Abonneer Log in

Na het succes van Parijs wacht het zware werk

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 9 (november), pagina 42 tot 49

Na het klimaatakkoord van Parijs spoorde minister-president Geert Bourgeois zijn collega-ministers aan om ‘iedereen te mobiliseren om de klimaatdoelstellingen te halen’. De Vlaamse regering werkt sindsdien aan een energievisie en organiseert klimaatrondetafels. Op de tweede Vlaamse Klimaattop van 1 december zal ze een tussenstand opmaken. Ons gaat het te traag. Na het succes van Parijs wacht het zware werk: nuluitstoot van CO₂ realiseren. Momenteel zitten we daarvoor niet op koers. Wij ijveren er daarom voor dat het klimaatbeleid verschuift van een incrementele aanpak gericht op stapsgewijze emissiereducties naar een beleid gericht op nuluitstoot door systeeminnovatie, waarin de overheid een sturende rol opneemt. In deze bijdrage lezen we welk soort beleid er nodig is om de klimaatdoelstellingen te verwezenlijken en geven we per uitstootsector enkele harde noten aan die de overheid in het huidige traject te kraken heeft.

DE TWEE SPOREN VAN DE VLAAMSE REGERING

Om iedereen bij het klimaat- en energieverhaal te betrekken, werkt de Vlaamse regering momenteel op twee sporen.

Het ene spoor richt zich op het uitwerken van een Vlaamse energievisie. Daarbij is Minister van Energie, Bart Tommelein, de trekker. ‘Stroomversnelling’ is de naam van het hele gebeuren.1 Een toekomstgericht, participatief en transversaal traject moet een energievisie en -pact opleveren. Dat kan dan concrete beleidsmaatregelen en -acties opleveren om de energietransitie te realiseren en te versnellen. De energievisie zou ook dienen als input voor de langverwachte federale energievisie van federaal Minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling, Christine Marghem. Binnen ‘Stroomversnelling’ zijn er momenteel 5 expertenwerkgroepen aan de slag, of in opstart, rond de thema’s: hernieuwbare energie, energiebesparing, flexibiliteit, financiering en governance. Daarnaast is er ook een burgerpanel actief, de zogenaamde ‘Stroomgeleiders’.

Op het andere spoor is Minister van Klimaat, Joke Schauvliege, aan zet. Zij en al haar collega’s in de Vlaamse regering organiseren thematische rondetafels die klimaatengagement moeten losweken in de samenleving. De afgelopen maanden vonden er zo al een twaalftal rondetafels plaats, zowel eerder algemene (zoals voor de sectoren mobiliteit en landbouw) als meer specifieke (zoals voor F-gassen of overheidsgebouwen).

Zowel van de ‘Stroomversnelling’ als de klimaatrondetafels zal de Vlaamse regering een tussenstand opmaken tijdens de tweede Vlaamse Klimaat- en Energietop op 1 december. De focus ligt op de presentatie van engagementen en het versnellen van het beleid om de Europese doelstellingen voor 2020 rond emissiereducties, hernieuwbare energie en energiebesparing te halen. In de loop van 2017 zouden de twee sporen, samen met werk op politiek niveau, de bouwstenen aanleveren voor een klimaat- en energieplan voor 2030. De regio’s en de federale overheid moeten immers in de loop van 2017 een ontwerpplan indienen bij Europa waarin ze duidelijk maakt hoe ze voor 35% emissiereducties in de non-ets (gebouwen, transport, landbouw) zullen zorgen tegen 2030.2 Ook de Belgische bijdrage aan de Europese doelstellingen voor hernieuwbare energie en energiebesparing moet worden geconcretiseerd. Die plannen zouden in 2018 afgewerkt worden. Het ligt dus nog op de tafel van de huidige regeringscoalities.

ONDOORZICHTIG PROCES

De hierboven beschreven aanpak van de Vlaamse regering leidt tot twee vaststellingen.

