuleman, Koen Abts, Chris Gaasendam en Marc Swyngedouw
Partijleden en link(s)e samenwerking
Nicolas Bouteca, Carl Devos, Robin Devroe, Benjamin de Vet en Bram Wauters
Opnieuw voorlopers worden
John Crombez
Voor een progressief front van doeners
Meyrem Almaci
Een Borgerhout-scenario in heel Antwerpen
Peter Mertens
Werken aan coalitie van enthousiasten
Patrick Develtere
Samenwerken is de enige optie
Rudy De Leeuw
Het linkse speelveld is ruimer dan je denkt
Tom Garcia
Gescheiden slagen
Herman Lauwers en Jos Geysels

Samenwerking tussen partijen (door het presenteren van gezamenlijke kandidatenlijsten, door coalitieakkoorden af te sluiten, of door zelfs te fuseren) wordt vaak ingegeven door electorale motieven.4 Door samen te werken met een andere partij hoopt men meer en andere kiezers binnen te halen. Deze samenwerking is het meest interessant als partijen in een verschillende vijver vissen, en dus een ander soort kiezers kunnen overtuigen.

Partijleden zijn hier vaak niet de eerste zorg. Ze zijn evenwel zeer belangrijk voor het goedkeuren van de samenwerking en voor het in de praktijk laten functioneren ervan.5 Daarbij kan het helpen dat de verschillen tussen leden van de verschillende partijen niet al te groot zijn.

Dit plaatst partijen die willen samenwerken in een moeilijke positie: enerzijds proberen ze zo divers mogelijke kiezers aan te trekken, anderzijds is het belangrijk dat partijleden een zekere mate van gelijkenis hebben. Indien dit niet het geval is, dan zal bijvoorbeeld de standpuntbepaling en de lijstvorming sterk bemoeilijkt worden.6

In wat volgt maken we daarom een analyse van de inhoudelijke gelijkenissen en verschillen van partijleden van Groen, sp.a en de werknemersvleugel van CD&V.

INHOUDELIJKE GELIJKENISSEN EN VERSCHILLEN

Er werden voor vijf beleidsdimensies schalen geconstrueerd op basis van een aantal items uit de bevraging.7 Daarnaast kijken we ook naar de eigen plaatsing op een rechts-links-schaal.

Op basis van Tabel 1 wordt duidelijk dat de inhoudelijke samenwerking tussen zowel sp.a/Groen als sp.a/Groen/ACW niet voor de hand ligt. Grofweg bekeken bevestigt de ledenbevraging dat het etiket ‘progressieve frontvorming’ wel de lading dekt. Zeker sociaaleconomisch zitten zowel Groen, sp.a als ACW goed links (score van telkens ongeveer 8 op een schaal van 0 (rechts) tot 10 (links)) en ook op de moeilijke globaliseringskwesties waar oud-linkse partijen mee worstelen, neigen de drie eerder naar een open houding (allen scoren hoger dan 5, waar 10 staat voor maximale openheid). Bovendien is er ook op communautair vlak relatief grote overeenstemming over het feit dat België nog een meerwaarde heeft (waar 0 staat voor Belgisch en 10 voor Vlaams).

Hoewel de richting van de opinies vaak dezelfde is, komen er toch ook zeer duidelijke verschillen naar boven. Dat geldt ten eerste ten aanzien van sp.a en Groen. Enkel omtrent communautaire kwesties zijn er geen significante verschillen tussen beide partijen. Voor alle andere issues, inclusief de meest relevante breuklijnen van vandaag (globaliserings- en sociaaleconomische kwesties) is er een zekere inhoudelijke afstand tussen de partijen. Vooral voor de postmateriële dimensie (5,94 voor sp.a versus 7,86 voor Groen) en voor de globaliseringsdimensie (5,69 voor sp.a versus 7,35 voor Groen) zijn de verschillen groot. Groen lijkt daarbij een soort nieuw-links te vertegenwoordigen dat openstaat naar de wereld en niet bang is van de globalisering.

