Log in

ABVV'ers aller landen, verenigt u!

De asymmetrische politieke context blaast de noord-zuidtegenstellingen nieuw leven in, ook onder kameraden. In de aanloop naar het ABVV-congres (30 mei-1 juni) doen ABVV-kaderleden uit noord en zuid een expliciete oproep tot syndicale eenheid. Een beknopte handleiding om te komen tot meer wederzijds begrip.

In de vakbondswereld – ook binnen het ABVV – heerst regelmatig onbegrip tussen de militanten uit het noorden en het zuiden van ons land. De kameraden lijken wel lost in translation. 'Hoe kan het dat het noorden niet meer in beweging komt bij zo'n frontale aanvallen vanuit de regering?', hoor je wel eens in het zuiden van het land. In het noorden haalt men de schouders op. 'Als wij permanent in staking gaan, riskeren wij een deel van onze achterban te verliezen en geraken wij geïsoleerd'. Waar komen die uiteenlopende reacties vandaan? De aanvallen komen nochtans van dezelfde federale regering. Als het noorden niet in beweging wil komen, moet het zuiden dan hetzelfde doen? Leven we, in de woorden van Bart De Wever, echt in twee democratieën?

Hieronder een beknopte inkijk in de syndicale noord-zuidkloof. Een beter onderling begrip is broodnodig om intenser te kunnen samenwerken. Want we hebben elkaar nodig, meer dan ooit. Om te beginnen zijn de verschillen niet zo groot als sommigen beweren. Neen, de taalgrens loopt niet gelijk met een 'stakingsgrens'. In realiteit is het vooral de asymmetrische politieke context die communautaire tegenstellingen binnen het ABVV kunstmatig opblaast. Er zijn noord-zuidverschillen, zeker, maar die hebben hun wortels in de politieke en economische geschiedenis. Wij moeten onze overeenkomsten en verschillen correct begrijpen, niet om de kloof tot een grand canyon te laten aangroeien, wel om de vakbeweging te laten floreren. Wij hebben geen keuze. Als wij sociale vooruitgang willen boeken, dan is eenheid de enige mogelijkheid.

TAALGRENS = STAKINGSGRENS?

Valt de taalgrens, om de woorden van Geert Bourgeois te gebruiken, samen met een stakingsgrens? Hoogtijd voor een fact check. Wat de vrienden van Bart De Wever ook mogen beweren, noord en zuid delen veel met elkaar. Zowel qua ideeën als qua tradities inzake sociale actie.

Wie naar de sociale geschiedenis van ons land kijkt, merkt dat de verklaringen van de Vlaamse minister-president met een flinke korrel zout te nemen zijn. De denktank Poliargus toonde al aan dat de Vlamingen de voorbije tien jaar globaal genomen meer staakten dan de Walen. Dat is normaal aangezien er ook meer werknemers in Vlaanderen zijn, zullen sommigen reageren. Als wij de cijfers herleiden tot het aantal stakers volgens het aantal werknemers, dan zien wij inderdaad dat de Waalse werknemers iets meer staken dan de Vlaamse. Maar ook daar is enige nuance op haar plaats. Want uit een analyse per provincie blijkt dat de Antwerpenaars een meer 'Waals' gedrag vertonen als het op staken aankomt en dat de werknemers uit de provincie Luxemburg eerder een 'Vlaams' gedrag vertonen. De realiteit is bijgevolg - zoals zo vaak - genuanceerder dan sommige politici ons willen doen geloven.

Wij delen ook een zeer rijke sociale geschiedenis. Want waar begon de grote staking van juni 1936, die belangrijke sociale verworvenheden opleverde zoals de eerste week betaalde vakantie, de ontwikkeling van sommige syndicale vrijheden en de veertigurenweek voor de zware beroepen? In de haven van Antwerpen! Pas daarna breidde de staking zich uit naar Wallonië en bereikte ze een mobilisatiepiek van meer dan 500.000 stakers in heel het land. Ook de stakingen tegen de Eenheidswet van de regering-Eyskens van 1960-61 begonnen in Vlaanderen, in de Antwerpse overheidsdiensten. Recenter, in 2014-15, was het vakbondsverzet tegen de regering-Michel duidelijk sterker in het zuiden van het land, maar het was wel het Vlaamse middenveld dat zich het snelst organiseerde en de meest spectaculaire acties op touw zette met Hart boven Hard (gevolgd door Tout autre Chose in Franstalig België).

En dan spreken we nog niet eens over dé kathedraal van de arbeidersbeweging in ons land: de sociale zekerheid. Deze fantastische constructie bouwt concreet de solidariteit tussen personen en groepen personen uit. De actieve bevolking is solidair met de niet-actieven, de kinderloze werknemers met werknemers die wel kinderen hebben, gezonde werknemers met zieken, enzovoort.

Wij kunnen dit ook negatief formuleren: racistische ideeën en kritiek op de vakbond zijn sterker in het noorden, maar sparen jammer genoeg ook het zuiden niet. Dat blijkt telkens opnieuw bij een vluchtelingencrisis of een staking.

