Log in

De pensioenhervorming, KO op punten

Het puntensysteem van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 zou moeten toelaten om het pensioensysteem eenvoudiger, rechtvaardiger en transparanter te maken, maar vormt vandaag de inzet van intense controverse. Terwijl pensioenminister Daniël Bacquelaine (MR) zich sterk maakt om het pensioen met punten nog deze legislatuur door te voeren, zijn de sociale partners veel minder enthousiast en is de vakbeweging ronduit tegen. Waarom is dit ogenschijnlijk zeer technisch 'detail' zo'n grote struikelsteen geworden? Zit er een weeffout in het concept zelf?

De vergrijzing van de bevolking is het proces waarbij de verhouding van het aantal ouderen in de bevolking stelselmatig toeneemt. Historisch maakten 65-plussers doorgaans nooit veel meer dan 6 tot 7% van de bevolking uit. Na de Eerste Wereldoorlog, en vooral sinds de jaren 1950, is dit aandeel stelselmatig toegenomen. Vandaag zijn er in ons land 18% 65-plussers. De prognoses van het Planbureau voorzien dat dit aandeel zal aangroeien tot 24% in 2038, om vervolgens quasi te stagneren tot het einde van de projectie in 2060. In de komende twintig jaar zou de oudere bevolking in ons land dus met een kwart aangroeien.

Die versnelde aangroei, en de daaropvolgende stagnatie, is het gevolg van de geleidelijke pensionering van de babyboomgeneratie van na de Tweede Wereldoorlog, die sinds kort de groep gepensioneerden vervoegt en dit zal blijven doen tot eind van de jaren 2030. Noteer evenwel dat de effectieve pensioenleeftijd in België reeds geruime tijd lager ligt dan 60 jaar en pas recent opnieuw is beginnen stijgen. De proportie effectief gepensioneerden ligt dan ook al jaren rond 24%, en een verhoging van de effectieve pensioenleeftijd zou reeds grotendeels de toekomstige aangroei 65-plussers neutraliseren.

Puur mathematisch is het dus onvermijdelijk dat door de absolute en proportionele aangroei van de pensioengerechtigden in ons land de uitgaven voor pensioenen in de komende 20 jaar zullen moeten stijgen. De Studiecommissie voor de Vergrijzing werd opgericht in 2001 in het kader van het Zilverfonds onder de regering-Verhofstadt. De Commissie is belast met het opstellen van een jaarverslag over de budgettaire gevolgen van de vergrijzing. Ze voorziet in haar rapport van 2014 (voorafgaand aan de maatregelen van de huidige regering) een stijging van de pensioenuitgaven van 10,6% van het bnp in 2013 tot 14,9% in 2040, en vervolgens een stagnatie van dit aandeel tot 2060 (SCvV, 2014).

DE MENS IN FUNCTIE VAN DE ECONOMIE

Gegeven dat in een aantal Europese landen het percentage van het bnp dat naar pensioenen gaat nu al hoger dan 14% is, leken de prognoses van de Studiecommissie voor de Vergrijzing jaar na jaar te bevestigen dat, ondanks de te verwachten sterke vergrijzing van de bevolking, de pensioenrekening betaalbaar bleef. De vergrijzing van de bevolking is echter het thema bij uitstek geworden om een aantal beginselen van ons sociaal zekerheidssysteem in vraag te stellen. Historisch is dit wel bijzonder, want de verzekering tegen de oude dag was van oudsher het meest populaire en minst omstreden onderdeel van de moderne sociale zekerheidssystemen. Maar sinds de demografische dynamiek van toenemende levensverwachting en dalende geboortecijfers de proportie ouderen doet toenemen, is de discussie over de betaalbaarheid van de pensioenen nooit meer weggeweest.