Langs de ene kant is het toe te juichen dat er heel wat aandacht en energie gaat naar een regionaal vervolg voor het klimaatakkoord van Parijs. Verschillende ministers in de Vlaamse regering scharen zich openlijk achter de energietransitie. Ze lijken ook vast van plan om voor de broodnodige versnelling te zorgen op het vlak van de uitbouw van hernieuwbare energie of elektrisch transport, om slechts twee actuele thema’s te noemen.

Langs de andere kant zorgt de proliferatie aan overleg, rondetafels en inspraakmomenten voor een ondoorzichtig proces. Er gebeurt dubbel werk, er is onvoldoende afstemming tussen de verschillende sporen en de aanpak verschilt per overleg. Zo is er net een renovatiepact afgesloten onder auspiciën van de ene minister en roept een andere minister de stakeholders opnieuw bij elkaar over de energiemaatregelen voor publieke gebouwen. En wat te denken van een kabinetsmedewerker die de rondetafel opent met: ‘kom met de gekste ideeën, denk maar eens helemaal vrij, maar herinner u: er is geen geld!’

COMMISSIE BIEDT FUNDAMENT

Naast de trajecten die uitgaan van Vlaamse regering is er nog een opmerkelijk initiatief. Op 17 februari 2016 heeft het Vlaams parlement de ‘Commissie voor de opvolging van het klimaatbeleid in Vlaanderen’ opgericht. Die klimaatcommissie moet uitmaken hoe Vlaanderen de afspraken van de klimaattop in Parijs in de praktijk gaat brengen. In de commissie zijn hoorzittingen georganiseerd met Europese topfunctionarissen, academici, verantwoordelijken van onderzoeksinstellingen, actoren uit het bedrijfsleven en uit het middenveld. Zo gaven onder andere Jos Delbeke van DG Clima, Hans Bruyninckx van het Europees milieuagentschap, Danielle Devogelaer van het Federale Planbureau en Ronnie Belmans van Energyville er goed onderbouwde presentaties.3 De commissie heeft ook adviezen ontvangen van raden die van ver of van dicht met het klimaatbeleid te maken hebben. Via die weg hebben de meeste middenveldorganisaties zich uitgesproken.

De commissie heeft dus een schat aan informatie in handen van experts én belangengroepen. Als ze dit kan omzetten in vernieuwende en goed onderbouwde aanbevelingen, die ook door meerderheid en oppositie zijn onderschreven, biedt ze een fundament voor de twee hierboven besproken sporen.

SPRONG VOORUIT?

Vanuit de optiek om te roeien met de riemen die er zijn, tracht Bond Beter Leefmilieu van de lopende processen het beste te maken. We focussen op twee werven. Langs de ene kant ijveren we ervoor dat het klimaatbeleid verschuift van een incrementele aanpak gericht op stapsgewijze emissiereducties naar een beleid gericht op nuluitstoot door systeeminnovatie. Langs de andere kant bouwen we mee aan een consensus voor ‘moeilijkere’ maatregelen waarvan geweten is dat ze vanuit klimaatoogpunt nodig zijn, maar die vooralsnog niet zijn ingevoerd. Beide insteken komen hieronder nog kort op hoofdlijnen aan bod. In ons dossier ‘Na Parijs: van hernieuwbaar naar fossiel in tien jaar’ vindt u meer toelichting.4

NOOD AAN SYSTEEMINNOVATIE

Het klimaatakkoord van Parijs wil de risico’s van de klimaatverandering beperken door de opwarming ruim onder de 2 graden Celsius te houden. Daarvoor moet de mondiale uitstoot van broeikasgassen nu haar hoogtepunt bereiken en dan pijlsnel dalen naar 0 net voorbij 2050. Het traject voor de ontwikkelde landen is duidelijk: snel naar nuluitstoot van CO₂ evolueren door fossiele brandstoffen overbodig te maken. Momenteel zit België niet op koers voor die nuluitstoot van CO₂ of een reductie van de broeikasgassen met 95% tegen 2050.5 De uitstoot van broeikasgassen zou daarvoor ieder jaar met 8% moeten dalen (Figuur 1).