Het valt op dat op deze laatste breuklijn sp.a’ers iets beter aansluiten bij de ACW-leden van die andere traditionele partij CD&V (al zijn ook deze verschillen significant). ACW’ers verschillen op alle dimensies significant van Groenen en sp.a’ers, met uitzondering van de sociaaleconomische dimensie waar ze aansluiten bij Groen. Zeker op moreel-ethisch vlak is de afstand tussen ACW’ers en de leden van sp.a en Groen heel erg groot. Dat heeft wellicht ook te maken met de gemiddelde leeftijd van de bevraagde ACW’ers (zie verder). Ook op de algemene rechts-links-as plaatsen de ACW’ers zichzelf heel ver van sp.a en Groen. Ze zien zichzelf op dat vlak ook eerder als centrumrechts (met een score van 4,03). Het lijkt erop dat ACW’ers dan ook inhoudelijk beter op hun plaats zitten in CD&V dan in een kartel met groenen en socialisten.

SOCIO-DEMOGRAFISCH PROFIEL

Vervolgens gaan we na wie de partijleden van de verschillende partijen zijn. Als ze op een aantal kenmerken sterk van elkaar verschillen, dan kan dat problemen opleveren naar samenwerking toe. Opinies en prioriteiten kunnen immers samenhangen met bepaalde categorieën waartoe men behoort. Zo toonde eerder onderzoek al aan dat vrouwen specifieke belangen hebben die verschillen van deze van mannen.8

Het valt in Tabel 2 op dat er maar twee kenmerken zijn waarvoor geen significante verschillen kunnen worden genoteerd: geslacht en etnische achtergrond. Het percentage vrouwelijke partijleden ligt eerder aan de hoge kant met iets meer dan 40% (ACW scoort licht lager), voor etnische achtergrond is de ongeveer 4% voor alle partijen laag.

Voor alle andere kenmerken verschilt het ledenbestand van de drie partijen of partijonderdelen wel significant. We beginnen met leeftijd. Het aantal 65+’ers is erg hoog onder de ACW’ers: meer dan 57% van hen is 65 jaar of ouder. Daartegenover staat dat van de leden van Groen maar 11% zich in die leeftijdscategorie bevindt. In die partij zitten dan weer meer jongeren: 23% van de Groen-leden is jonger dan 30 jaar. Sp.a neemt een middenpositie in, maar telt met bijna 40% 65+ers ook heel wat ouderen in haar rangen.

Ook voor opleidingsniveau zijn er duidelijke en significante verschillen. Het aantal leden met een diploma hoger onderwijs (aan universiteit of hogeschool) is bij Groen veel hoger dan bij de twee andere partijen: 74% bij Groen versus 36% bij sp.a en 33% bij de werknemersvleugel van CD&V. Omgekeerd zien we dat zowel bij sp.a als bij ACW’ers ongeveer 16% geen diploma heeft of enkel een diploma lager onderwijs, terwijl deze bij Groen bijna niet voorkomen.

Voor lidmaatschap van vakbond en mutualiteit vinden we verschillen die lopen langs de vroegere verzuilde structuren. Hier verschillen vooral sp.a’ers en werknemers binnen CD&V sterk van elkaar. Weinig verrassend vinden we de eersten vooral terug bij socialistische vakbond en mutualiteit, terwijl de tweeden zich vooral hebben aangesloten bij de christelijke vakbond en mutualiteit. Het effect is meer uitgesproken bij mutualiteit dan bij vakbond. Groen bevindt zich wat tussen de twee: het grootste deel van haar leden is geen lid van een vakbond (53%), al sluiten ze qua mutualiteit meer aan bij de ACW’ers met 60% van hun leden die lid zijn van het christelijk ziekenfonds.

Tot slot zijn er verschillen qua geloofsovertuiging. Vrijzinnigen zijn het meest talrijk in sp.a (41%), katholieken bij de werknemersvleugel van CD&V (93%) en ongelovigen bij Groen (38%).

WAT DENKEN PARTIJLEDEN ZELF OVER SAMENWERKING?