Hoewel, eigenlijk is dit niet helemaal correct. In de jaren 1930 werd die discussie al een eerste maal gevoerd. De bekende Franse demograaf Alfred Sauvy waarschuwde al in 1936 voor de toename van het aantal ouderen en de daarmee gepaard gaande economische uitdagingen voor de sociale zekerheidskassen (Halbwachs & Sauvy, 2005). Het aandeel 65-plussers was toen amper 7%. Later zou hij zijn beoordeling bijstellen door ook de toename van de arbeidsproductiviteit in rekening te brengen (Sauvy, 1969).

De sleutelvraag draait inderdaad rond de verhouding tussen twee evoluties: in de demografie en in de economie. In de mate dat arbeidsproductiviteit sneller stijgt dan demografische evoluties, zoals vergrijzing, stelt het probleem zich immers niet in termen van onmogelijke financiering, maar wel in termen van prioriteiten en toegang tot de vruchten van de productiviteitsstijging.

Dit was ook lange tijd het heersende paradigma zowel binnen de economie als binnen de politiek. De toegenomen productiviteit kwam via belastingen en sociale transfers de gehele bevolking ten goede, zowel in termen van stijgende welvaart als in afname van arbeidstijd. Het aantal gewerkte uren op jaarbasis is sinds de Tweede Wereldoorlog stelselmatig blijven dalen. Maar minstens even belangrijk was de daling van de effectieve pensioenleeftijd en de spectaculaire stijging van de gemiddelde leeftijd van afstuderen. De afname van het aantal jaren activiteit in de formele economie was slechts mogelijk doordat steeds minder arbeid nodig is om eenzelfde grootheid welvaart te creëren. Werkgevers werden door de overheid aangemoedigd om arbeidsherverdeling door te voeren via systemen van tijdskrediet of vervroegde pensionering.

Sinds de Tatcher-Reagan jaren is het Keynesiaans economische denken (waar de vraag, en dus in essentie de noden van de mens, centraal staan) echter steeds meer onder druk komen staan van het economisch marktfundamentalisme met zijn variante van het economische aanbod denken (supply sides economy). Terwijl vanuit de Keynesiaanse invulling van de economie de technologische vooruitgang de discussie toespitst op de herverdeling van arbeid en de herverdeling van inkomen om de vraag te stimuleren, staat het marktfundamentalisme voor groei om de groei en draait de supply sides economy de economie op haar kop. Wellicht wat kort door de bocht, maar toch gaat het om een fundamentele verschuiving van de economie in functie van de noden van de mens, naar de mens in functie van de economie.

IN HET KEURSLIJF VAN EEN BESPARINGSLOGICA

De publicatie van het jaarrapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing was dan ook steevast aanleiding tot heftige polemieken.

Enerzijds werd de Studiecommissie van overmatig optimisme beschuldigd. Het feit dat de Commissie aangaf dat de kost van de vergrijzing slechts een paar procentpunten van het bnp bedroeg, was herhaaldelijk aanleiding tot kritiek over een te rooskleurige visie (Winckelmans, 2011).

Anderzijds was het niet ongebruikelijk om het rapport van de Commissie verkeerd te interpreteren om de roep naar een herziening van de pensioenen kracht bij te zetten. De totaliteit van de sociale uitgaven (met inbegrip van gezondheidszorg, werkloosheid, kinderbijslag, enzovoort) bedraagt ongeveer 25% van het bnp. De Studiecommissie voor de Vergrijzing gaat na hoeveel dit bedrag in de toekomst zou kunnen stijgen ten gevolge van de verandering in de leeftijdssamenstelling van de bevolking. In het jaarrapport van 2017 bijvoorbeeld raamt de Commissie dat dit bedrag tegen 2040 28,5% van het bnp zou kunnen bedragen, of een stijging met 3,2%. Vervolgens zou dit aandeel terug dalen tot 27,6% in 2060. De budgettaire kost van de vergrijzing bedraagt dus 3,2% van het bnp tegen 2040 en daalt terug tot 2,3% in 2060. Toch slagen commentatoren en journalisten er geregeld in om de totaliteit van de uitgaven van de sociale zekerheid als 'vergrijzingskosten' te bestempelen. Dit was vorig jaar nog het geval in Het Laatste Nieuws (13/7/2016). Maar ook de minister van Financiën, Johan Van Overtveldt, schreef ooit dat 'de totale vergrijzingskosten tegen 2030 zullen oplopen tot 29,2 procent van het bbp.' (Van Overtveldt & Janssens, 2010)