Daarvoor hebben we nood aan door de overheid aangestuurde systeeminnovatie. Om een nieuw energiesysteem vorm te geven dat nuluitstoot mogelijk maakt in de belangrijkste emissiesectoren, volstaat de courante aanpak in het klimaatbeleid niet. Er is meer en iets anders nodig dan een opsomming van (kostenefficiënte) emissiereductiemaatregelen. Op een gestructureerde wijze moeten de infrastructuur, de nieuwe regelgeving, de bijgestelde marktmodellen, de nieuwe spelers of ander gedrag het licht zien die het hernieuwbaar energiesysteem doen functioneren.

Voor 2045 - dus door investeringen die nu gebeuren - moeten landen zoals België evolueren naar nuluitstoot in het elektriciteitssysteem. Ook in de andere sectoren is de benodigde snelheid van emissiereducties en de omvang van investeringen bijzonder hoog. Grafiek 2 van Bond Beter Leefmilieu illustreert dat de meeste technologie op fossiele brandstoffen in de komende 15 jaar moet verdwijnen.

Het komt er dus op aan in de juiste richting te innoveren en geen fouten te maken bij de door de overheid aangestuurde implementatie. Zo is de inzet op aardgas in transport volstrekt zinloos: het leidt tot een marginale CO₂-besparing en heeft geen potentieel vanuit het oogpunt van nuluitstoot. Net dezelfde fout is in transport eerder al gemaakt met de verdieseling en de biobrandstoffen. Dat voorbeeld illustreert het belang van het langetermijndoel. Het klimaatakkoord van Parijs en het Europese beleidskader leveren al waardevolle, maar respectievelijk onvoldoende concrete of ambitieuze doelstellingen. Laten we het klaar en duidelijk stellen: rond 2040 zouden de gebouwen geen CO₂ meer mogen uitstoten. Rond 2045 moeten elektriciteitsproductie, transport en industrie volgen. Enkel de landbouw krijgt iets meer respijt.

HARDE NOTEN PER SECTOR

De studies die in kaart brengen wat soort beleid en welke maatregelen er nodig zijn om de klimaatdoelstellingen te verwezenlijken, komen vaak op gelijkaardige conclusies uit.6 In vogelvlucht geven we enkele harde noten aan per uitstootsector die de overheid in het huidige traject kan kraken.

Mobiliteit

Om volledig los te koppelen van fossiele brandstoffen stelt de overheid dat 2030 het laatste jaar is waarin wagens op diesel, benzine of aardgas mogen worden verkocht. Wagens met nuluitstoot worden op die manier snel betaalbaar en de norm. Natuurlijk willen we niet dat de wegen dichtslibben met elektrische voertuigen. Door het aanbod van en de infrastructuur voor fietsers, deelvoertuigen en collectief vervoer te verbeteren, krijgt de modal shift eindelijk vorm.
Daarnaast is een slimme kilometerheffing een absolute noodzaak. Niet alleen om verkeersstromen te sturen, het wagenpark te vergroenen en de vervoersvraag te temperen. Door de elektrificering en automatisering nemen respectievelijk het brandstofverbruik af en riskeert de doorbraak van zelfrijdende voertuigen nieuwe groepen in de wagen te lokken. Een kilometerheffing kan de beperkte sturing van de brandstofaccijnzen overnemen en het gebruik van zelfrijdende voertuigen in de steden remmen. Daarbij kan het doel zijn om ritdelen aan te moedigen en individueel wagengebruik te ontmoedigen.7 Het fiscaal stelsel voor salariswagen faseren we zo snel als mogelijk uit.

De idee van nuluitstoot voor wagens maakt deel uit van de aanbevelingen van de ‘Stroomgeleiders’. Daarnaast smeedt de klimaatresolutie van het Vlaams Parlement hopelijk ook de consensus voor die maatregel en een kilometerheffing. Naast het personenvervoer, zijn er specifieke maatregelen nodig voor vrachtvervoer en de luchtvaart. Doel moet zijn om de milieuvriendelijke alternatieven beter beschikbaar en betaalbaar te maken. Tot slot is er nood aan een betonstop. Bouwen kan enkel nog in de stads- en dorpskernen. Daardoor kunnen we te voet naar de winkel of met de fiets naar school. Door dichter bij elkaar te bouwen, worden collectieve energienetten op basis van geothermie of zonne-energie haalbaar en betaalbaar.

