Log in

'Het Grote Pensioenbedrog'

Uitgelezen

Het Grote Pensioenbedrog

Mark Scholliers en Jef Vuchelen
Uitgeverij Van Halewyck, Antwerpen, 2016

Dit boek van Mark Scholliers en Jef Vuchelen kreeg veel weerklank. Het leest als een nieuwe klaagzang over onze wettelijke pensioenen en hun betaalbaarheid. In tien stellingen bouwen de professoren op naar een pleidooi voor een basispensioen, een gelijk bedrag voor iedereen, een verplicht aanvullend pensioen en vooral zelf het heft in handen nemen voor een inkomensbehoud op de oude dag.

De weg naar hun voorstel ligt bezaaid met stellingen die met een beschuldigende vinger wijzen naar politiek, vergrijzingscommissie, vakbonden, expertencommissie, en noem maar op. Aangezien de pensioenen in de komende jaren onbetaalbaar worden en daar niemand iets aan doet, aldus de auteurs, brengen zij met hun boodschap heil. Die boodschap is tweeledig: er moet meer kapitalisatie komen in het pensioenstelsel want alleen deze vorm kan de betaalbaarheid garanderen, én mensen moeten zelf het heft in handen nemen en maandelijks een bedrag beleggen, bij voorkeur op een risicovolle manier. "Zeker als u nog een hele loopbaan voor de boeg hebt, is ‘veilig spelen’ op beleggingsvlak een slechte strategie." Bij deze aanbeveling, als afsluiter van de stelling ‘Leg uw pensioenlot niet in handen van de overheid’, fronsen we de wenkbrauwen. Wie dit soort antwoord durft poneren na wat er heeft plaatsgevonden in de financiële sector, heeft of een verborgen agenda of oogkleppen.

In het boek wordt ook gepleit voor een gelijk pensioen voor ambtenaren, werknemers en zelfstandigen. Voor de auteurs is er, in tegenstelling tot een recente studie, geen sprake meer van lagere lonen in de openbare sector en moet het basis- en wettelijk aanvullend pensioen voor iedereen gelijk zijn. Dat dit het makkelijker maakt, klopt, maar het gaat wel voorbij aan de oorsprong van de stelsels en de realiteit vandaag: de lonen zijn effectief lager in de openbare sector en het (enige in België) fatsoenlijke wettelijke pensioen maakt deel uit van de loonpackage voor ambtenaren. Bovendien worden bij de overheid geen extralegale voordelen, noch aanvullende pensioenen uitbetaald. Als er werkelijk een wil is om alles gelijk te trekken dan zullen de te besteden middelen (hoger loon en voordelen) minstens even groot zijn. In de realiteit moeten we echter vaststellen dat, onder het mom van gelijkschakelen, puur besparen meestal het enkel doel is. Want dit is ook een rode draad doorheen het boek: inleveren is de enige optie. Hierbij dus de vraag: hoe gaat men de pensioenen van 1.000 euro basispensioen via repartitie en 500 euro wettelijk aanvullend, garanderen als inleveren het uitgangspunt is? Het boek gaat hier nogal vlot over. Want als er hogere pensioenen worden uitgekeerd dan vandaag dan komen die middelen niet uit de lucht vallen. Volgens de auteurs dus blijkbaar wel.

Met vele stellingen kan ik niet akkoord gaan, maar de professoren halen ook punten aan die belangrijk zijn. Zo stellen ze dat het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd naar 67 jaar niet de gestelde mirakeloplossing is. De getroffen werknemer die in het beste geval verder kan blijven werken tussen 65 en 67 jaar kan niet worden vervangen door een werkzoekende. Wanneer dit wel zo zal zijn, waar de regering van uit gaat, dan heeft de optrekking van de pensioenleeftijd een enorme impact. Gedurende twee jaar zullen mensen langer werken én bovendien de werkzoekenden die hen zouden hebben vervangen ook een job vinden. Dat een aangepast arbeidsmarktbeleid hiervoor onontbeerlijk is, bevestigen Vuchelen en Scholliers volmondig. Wat zij wel stellen is dat het optrekken van de pensioenleeftijd de meest milde en dus te verkiezen vorm van inleveren is. Opnieuw: volgens de auteurs kunnen we er niet omheen, inleveren is een must. De boodschap aan de vooruitziende burger kan daarom niet anders zijn dan dat hij meer dan ooit zelf zal moeten zorgen voor een aanvullend vermogen om zijn pensioen aan te vullen.

De ideeën die de auteurs hebben over werknemers strookt vaak niet met de realiteit. Dat mensen niet beleggen is, volgens hen, een gemakkelijkheidsoplossing met gebrek aan tijd als argument. ‘Zelf sparen voor je pensioen is voor niemand onoverkomelijk’. Iedereen kan toch wel 97 euro per maand, per persoon, aan de kant zetten. De auteurs doen een interessant voorstel wat betreft de eindeloopbaan, namelijk om bij het aanvaarden van een ander, minder zwaar en financieel minder aantrekkelijk beroep de ‘oude’ pensioenrechten te laten doorlopen. Ze stellen hierbij echter dat het gaat om willen aanvaarden. Dat het vaak gaat over mensen die zelfs geen lichtere job meer ‘aankunnen’, lijkt bij de auteurs niet op te komen.

En dat ontbreekt ook in het boek. Er wordt geen rol toebedeeld aan de sociale zekerheid en haar oorsprong. Er wordt geen bescherming van de werknemer voorzien noch nagestreefd. Het verhaal heeft één invalshoek, de puur financiële waarbij de aangereikte oplossingen bovendien reeds aangetoond hebben dat ze niet toereikend zijn. Er wordt geen aandacht besteed aan hoe de pensioenen waardig en sociaal aanvaardbaar te houden. Naar eigen vermogen, elk voor zich. Opnieuw een pleidooi in die richting zonder dat het bovendien extra vernieuwend uit de hoek komt. Geen verplichte lectuur dus.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 10 (december), pagina 97 tot 98