Het is in die context dat de oprichting van de Commissie Pensioenhervorming, ook wel de Commissie Vandenbroucke genoemd, in april 2013 door toenmalig minister van Pensioenen Alexander De Croo (Open VLD) en minister van Middenstand Sabine Laruelle (MR) moet worden gezien.

De opdracht van de Commissie Pensioenhervorming was om een hervorming van de pensioenen op stapel te zetten met de expliciete doelstelling de budgettaire kost van de pensioenen in de toekomst af te remmen. De voorgestelde pensioenhervorming zat dus van bij de aanvang in het keurslijf van een besparingslogica. Nochtans was de Commissie Pensioenhervorming er zich goed van bewust dat, wanneer ze de door haar voorgestelde billijkheid zou nastreven, hervormingen gepaard moesten gaan met een bijkomende financiering (Commissie Pensioenhervorming 2020-2040, 2014a). 'Kortom, welke concrete opties ook genomen worden, het zoeken naar bijkomende financiering is onafwendbaar, zowel op korte termijn als op langere termijn. (…) We zijn van oordeel dat financiering op andere factoren dan arbeidsinkomens en op basis van vermogen daarin een rol moet spelen' (Commissie Pensioenhervorming 2020-2040, 2014b, p.37).

In tegenstelling tot de Studiecommissie voor de Vergrijzing zal de Commissie Pensioenhervorming het pensioendossier uit de globale economische en budgettaire context tillen. Haar opdracht focust op de financiële houdbaarheid, en wel zodanig 'dat het pensioensysteem op zichzelf in een houdbaar evenwicht moet worden gebracht' en dat dit dient te gebeuren 'zonder stelselmatige verhoging van de bijdragen op de arbeidsinkomens van de actieven.' (Rapport, p.37)

Vanuit die logica reduceert de Commissie Pensioenhervorming de pensioenproblematiek in wezen tot een evenwichtsoefening tussen actieven en gepensioneerden.

DE WAARDEN VAN DE COMMISSIE PENSIOENHERVORMING

Het puntensysteem van de Commissie Pensioenhervorming is volledig binnen de logica van een quasi 'zero sum' systeem opgebouwd alsof de economie slechts bestaat uit twee actoren: de actieven en de gepensioneerden. De Commissie Pensioenhervorming stelt dat drie fundamentele waarden de grondslag moeten vormen van een goed pensioensysteem: solidariteit, individuele verantwoordelijkheid en intergenerationeel evenwicht.

Een. Solidariteit houdt in dat een pensioensysteem 'financiële mechanismen moet bevatten die zorgen voor transfers van middelen van bepaalde deelgroepen in de samenleving naar andere. Hierdoor kan men corrigeren voor ongelijkheden die niet te rechtvaardigen zijn op basis van verschillen in arbeidsinzet, en kan men ook aan de zwakkeren in de samenleving een behoorlijk pensioen garanderen.'

Twee. Individuele verantwoordelijkheid benadrukt de 'verzekeringsfunctie' van het pensioensysteem en introduceert een sterke relatie tussen de hoogte van het pensioen en het arbeidsinkomen tijdens de actieve loopbaan.

Drie. Intergenerationeel evenwicht betekent 'dat het systeem financieel duurzaam moet zijn, zodat de lasten van de huidige pensioenen niet op een onaanvaardbare wijze doorgeschoven worden naar de toekomstige generaties.'

