Abonneer Log in

My Life, Our Times

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 3 (maart), pagina 86 tot 88

My Life, Our Times

Gordon Brown
The Bodley Head, Londen, 2017

Er waren eens drie musketiers die na 18 jaar in de wildernis het Verenigd Koninkrijk veroverden, een recordaantal verkiezingen wonnen en uiteindelijk samen 13 jaar bestuurden. De nummer één heette Tony Blair, de leider. De nummer twee was Gordon Brown, de denker. De nummer drie was de 'Prince of Darkness' Peter Mandelson, de communicator. Zowel Tony Blair als Peter Mandelson brachten al een autobiografie uit. Tony Blair koos voor de bescheiden titel A Journey (2010). De memoires van Peter Mandelson heetten gepast The Third Man (2010). En vorig jaar, in november, verscheen een autobiografie pompeus getiteld My Life, Our Times.

Deze autobiografie lees je aan een bureau, niet in bed of in de zetel. De sfinx genaamd Gordon Brown vertelt geen intieme ontboezemingen, geen pittige roddels over collega's, geen leuke anekdotes en ook geen spannende verhalen over verkiezingscampagnes. Om het allemaal nog erger te maken, blijkt hij geen schrijftalent te hebben. Waarom deze autobiografie toch lezen? Omdat ze diepgravend inzicht geeft in het verguisde en misbegrepen beleid van New Labour. Brown doet, gewapend met technische en budgettaire argumenten, zijn uiterste best om zijn beleidskeuzes te verdedigen. Vele beslissingen worden uitgebreid toegelicht, inclusief alternatieven die ook op tafel lagen. Die volgehouden focus op beleidsvisie en ervaring is zeldzaam; en maakt deze autobiografie bijzonder interessant voor iedereen die van ver of dichtbij met beleid te maken heeft.

Aangezien Gordon Brown tien jaar minister van Financiën was, concentreert zijn pleidooi zich op wat New Labour probeerde te verwezenlijken op economisch en fiscaal gebied. Dat was heel wat. Hedendaags Labour verzuimt de verdediging van dit beleid en draagt zelfs bij aan de karikatuur die ervan wordt gemaakt. Een rechtzetting is dus meer dan welkom.

Wat deed New Labour echt? Een eerste tot in de puntjes voorbereide beslissing die meteen werd uitgevoerd, was het onafhankelijk maken van de centrale bank zodat deze niet meer de speelbal werd van politici. Het 'neoliberale' New Labour voerde ook een minimumloon in en sloot het Verenigd Koninkrijk aan bij het Europees Sociaal Handvest. Dankzij een doordacht beleid daalde de kinderarmoede en de armoede bij gepensioneerden sterk. De details hiervan vindt u in het boek, maar deze verliepen vooral via belastingvrijstellingen voor lage inkomens. In minder welvarende districten werden centra ingericht waar ouders van kinderen jonger dan vijf jaar ondersteuning en begeleiding kunnen krijgen. De huidige schaduwminister van Onderwijs, Angela Rayner, stelde in een interview met The New Statesman dat dit programma een enorme hulp was voor haar als tienermoeder. Voor wie denkt dat de Conservatieven het beleid van New Labour verderzetten: de Conservatieven hebben het budget voor dit programma gehalveerd. De financiering voor de National Health Service (NHS) werd onder New Labour meer dan verdubbeld, terwijl de NHS na tien jaar conservatief beleid op apegapen ligt. Uit een artikel in The New Statesman bleek dat er vandaag vier miljoen mensen op wachtlijsten staan en dat in 2017 meer dan 80.000 operaties moesten worden geannuleerd wegens personeelstekort. De Tijd titelde op 12 januari 2018: 'Britse ziekenhuizen kunnen niet langer veilige zorg garanderen'. Uit het artikel blijkt dat het budget voor gezondheidszorg - vorig jaar 144 miljard pond - de voorbije zeven jaar maar met 1,2 procent per jaar steeg, terwijl het historische gemiddelde 4 procent bedraagt. Onder de Labour-premiers Tony Blair en Gordon Brown was dat tussen 1997 en 2010 zelfs 6 procent.

