Log in

'Vrijheid & zekerheid'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 8 (oktober), pagina 89 tot 92

Vrijheid & zekerheid

Dirk Holemans
epo, Berchem, 2016

Een noodzakelijk boek. En een fenomenale prestatie. Dat is het minste wat je van Vrijheid & zekerheid van Dirk Holemans kan zeggen. Zes jaar liggen er tussen het eerste idee op papier - dat Zekerheid heette, de kladversie toen nog - en deze klepper van meer dan 300 bladzijden. Het zijn 300 bladzijden waarin Holemans door de sociaaleconomische, filosofische en politieke geschiedenis wandelt van de voorbije honderd jaar, waarin hij de ecologie over de economie schuift, waarin hij de statistieken van vrijheid, zekerheid en gelijkheid volgt en vaststelt dat de jaren 1970 de meest gelijke, meest emancipatorische en meest democratische tot dan waren. Daarna kwam, zoals Noam Chomsky het in de documentaire Requiem for the American Dream (2015) zo prachtig verwoordt, de ‘backlash’. Je zou het kunnen vertalen als de Grote Reactie.

Onder druk van de economische krimp, de globalisering en de almacht van de vrije markt werd zelfs het socialisme neoliberaal. Ondertussen wrong de economie zich los uit de maatschappij. Als we een toekomst willen waarin er gelijke vrijheid is voor iedereen - wereldwijd - binnen de grenzen van de planeet, dan zullen we die economie weer moeten verbinden met een democratische werkelijkheid. Holemans durft - en dat is ook het boeiende aan dit boek - er zelfs het woord ideologie op plakken. Uiteindelijk is ideologie niets om bang voor te zijn of om je neus voor op te halen. Het is maar beter te weten dat je naar de wereld kijkt vanuit een ideologie dan dat je niet eens beseft dat dit zeer ideologische tijden zijn. De ergste ideologieën zijn zij die doen alsof ze er geen zijn.

Tegenover het neoliberalisme dat zich als onontkoombaar en onomkeerbaar profileert, plaatst Holemans het ecologisme: een sociaalecologisch mens- en wereldbeeld dat - en hier komt de paradox - zekerheid en vrijheid met elkaar verbindt door alles te veranderen. ‘Om een zekere toekomst uit te bouwen, moeten we alles veranderen.’ Het is niet voldoende om onze auto’s elektrisch te maken, we hebben een andere mobiliteit nodig. Het gaat niet om windmolens en zonnepanelen, maar wel om een hernieuwbaar, decentraal en democratisch energielandschap. Hetzelfde geldt voor landbouw: ‘Een duurzaam landbouwsysteem impliceert immers dat we veel minder vlees eten, dat we niet uitsluitend donderdag tot veggiedag uitroepen, dat we samenwerken om alternatieven uit te werken en dat we niet langer massaal eiwitten (soja) invoeren uit Zuid-Amerika om onze varkens te voederen waarvoor tropisch regenwoud wordt gekapt en inheemse volkeren worden verdreven.’

We hebben, aldus Holemans, een cultuuromslag nodig over hoe we denken over het goede leven. Daarbij komt het erop neer die noodzakelijke veranderingen te formuleren als een constructief toekomstproject. Links, zo meent Holemans, heeft te lang het grote verhaal geschuwd. En nee, hij pleit niet voor de grote revolutie met het ene, duidelijke antwoord. Wel ziet hij nu al een veelvoud aan tegenstromen die zich - hoopt hij - met elkaar verbinden. Revolutionair reformisme is de term die Holemans hiervoor gebruikt.

Drie grote delen telt Vrijheid & zekerheid. Zoals een zeiler het ruime sop kiest, stelt Holemans eerst zijn kompas af. Hij bepaalt de richting waarin hij wil varen. Holemans schetst de wereld zoals hij is en hoe hij zo geworden is. Hij treedt hiervoor in dialoog met de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman, die uit zijn meer dan zestigjarige studie van de menselijke samenleving concludeert dat een mens twee zaken nodig heeft: vrijheid en zekerheid. Volgens Holemans is dat een intrigerend kader om naar de maatschappij te kijken, al vraagt hij zich af of het wel klopt: dat het ene altijd ten koste gaat van het andere, dat meer vrijheid minder zekerheid oplevert en omgekeerd? Wat als je vrijheid en zekerheid aan elkaar kan vastklikken zodat ze elkaar in evenwicht houden? Is het niet mogelijk individuele vrijheid te koppelen aan een stevig gemeenschapsgevoel? Kan vrijheid een gemeenschappelijk goed zijn? Het is de centrale vraag in het eerste deel én het wordt het fundament van het ecologisch burgerschap zoals Holemans het uittekent.

Hij focust daarbij in eerste instantie op die wonderlijke jaren na de Tweede Wereldoorlog, de zogenaamde trentes glorieuses, waarin mensen steeds meer vrijheden aan elkaar regen en zich tegelijkertijd behaaglijk beschermd voelden door een sociale zekerheid die met grote instemming werd uitgebouwd. Het mooie, unieke en bijna heldhaftige aan die sociale zekerheid was de eensgezindheid waarmee men besloot dat die er voor iedereen was - inwoners staat er in de wet, niet Belgen - en dat een menswaardig leven een recht is. De OCMW-wet van 1976, die Holemans omstandig citeert, laat er geen twijfel over bestaan. ‘Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening’ en het OCMW is er om ‘eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.’ De steun was onvoorwaardelijk en men besliste ook in te grijpen voordat iemand arm was. Volgens sociologen en armoedespecialisten nog steeds de beste manier om armoede te voorkomen.