Vervolgens worden die waarden conditioneel gemaakt ('beleidsdoelstellingen zijn steeds gesitueerd in een spanningsveld tussen wenselijkheid en haalbaarheid') door erop te wijzen dat het pensioensysteem wel degelijk geïntegreerd is in een bredere economische en sociale context. Er moet over worden gewaakt dat 'het systeem geen perverse effecten heeft op de arbeidsmarkt en vandaar op de internationale competitiviteit van de economie' (Rapport, p.12). En zo is de cirkel rond: de Commissie Pensioenhervorming zal zich focussen op het pensioensysteem los van de economische en sociale context, want die behoort niet tot haar opdracht, maar wel geconditioneerd door diezelfde context.

Het gevolg van die redeneringswijze is dat 'solidariteit' in het rapport niet verder wordt uitgewerkt. Een mechanisme van financiering door de invoering van een belasting op de hoogste vermogens bijvoorbeeld wordt wel zijdelings vermeld maar niet verder uitgewerkt. Het ligt immers buiten de opdracht van de Commissie Pensioenhervorming. Ook de discussie over het immense verschil tussen de hoogste ambtenarenpensioenen en het gemiddeld ambtenarenpensioen wordt niet aangesneden. Laat staan dat men buiten het pensioenkader kleurt.

Het intergenerationeel evenwicht daarentegen zal alle aandacht van de Commissie opslorpen. In naam van de toekomstige generaties zal de Commissie Pensioenhervorming een pensioensysteem ontwerpen dat de grondslag zal leggen voor sterke beperkingen van de pensioenen die vooral hun volle uitwerking zullen hebben voor die toekomstige generaties.

Cruciaal in de aanpak van de Commissie Pensioenhervorming is de introductie van 'aanpassingsmechanismen', 'in functie van economische en demografische ontwikkelingen', die erover moeten waken dat het pensioensysteem 'financieel houdbaar' blijft. Bij voorkeur moeten 'deze aanpassingen automatisch gebeuren: dan weet elke burger op voorhand dat de verwachtingen m.b.t. de loopbaan zullen evolueren, en volgens welke parameters deze zullen evolueren.' 'Welke mechanismen op termijn echt automatisch kunnen worden, preciseren we hier niet. Dit moet het voorwerp uitmaken van verder onderzoek en overleg.' (Rapport, p.47)

Het is precies om vorm te geven aan die aanpassingsmechanismen dat de Commissie Pensioenhervorming het puntensysteem heeft voorgesteld.

HET PUNTENSYSTEEM ONDER DE LOEP

Technisch gesproken zou het berekenen van een pensioen in punten of euro's eigenlijk exact op hetzelfde kunnen neerkomen. Een punt is een rekeneenheid zoals een euro. De controverse ontstaat precies omdat de wisselkoers tussen punten en euro's kan variëren.

We besparen u de details van de uitwerking van de puntenrekening die uitvoerig in het Rapport van de Commissie Pensioenhervorming wordt uitgetekend. Het basisprincipe bestaat erin dat je punten verzamelt voor je pensioen tijdens je actieve loopbaan. Doorgaans wordt dit puntensysteem nogal rooskleurig voorgesteld met een standaardpunt per gewerkt jaar. Voor Het Laatste Nieuws klinkt het bijvoorbeeld als volgt: 'Wat houdt zo'n pensioen met punten in? Je hele carrièreloopbaan wordt uitgedrukt in punten: je krijgt 1 punt per jaar en je moet 45 punten verzamelen. In principe moet je dus 45 jaar aan de slag voor je met pensioen kan. In principe, want wie een zwaar beroep heeft, krijgt meer punten per jaar.' (HLN, 26/06/2017)