Om deze investeringen in de NHS en de strijd tegen kinderarmoede te financieren werden twee archaïsche belastingkredieten afgeschaft, namelijk de woonbonus en de belastingvermindering voor getrouwde koppels. Deze laatste werd opnieuw ingevoerd door de Conservatieven in 2015. Ten slotte verhoogde Gordon Brown de sociale bijdragen zowel voor werkgevers als werknemers met 1 procent. Een opiniepeiling uit 2002 toonde aan dat 76% van de respondenten deze belastingverhoging steunde. Wie doet het hen na?

New Labour en Gordon Brown waren natuurlijk niet zonder zonden. New Labour verlaagde belastingen, namelijk de personenbelasting en de vennootschapsbelasting. Deze laatste ging naar 28% voor grote ondernemingen en 20% voor kmo's. New Labour voerde het inschrijvingsgeld voor de universiteiten opnieuw in, al stonden daar leningen aan zeer gunstige voorwaarden tegenover die slechts moeten worden terugbetaald wanneer de afgestudeerde meer dan een bepaald bedrag verdient. De privatisering van de Royal Mail en de luchtverkeersleiding veegt Brown onder de mat.

Maar de doodzonde heet natuurlijk Irak. Irak is de zelfgebouwde guillotine waarmee elke nuance over New Labour onmiddellijk wordt afgekapt. Gordon Brown neemt deloyaal afstand van de vergissing om met de Verenigde Staten ten strijde te trekken. Hij komt met een flauw excuus: 'ik werd misleid'. Hij probeert dit nog geloofwaardig te maken door het historisch te kaderen: 'chancellors have seldom been at the centre of decision-making in matters of war and peace'. Daarmee wast hij de handen te makkelijk in onschuld. Terwijl de voorzitter van het parlement ontslag neemt om te protesteren tegen de aankomende oorlog in Irak, kan de man die suggereert eigenhandig de introductie van de euro te hebben tegengehouden blijkbaar zelfs niet meer tegenpruttelen. Nochtans lagen de argumenten voor het rapen. In februari 2003 ging er nog een VN-inspectiemissie naar Irak en ook zij vonden geen enkel bewijs van de aanwezigheid van nucleaire wapens.

Na zijn handen een eerste keer in onschuld te hebben gewassen over Irak draait Brown de onschuldkraan opnieuw open voor de financiële crisis. Nochtans was hij, toen de crisis in 2007 losbarstte, tien jaar minister van Financiën. Maar hij tastte volledig in het duister over de onderkapitalisering van de banken en de toxische kredieten. Zelfs als het klopt dat hij helemaal in het duister werd gehouden, dan is dat ook een probleem. Een minister van Financiën hoort via de regulator te weten wat de bedreigingen zijn in deze cruciale sector. Vervolgens probeert hij zich eruit te praten door te verwijzen naar internationale initiatieven die hij trachtte van de grond te krijgen, maar het is onder zijn neus in de City dat het kreupelhout zich opstapelde. Er is wel een consensus dat Brown de crisis snel en naar behoren aanpakte eens een vonk uit de Verenigde Staten het bos in lichterlaaie zette. Toen de banken tegenstribbelden met het aanvaarden van kredieten, nationaliseerde hij enkele banken en verplichtte de andere banken op grote schaal het overheidskapitaal te aanvaarden. Het meest trots is hij op de G20-top die besloot wereldwijd geld in de economie te pompen om een economische depressie te vermijden. Dat lukte, maar dat ontslaat hem niet van zijn nalatigheid in de tien jaar voor de crisis. Die G20 is daarenboven één van zijn weinige wapenfeiten gedurende zijn driejarige premierschap. Nochtans keek hij hier dermate reikhalzend naar uit dat hij Tony Blair tot aftreden dwong.

'Dawn comes up like thunder', zo kopte The New Statesman toen Tony Blair in 1997 de verkiezingen won. Poëtischer dan het 'Steve is God' van De Morgen, maar zo voelde het wel. Blair was God en Brown stond in zijn schaduw. Hij bleef daar altijd bitter over en dat valt hier ook te lezen. Daarenboven ontloopt Brown in deze moeilijk leesbare autobiografie al te vaak zijn verantwoordelijkheid. Desondanks vormt deze autobiografie een degelijke en broodnodige verdediging van 13 jaar beleid onder New Labour dat terecht kan worden bekritiseerd voor de financiële crisis en de oorlog in Irak, maar waarvan de verdiensten zoals vrede in Noord-Ierland, dalende armoedecijfers en investeringen in gezondheidszorg er ook mogen zijn.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 3 (maart), pagina 86 tot 88