Vreemd genoeg, stelt Holemans vast, zijn het net de sociaaldemocraten die als eersten morrelden aan die zekerheid. Johan Vande Lanotte maakte van het OCMW-basisinkomen een leefloon en koppelde er activeringsvoorwaarden aan vast. Voor wat hoort wat, is de niet mis te verstane titel van een boekje dat Patrick Janssens over sociaal beleid publiceerde. Het is de backlash.

De sociale zekerheid was gegrondvest op de illusie van voortdurende economische groei. In de vrijheid en zekerheid die men in de jaren na de Tweede Wereldoorlog beleefde, was men een fundamenteel element vergeten: het milieu, de natuur, de leefomgeving. Of zoals de vakbond het ooit verwoordde: je kan geen economisch paradijs uitbouwen op een ecologisch kerkhof. Op een dode planeet zijn er geen jobs meer. Het doet Holemans besluiten dat we niet terug kunnen, dat we niet kunnen verlangen naar het systeem van toen. Met melancholie komen we nergens. We hebben nieuwe recepten en instituten nodig.

Links, meent Holemans, heeft de fatale vergissing begaan te menen dat het rechts moest imiteren. Ooit was er het heilige geloof in de Derde Weg. Het waren de jaren 1990, de Muur in Berlijn was omvergeduwd, men meende dat ‘de geschiedenis voorbij was’ en men besloot daaruit dat kapitalisme en democratie twee zijden van eenzelfde munt vormden. De maatschappij moest de markt op om te bloeien, om de welvaart te herverdelen en het was niet zo’n probleem dat enkelingen veel geld vergaarden, op tijd en stond zou die rijkdom omlaag druppelen. Extreme rijkdom, zo meenden de aanhangers van de Derde Weg, is geen probleem zo lang men onderaan de ladder nog genoeg heeft.

Het ‘trickle-down-effect’ bleek helaas de pijnlijkste misrekening uit de economische geschiedenis. Als er al iets omlaag druppelt, dan zijn het eerder de lasten - sociaal en ecologisch - dan de lusten. Die verhuizen meestal naar een belastingparadijs.

Wat kan je hier tegenover stellen? Het is de tocht die Holemans in het tweede deel onderneemt. Hij pleit voor de economie van het genoeg en formuleert de waardevolle gedachte dat het belangrijk is ‘het tussenschot te verwijderen in ons denken en doen tussen persoonlijke keuzevrijheid en maatschappelijke betrokkenheid.’ Want wat als totale vrijheid enkel tot diepe eenzaamheid leidt? Wat als - om Holemans nogmaals te citeren - ‘rekening houden met grenzen juist kiezen is voor het behoud van vooruitgang en welzijn?’ Autonomie in verbondenheid, noemt Holemans dit. En de ideologie van het ecologisme omschrijft hij als - ik schreef het al - ‘gelijke vrijheid voor iedereen binnen de grenzen van de planeet.’

Dat is het kader, dat is de richting en dat is het doel. Maar hoe kan je daar geraken? Holemans kiest in het derde deel drie maatschappelijke sectoren uit waarin de veranderingen al op elkaar inspelen: landbouw en voedselvoorziening, energie, en het monetaire systeem. Hij kijkt naar de vele initiatieven rond stadslandbouw, naar de CSA-bedrijven (Community Supported Agriculture) en naar de burgercoöperaties rond duurzame energie. Hij benadrukt dat dit niet zomaar lokale initiatieven zijn, maar dat ze zich inschrijven in een globale beweging die ernaar streeft het lokale te herwaarderen binnen een globaal kader. Het gaat er niet om ons terug te trekken op stedelijke enclaves, maar wel om een wereldwijd netwerk te voeden van lokale, duurzame initiatieven. Een ander monetair systeem, betoogt Holemans, zal daarbij essentieel zijn. Ook dat bestaat reeds. Hij geeft het voorbeeld van de Sardex, een lokale munt op Sardinië, en van de Bristol Pound. Het is geld dat de gemeenschap ondersteunt. Het is geld dat enkel waarde heeft als het circuleert. Het is geen geld dat meer waard wordt als je ermee speculeert.

Natuurlijk zet Holemans ook de lijnen van zijn eigen verdediging uit. Hij voorziet de kritiek en het gekende betoog dat dit lichtjes romantische dromen zijn van een groene jongen, maar dat ze in de gegeven tijden van moeilijke begrotingen niet realistisch zijn.

Twee zaken plaatst Holemans daar tegenover. Hij toont feilloos aan dat het ecologisch denken de ongekende erfgenaam is van de Verlichting. Voor wie hier aan twijfelt, raad ik trouwens graag een ander boek aan: De uitvinder van de natuur (2016, Uitgeverij Atlas Contact) waarin Andrea Wulf het leven van de 18de eeuwse Alexander von Humboldt beschrijft. Hij is een verlichtingsdenker die de mens er met wetenschappelijke precisie op wijst dat hij deel is van het ecologische systeem en dat een economie die de ecologie vergeet, vroeg of laat in een doodlopend straatje sukkelt. Maar Holemans pent als antwoord op mogelijke kritiek ook een andere bijzonder zin neer: ‘Het veronachtzamen van zachte waarden leidt tot keiharde miserie.’ Vrijheid & zekerheid gaat resoluut voor de herwaardering van de menselijkheid in deze wereld.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 8 (oktober), pagina 89 tot 92