Het Laatste Nieuws vergeet te vermelden dat de overgrote meerderheid werknemers nooit 45 punten zullen halen, zelfs niet met een volledige loopbaan. Het aantal punten dat je verdient hangt af van je loon in verhouding tot het gemiddelde loon van alle werknemers in een gegeven jaar. Is het gemiddelde bruto jaarloon bijvoorbeeld 45.000 euro (ongeveer het huidige gemiddelde in België) en je eigen loon 20.000 euro, dan verdien je voor dat jaar 20/45sten van een punt of 0,44 punten. Het mediaanloon ligt echter aanzienlijk lager dan het gemiddelde loon. Zelfs met een volledige loopbaan zou meer dan de helft van alle werknemers jaarlijks minder dan een punt verdienen. Ook deeltijdse arbeid zorgt er voor dat fracties van een punt verloren gaan.

De omzetting van punten in euro's gebeurt op het moment van pensionering. Hier wordt eerst nog een correctie ingevoerd in functie van de leeftijd waarop het pensioen wordt aangevraagd. Correcties omwille van de leeftijd gebeuren in functie van wat de Commissie Pensioenhervorming als een 'normale leeftijd' definieert. Een onvolledige loopbaan en/of een vroegtijdige pensionering zorgen dus voor een neerwaartse correctie van het pensioen. Maar die 'normale leeftijd' kan op zijn beurt variëren in functie van de evolutie van de levensverwachting. De waarde van een punt ten slotte wordt jaar na jaar bepaald, en het basisprincipe bestaat erin dat economische of demografische veranderingen de waarde van een punt kunnen beïnvloeden.

Het voorstel van de Commissie Pensioenhervorming bevat aan de ene kant een zeer precieze boekhouding van de punten die men kan verwerven doorheen het beroepsleven om dan tegelijk de onzekerheid in te bouwen over de uiteindelijke wisselkoers van die punten. Volgens de logica van de Commissie Pensioenhervorming weet iemand slechts net voor zijn of haar pensionering wat de waarde van een punt is. De onzekerheid speelt natuurlijk volop waar het de economische componenten betreft. Het puntensysteem maakt bijvoorbeeld de weg vrij om in geval van een economische crisis, zoals de bankencrisis, prompt het pensioen te eroderen van diegenen die het ongeluk hebben in het zog van de crisis op pensioen te gaan.

Maar de automatische aanpassingen die de Commissie Pensioenhervorming wenst in te voeren, zijn minstens even problematisch. Dit is evident het geval wanneer de langetermijnevolutie van de demografie als parameter wordt ingevoerd. We weten dat de levensverwachting in de komende decennia zal blijven stijgen. De prognoses van het Planbureau gaan ervan uit dat de levensverwachting van vrouwen tegen 2060 ongeveer 5 jaar hoger zal liggen dan in 2016 en voor mannen zou de toename zelfs 7 jaar kunnen bedragen (Planbureau, 2017).

De voorgestelde 'automatische aanpassingen' betekenen in die context een automatische aantasting van de pensioenen; en wel op twee vlakken. Vooreerst stelt de Commissie Pensioenhervorming voor de referentieloopbaan te koppelen aan de levensverwachting. 'Opdat de referentiepersoon eenzelfde vervangingsratio zou blijven genieten, zal hij een langere loopbaan moeten hebben.' (Rapport, p.68) Daarnaast zou ook de wettelijke pensioenleeftijd gekoppeld worden aan de levensverwachting. 'Uitstel van pensionering draagt bij, ceteris paribus, tot de budgettaire houdbaarheid van het systeem. In de mate dat de actuariële correcties geen aanmoediging vormen om later op pensioen te gaan, zullen de gemiddelde pensioenen, ceteris paribus, dalen ingevolge de invoering van dergelijke correcties; dat draagt ook bij tot de budgettaire houdbaarheid; dit kan echter beoordeeld worden als een uitkomst die niet wenselijk is.' (Rapport, p.69)