Als afsluiter kijken we nog eens naar wat partijleden zelf denken over een verregaande partijsamenwerking. We hebben hiervoor enkel bij sp.a-leden en Groen-leden gepeild naar wat ze denken over het fusioneren van beide partijen.

De resultaten in Tabel 3 tonen duidelijk aan dat Groen-leden en sp.a-leden sterk van mening verschillen over het samen vormen van één partij. Ongeveer de helft van de leden van sp.a is hier in het algemeen voorstander van: 28% is het eens met een partijfusie, en nog eens 22% is het daarmee zelfs helemaal eens. Slechts ongeveer een kwart van de sp.a-leden ziet het vormen van één partij samen met Groen niet zitten (8% helemaal oneens + 16% oneens).

Helemaal het omgekeerde beeld zien we bij Groen. Daar is bijna twee derde van de leden tegenstander van het vormen van één partij met sp.a: resp. bijna 39% is het oneens en 25% helemaal oneens. De voorstanders daarentegen maken binnen Groen nog geen 15% van de leden uit (10% eens en 4% helemaal eens).

Aangezien een verregaande partijsamenwerking steeds formeel zal moeten worden goedgekeurd door de partijleden (bijvoorbeeld op een partijcongres), lijkt de kans erg klein dat er op korte termijn een gezamenlijke partij zal ontstaan. De weerstand is daarvoor bij de Groen-leden te groot.

CONCLUSIE

We hebben in deze bijdrage gefocust op de rol die partijleden spelen in het vormen van één progressieve partij geïnspireerd door Het Sienjaal. Daartoe onderzochten we partijleden van Groen, sp.a en de ACW-vleugel van CD&V.

Er blijken echter heel wat verschilpunten te zijn die een concrete samenwerking bemoeilijken. Ook al gaan de meeste beleidsstandpunten dezelfde richting uit, er zijn toch grote nuanceverschillen tussen de leden van de verschillende partijen. Dat geldt in het bijzonder voor de globaliseringsdimensie (waarbij groenen veel opener aankijken tegen globalisering dan sp.a’ers en ACW’ers) en moreel-ethische kwesties (ACW’ers zijn hier veel conservatiever dan sp.a’ers en groenen). Ook het profiel van de leden is erg verschillend: naast zuilgebonden verschillen, is het zo dat jonge, hooggeschoolde Groen-leden zouden moeten samenwerken met oudere, lagergeschoolde leden van sp.a en ACW. Tot slot verschilt de bereidheid tot samenwerking ook: een meerderheid van sp.a-leden ziet het vormen van één partij helemaal zitten, terwijl een overgrote meerderheid van leden van Groen daartegen gekant is.

Linkse samenwerking blijkt dus erg link. Het lijkt er daarom niet op dat er op korte termijn op nationaal vlak een gezamenlijke partij zal worden gevormd, toch niet als het van de partijleden afhangt.

Bram Wauters, Benjamin de Vet, Robin Devroe, Carl Devos en Nicolas Bouteca
Verbonden aan GASPAR (Ghent Association for the Study of Parties and Representation), Universiteit Gent ** **