Elektriciteitsproductie en -netwerken

Om elektrisch vervoer en hernieuwbare energie volop te integreren in het elektriciteitssysteem is een slim elektriciteitsnet nodig, dat ervoor zorgt dat de voertuigen opladen wanneer er goedkope groene stroom uit zon en wind voorhanden is. Ook het gebruik van andere elektrische toepassingen moet steeds meer afgestemd op de productie van hernieuwbare energie.

De uitbouw van hernieuwbare energie loopt voorlopig nog te traag. Er is een duidelijke en ambitieuze hernieuwbare energiedoelstelling nodig op Vlaams niveau voor 2030. Een gunstig investeringsklimaat met een duidelijke CO₂-prijs en geen kernenergie zorgt er dan voor dat investeerders zin hebben om projecten uit te bouwen. De energievisie moet dus zowel de kern­uitstap verankeren, een hernieuwbare energiedoelstelling formuleren en richting geven voor de uitbouw van het net van de toekomst. De benodigde investeringen in het net en de (tijdelijke) ondersteuning van hernieuwbare energie zouden moeten worden doorgerekend via een CO₂-heffing op de aardgas- en stookoliefactuur, eerder dan via de elektriciteitsrekening. Voor bedrijven die blootgesteld zijn aan internationale concurrentie op basis van energieprijzen en voor kwetsbare huishoudens die met energiearmoede kampen, is er nood aan specifiek beleid. Eerder dan ze af te schermen van het prijssignaal voor vervuiling is er nood aan beleid dat ervoor zorgt dat die sectoren en groepen versneld onafhankelijk worden van fossiele brandstoffen.

Opnieuw kan de klimaatresolutie van het Vlaams Parlement voor een brede steun zorgen voor deze visie en maatregelen. De expertenwerkgroepen binnen de Stroomversnelling kunnen ze technisch uitwerken en de wisselwerking tussen verschillende aspecten onderzoeken zoals financiering van de transitie, versnelde uitbouw van hernieuwbare energie en flexibiliteit van het net met een groeiende rol voor vraagsturing en opslag.

Gebouwen

In de gebouwen wacht de heikele taak om eerst stookolieketels en daarna warmteproductie met aardgas overbodig te maken. Na steenkool is stookolie de meest CO₂-intensieve en vervuilende vorm van verwarming. Een overgangsprogramma richt zich zowel op diepgaande energierenovaties van het gebouwenpark als op duurzame energietoepassingen zoals warmtepompen en zonneboilers. Waar het mogelijk is, zullen netten voor restwarmte, aardwarmte of andere hernieuwbare warmte vorm krijgen. Het is duidelijk dat de werken in de gebouwen enorme investeringen en (deels) nog nieuwe technologie vergen zoals syngas uit hernieuwbare elektriciteit of groen gas uit duurzame biomassa. Een combinatie van aangescherpte regelgeving rond energieprestaties voor bestaande gebouwen, in de eerste plaats overheidsgebouwen en verhuurwoningen, en het bevorderen van (private) investeringen moet de renovatiegolf doen zwellen. De aanbevelingen van het ‘renovatiepact’ moeten doorwerken in het energiebeleid en de inkomsten uit de verkoop van emissierechten, die voor Vlaanderen ongeveer 90 miljoen euro per jaar bedragen, zouden in de eerste plaats naar energiebesparing in deze sector kunnen gaan.

Industrie

De industrie mag de boot van innovatie en vernieuwing gericht op nuluitstoot niet missen. Nu al zijn er heel wat gunstregimes uitgewerkt voor de industrie: de energiebeleidsovereenkomsten, de vrijstelling van accijnzen, de vrijstelling op heffingen van de netbeheerders en de compensatie voor de CO₂-prijs die is doorgerekend in de elektriciteitsfactuur. Ondanks al die gunsten slabakt het energiebesparing in de industrie en zijn de inspanningen rond systeeminnovatie eerder fragmentair of bescheiden.
Omdat de industrie net zoals de elektriciteitsproductie onder de Europese handel in emissierechten (ETS) valt, is er in de eerste plaats nood aan een robuuste koolstofprijs die minstens 5 keer hoger ligt dan de huidige marktprijs (6 euro/ton). Daarnaast kan de overheid de voordelen en steun koppelen aan kwantitatieve doelstellingen en de verplichting om te investeren in energiebesparing en koolstofneutrale productietechnologieën. De Stroomversnelling en de klimaatresolutie van het Vlaams Parlement zullen hiervoor eens stevig aan de boom moeten schudden.