In landen die een gelijkaardig puntensysteem hebben ingevoerd, kan men nu reeds de effecten van dergelijke 'automatismen' evalueren. In Duitsland werd het puntensysteem in 2002 ingevoerd door de roodgroene coalitie onder leiding van bondskanselier Gerhard Schröder. Vijftien jaar later moeten we vaststellen dat, alle mooie verklaringen ten spijt, deze hervorming vooral is uitgedraaid op een aanzienlijke daling van de pensioenen, ondanks een toename in de gemiddelde pensioenleeftijd. Een recente studie van de Bertelsmann Stiftung berekent dat ondanks bijsturingen van het systeem tegen 2022 één op de vijf nieuw gepensioneerden in armoederisico terechtkomt. 'Als armutsgefährdet gelten Rentner, wenn ihr monatliches Netto-Einkommen unter 958 Euro liegt.' ('Wandel der Arbeitswelt lässt Altersarmut in Deutschland steigen,' 2017)

PENSIOEN OP 72 JAAR?

De Commissie Pensioenhervorming is voorzichtig. Wanneer ze spreekt over een koppeling aan de levensverwachting voegt ze er 'in zekere mate' aan toe. Maar in het verder verloop van het rapport gaat die nuance grotendeels verloren. In de voorgestelde logica van een volledige koppeling van de referentieloopbaan aan de levensverwachting zou tegen 2060 de normale leeftijd van pensionering tot boven de 72 jaar stijgen. Een toekomst die al is weggelegd voor iedereen die geboren is na 1985.

De logica van de Commissie Pensioenhervorming is dat ze onzekerheid wil wegnemen. Iedereen kan zijn puntenrekening voortaan opvragen, luidt het. In werkelijkheid is de zekerheid die de Commissie Pensioenhervorming inbouwt een traject van dalende pensioenen en/of hogere wettelijke pensioenleeftijd, gekoppeld aan de onzekerheid van de economische conjunctuur. Het illustreert ten volle het problematische uitgangspunt van de Commissie Pensioenhervorming. Door de tegenstelling tussen actieven en gepensioneerden centraal te stellen, los van de economische en maatschappelijke context, worden reële tegenstellingen onder gedolven.

Het hele rapport is een elegante uitwerking van een technocratisch model binnen een bekrompen visie waar de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid, tussen de topvermogenden en de rest van de bevolking, wordt ingeruild voor een fantoomconflict tussen generaties.

In naam van de toekomstige generaties zijn het vooral die toekomstige generaties waar het volle gewicht van deze hervorming op zal terechtkomen. Wie geboren is in de jaren 1980 zal tot na zijn of haar zeventigste verjaardag moeten werken en het met aanzienlijk minder pensioen moeten stellen, zelfs als hij erin slaagt om een volledige loopbaan op te bouwen volgens de referentieloopbaan. Heb je echter het ongeluk dat een deel van je loopbaan uit atypische, deeltijdse of kortstondige contracten bestaat, dan zal je er nog een stuk meer bekaaid uitkomen.

De Commissie Pensioenhervorming heeft zich door haar opdrachtbepaling laten opsluiten in een logica die uitgaat van een aantal foute aannames en die elke alternatieve denkpiste vooraf uitsloot. Dit is bijzonder pijnlijk, gegeven de unanimiteit over de nefaste gevolgen van groeiende inkomensongelijkheid voor economie en samenleving en gegeven de noodzaak om opnieuw na te denken over een sterkere progressiviteit in de belastingschalen (IMF, 2017). Nu al gaat meer dan 80% van de economische groei wereldwijd naar de rijkste 1% van de bevolking (Diego Alejo Vázquez Pimentel, Iñigo Macías Aymar, & Max Lawson, 2018). Het is precies die groei die we moeten gebruiken om armoede te bannen en sociale zekerheidssystemen te bestendigen en uit te breiden.