Noten
1/ Ongeveer de helft van de CD&V-leden (49,4%) rekent zichzelf tot een stand binnen de partij. Het overgrote deel daarvan kiest voor de werknemersvleugel (27,4%). Het zijn die leden die hier in de analyse worden meegenomen. Omwille van de leesbaarheid en omdat op het moment van de bevraging (medio 2013) de naamswijziging naar Beweging.net nog niet doorgevoerd was, gebruiken we in de tekst de benaming ACW nog. Zie: B. Wauters & T. Schamp (2014), ‘Standen binnen CD&V: een analyse op niveau van de partijleden’, onderzoeksnota Universiteit Gent, 13 p.
2/ Wauters, B. & Bouteca, N. (2016). Van Volksunie (VU) naar Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA). Een analyse van de ideologische opvattingen van hun partijleden. Res Publica, 58(3), pp. 317-337.
3/ Dit onderzoek was mogelijk door Onderzoekskrediet 1504113N ‘Survey bij partijleden van CD&V en Groen’ en Onderzoekskrediet 1518314N ‘Survey bij partijleden van sp.a en Vlaams Belang’ van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO). De auteurs wensen het FWO hiervoor uitdrukkelijk te danken. Het aantal observaties bedraagt resp. 930 (Groen), 586 (sp.a) en 178 (ACW’ers binnen CD&V). Respondenten konden hun ingevulde enquête terugsturen per post, of hun enquête online invullen. Responsgraden waren resp. 62,0% (Groen), 38,9% (sp.a) en 44,3% (CD&V). De data werden gewogen op basis van leeftijdscategorie en geslacht.
4/ Ibenskas, R. (2016). Marriages of Convenience: Explaining Party Mergers in Europe. The Journal of Politics, 78(2), pp. 343-356.
5/ Marland, A., & Flanagan, T. (2015). From Opposition to Government: Party Merger as a Step on the Road to Power. Parliamentary Affairs, 68(2), pp. 272-290.
6/ Al toont internationaal-vergelijkend onderzoek aan dat ideologische verschillen bij partijfusies kunnen worden overwonnen door aangepaste partijstructuren te voorzien, waardoor deze verschillen niet noodzakelijk hoeven te leiden tot het uiteenspatten van de samenwerking. Zie: Bolleyer, N., Ibenskas, R. & Keith, D. (2016). The survival and termination of party mergers in Europe. European Journal of Political Research, 55(3), pp. 642-659.
7/ Voor moreel-ethische thema’s gaat het gaat over de beoordeling van volgende uitspraken ‘Het is goed dat het beperkte gebruik van soft drugs niet streng wordt vervolgd’ en ‘De openstelling van het burgerlijk huwelijk voor homokoppels is een goede zaak geweest’, en over de zelf-positionering op een schaal gaande van 0 ‘behoud van traditionele waarden en normen’ tot 10 ‘vrije keuze voor ieder individu’. Cronbach’s alpha = 0.601.
Voor communautaire thema’s gaat het over de beoordeling van volgende uitspraak ‘Vlaanderen moet onafhankelijk worden’ en positionering op volgende vraag ‘Hoever moet de staatshervorming voor u gaan?’ met antwoordmogelijkheden gaande van ‘bevoegdheden terug overdragen naar het federaal niveau’ tot ‘Vlaanderen en Nederland moeten samen één staat vormen’. Cronbach’s alpha = 0.816.
Voor de postmateriële dimensie gaat het over de beoordeling van volgende uitspraak ‘Economische groei en een goed ondernemersklimaat zijn belangrijker dan milieubehoud’ en over de zelf-positionering op een schaal gaande van 0 ‘economische groei en meer welvaart’ tot 10 ‘kwaliteit van het leven’. Cronbach’s alpha = 0.403.
Voor socio-economische thema’s gaat het over de beoordeling van volgende uitspraken ‘De sociale klassenverschillen zouden kleiner moeten zijn dan ze nu zijn’ en ‘Arbeiders moeten nog steeds strijden voor een gelijkwaardige positie in de maatschappij’. Cronbach’s alpha = 0.597.
Voor globaliseringthema’s gaat het over de zelf-positionering op een schaal gaande van 0 ‘tegenstander stemrecht voor migranten’ tot 10 ‘voorstander stemrecht voor migranten en op een schaal gaande van 0 ‘Europese integratie is te ver doorgevoerd’ tot 10 ‘Europese integratie moet verder bevorderd worden’. Cronbach’s alpha = 0.584.
8/ Celis, K., Erzeel, S., Severs, E. & Vandeleene, A. (2015). Genderverschillen in politieke belangen. Subtiel maar hardnekkig. In: K. Deschouwer, P. Delwit, M. Hooghe, P. Baudewyns & S. Walgrave (eds.), De kiezer ontcijferd. Over stemgedrag en stemmotivaties. Tielt: Lannoo, pp. 253-270.

Het Sienjaal - progressieve frontvorming - partijleden

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 19 tot 24