Landbouw

In de landbouwsector ligt de focus nu vooral op maatregelen om de efficiëntie op te drijven. Zo zijn er besparingsmaatregelen voor de glastuinbouw, vergisters voor mest en onderzoek naar voeder en additieven om de methaanuitstoot van herkauwers terug te brengen. Een systeeminnovatie zou zich eerder richten op een landbouwsysteem dat een gegarandeerd inkomen voor de boer, voedselzekerheid aan haalbare prijzen en gezond ecosysteem samen tot stand brengt.

In Vlaanderen is de veestapel de belangrijkste factor in de vervuiling van bodem, water en lucht door de landbouw. Door verminderde consumptie van dierlijke eiwitten, technologische innovaties in de voedingssector en het tegengaan van voedselverspilling moet het mogelijk zijn om de veestapel met meer dan de helft te reduceren. Een eerste belangrijke stap die de overheid kan zetten, is om plantaardige voeding en vlees- en melkvervangers overal beschikbaar en goedkoper te maken dan de vervuilende dierlijke producten. Daarnaast kan de overheid helder en actief consumeren voor plantaardige consumptie. Een symbool, zoals de subsidie voor schoolmelk, kan eerst op de schop.

KOKEN KOST GELD

In haar advies voor de klimaatcommissie in het Vlaams parlement schrijft de Serv8: ‘VEA, de cel energie en lucht binnen LNE en de energieregulator (VREG) moeten beter gewapend zijn om de omvangrijke uitdagingen in het klimaat- en energiebeleid aan te kunnen. De situatie is nu nog steeds bijzonder penibel. Aan deze centrale maatschappelijke uitdaging werken vanuit de milieu- en energieadministratie nog geen 100 personen op een totale Vlaamse administratie van 40.325 (0,2%). Dat staat in zeer schril contrast met de talloze taken die deze diensten traditioneel moeten uitvoeren en nog veel meer in verhouding tot de taken die ze zouden moeten krijgen in het kader van een transitieaanpak met meer onderbouwing, meer participatie, meer visievorming, meer netwerking, meer samenwerking, …

In de benodigde systeeminnovatie zal de overheid een sturende rol moeten opnemen. Het spreekt voor zich dat er een stevige verschuiving van budgetten en personeel en een herorganisatie nodig is om er een succes van te maken.

Mathias Bienstman en Jonathan Lambregs
Respectievelijk beleidscoördinator en beleidsmedewerker Klimaat bij Bond Beter Leefmilieu

Noten
1/ Ziehttp://www.stroomversnelling.vlaanderen/.
2/ Zie http://www.vlaamseklimaattop.be/het-europees-klimaat-en-energiepakket-2021-2030.
3/ Zie https://www.vlaamsparlement.be/commissies/1037330#verslagen-van-de-vergaderingen.
4/ https://www.bondbeterleefmilieu.be/artikel/na-parijs-van-fossiel-naar-hernieuwbaar-tien-jaar.
5/ De resterende uitstoot in 2050 is vooral lachgas en methaan van de landbouw.
6/ Zie oa. http://www.klimaat.be/2050/nl-be/home/ en http://www.pbl.nl/publicaties/opties-voor-energie-en-klimaatbeleid.
7/ Zie de longread van Bond Beter Leefmilieu: ‘Een mobiliteitsrevolutie made in Silicon Valley. Afscheid van benzine, diesel en de privéwagen’. Te lezen op www.bblv.be.
8/ http://www.serv.be/sites/default/files/documenten/SERV\_20160615\_klimaatcommissie\_ADV.pdf.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 9 (november), pagina 42 tot 49