Voor België, waar een vermogenskadaster nog steeds ontbreekt, is het evident dat de sociale zekerheid een stevige duw in de rug zou kunnen krijgen van een efficiëntere bestrijding van belastingfraude. De wens die de Commissie Pensioenhervorming uitdrukt voor een bijkomende financiering voor de pensioenen, bijvoorbeeld op basis van vermogen, wordt nergens als alternatieve denkpiste uitgewerkt. Gemeten in termen van het huidige Belgische bnp vertegenwoordigt 1% van het bnp ongeveer 4 miljard euro. In een voorzichtige raming stelt Paul De Grauwe dat een progressieve vermogensbelasting die slechts zou ingaan voor het aandeel van het vermogen boven de 1 miljoen euro, op basis van de geschatte vermogens in 2014, jaarlijks ongeveer 11 miljard euro zou opbrengen (Grauwe, 2014).

Ondanks de aanhef van het rapport vol goede principes en intenties is de voorgestelde hervorming van de Commissie Pensioenhervorming in essentie een besparingsoperatie: een open doel voor de regering-Michel om de pensioenleeftijd te verhogen en de pensioenen te verlagen. Alle generaties zullen in de klappen delen, maar hoe jonger hoe harder de klappen zullen vallen. Ook vrouwen en wie relatief laagopgeleid is, zullen extra hard getroffen worden door het voorgestelde systeem. In een economische context waar jobs steeds vaker deeltijds en minder goed betaald worden en waar de loonspanning toeneemt, zullen ook de pensioenen de neerwaartse spiraal volgen. Voor de meeste werknemers zal deze hervorming onvermijdelijk retroactief worden toegepast. Gaat het systeem in vanaf 2025, zoals minister Daniel Bacquelaine voorstelt, dan zijn de punten al toegekend of verloren voor iedereen die geboren is na 1959.

Bibliografie

Commissie Pensioenhervorming 2020-2040. (2014a). Een sterk en betrouwbaar sociaal contract, Voorstellen van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 voor een structurele hervorming van de pensioenstelsels (pp. 193). Brussel: FOD Sociale Zekerheid.

Commissie Pensioenhervorming 2020-2040. (2014b). Een sterk en betrouwbaar sociaal contract, Voorstellen van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 voor een structurele hervorming van de pensioenstelsels, Synthese van het Rapport (pp. 40). Brussel: FOD Sociale Zekerheid.

Diego Alejo Vázquez Pimentel, Iñigo Macías Aymar, & Max Lawson. (2018). Reward Work, not Wealth (pp. 76). Oxford: Oxfam International.

Grauwe, P. D. (2014). De Limieten van de Markt, de Slinger tussen Overheid en Kapitalisme. Tielt: Lannoo.

Halbwachs, M., & Sauvy, A. (2005). Le point de vue du nombre 1936. Paris: INED.

International Monetary Fund. (2017). Tackling Inequality. Fiscal Monitor(October 2017).

Planbureau, F. (2017). Demografische vooruitzichten 2016-2060, Bevolking en huishoudens. In F. P. e. A. D. Statistiek (Ed.). Brussel.

Sauvy, A. (1969). General Theory of Population. New York: Basic Books.

SCvV. (2014). Jaarlijks verslag (pp. 75). Brussel: Hoge Raad van Financiën, Studiecommissie voor de vergrijzing.

Van Overtveldt, J., & Janssens, G. (2010, 12/07/2010). 2012, from http://www.vkwmetana.be.

Wandel der Arbeitswelt lässt Altersarmut in Deutschland steigen. (2017, 26/06/2017). Retrieved 22/01/2018, 2018, from https://www.bertelsmann-stiftung.de/de/themen/aktuelle-meldungen/2017/juni/wandel-der-arbeitswelt-laesst-altersarmut-steigen/.

Winckelmans, W. (2011, 14 juli 2011). Vergrijzingskosten veel te laag geschat. De Standaard.

Samenleving en politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 2 (februari), pagina 67 tot 75