DE POLITIEKE ASYMMETRIE ZET DE TEGENSTELLINGEN OP SCHERP

Tegelijk kun je ook moeilijk ontkennen dat er geen verschillen zijn, ook in onze cultuur. Uiteraard niet. Maar wij willen die verschillen wel objectief bekijken en proberen begrijpen. De politieke asymmetrie in ons land zet de tegenstellingen op scherp.

Ten eerste is er een regering die inzake taalvertegenwoordiging volledig uit balans is. MR is akkoord gegaan om in een regeringscoalitie te stappen die in het zuiden van het land sterk in de minderheid is. Ze vertegenwoordigt er nauwelijks één kiezer op vijf. Terwijl de coalitie in het noorden van het land bijna twee derde van de kiezers vertegenwoordigt. Deze situatie had een reeks dramatische gevolgen voor de verschillen tussen noord en zuid. De politieke oppositie spreekt in het zuiden uit meerdere monden. Ze krijgt er meer spreektijd in de media, kan sterker argumenteren, kan meer netwerken mobiliseren, enzovoort. Daardoor krijgen de misleidende communicatiecampagnes van de regering-Michel het veel moeilijker om bij de bevolking door te dringen. In de regering zit geen enkele Franstalige partij die structurele banden met de vakbondswereld of het middenveld heeft. In het noorden speelt CD&V wel nog de rol van doorgeefluik, maar vooral van buffer voor de sociale en vakbondsbeweging. In het zuiden vervult niemand die rol. De twee partijen die traditioneel het sociaal verzet konden kanaliseren, zitten momenteel federaal in de oppositie.

Ten tweede speelt ook de dubbele mislukking van links in het noorden van het land een rol. Sp.a is in de jaren 1990 meer naar rechts opgeschoven. Dit leidde tot verschillen met het zuiden. Die kwamen niet zozeer in de regeringspraktijk tot uiting - want die was in noord en zuid vrij gelijkaardig - maar wel in het ideologisch discours. De Vlaamse socialisten namen veel sterker het toenmalige discours van de 'Derde Weg' over, dat veel meer de volksbuurten, de arbeiders en het middenveld aan hun lot heeft overgelaten. Dit is nu nog te voelen aan de vakbondsvijandige standpunten van bepaalde sp.a-kopstukken en aan een zekere onverschilligheid of terughoudendheid van de Vlaamse socialisten als het op sociale mobilisatie aankomt. Dit is een groot verschil met het zuiden van het land, waar de socialisten van de PS actief steun zijn blijven verlenen.

Bovendien betekende de opkomst van PTB-PVDA in het zuiden van het land tijdens de laatste verkiezingen een uitlaatklep aan de linkerzijde voor de algemene gevoelens van antipolitiek en afwijzing bij een deel van de bevolking. Deze partij heeft ertoe bijgedragen dat het debat naar links is opgeschoven, zowel in de media als in de publieke opinie.

In Vlaanderen was dit niet het geval. De Vlaamse vleugel van PTB-PVDA slaagde er bij ons niet in om een zetel te bemachtigen. Door deze mislukking is de radicale linkse stem vrijwel afwezig in de media. Dit had tot gevolg dat rechts er vrijwel het monopolie van het anti-establishment discours heeft gekregen. In Vlaanderen zien wij het resultaat van de afwezigheid van een Bernie Sanders om zich te verzetten tegen een Donald Trump bij de laatste Amerikaanse presidentsverkiezingen.

Ten slotte spelen het Vlaamse nationalisme en de linkse regionalistische stroming in Wallonië elkaar in de kaart. De eerste stroming is aan de macht, terwijl de andere deelneemt aan het sociale verzet. De eerste gebruikt haar dominante positie om haar antisociaal gif op ruime schaal via de media uit te smeren. De tweede heeft minder invloed, maar voedt zich met de agressiviteit van de eerste om zo zelf groter te worden.

WAAR KOMEN DE NOORD-ZUIDVERSCHILLEN VANDAAN?

Naast de conjuncturele verschillen die te maken hebben met de uitzonderlijke politieke situatie waarin wij ons bevinden, bestaan er ook diverse verschillen op langere termijn.

Ten eerste is de economische situatie sterk verschillend, en dan vooral de werkgelegenheid. In Wallonië bedraagt de werkloosheid 15%; in de grote steden ligt dat cijfer nog hoger. In sommige Vlaamse provincies is er vrijwel volledige tewerkstelling. Qua economische situatie en werkgelegenheid is Wallonië eerder vergelijkbaar met Spanje. Maatregelen die de jacht op werklozen openen, komen vooral in het zuiden van het land hard aan. Er zijn veel meer mensen in het zuiden van het land die maar moeilijk werk vinden en die door elke aanval op de werklozen persoonlijk diep gekwetst worden. Zelfs wanneer zij er niet rechtstreeks door getroffen worden, want zij hebben meestal een zoon, een vriendin, een familielid, … die geen werk vindt of die werd getroffen door maatregelen om werklozen uit te sluiten. Omdat er in het noorden van het land in bepaalde regio's vrijwel volledige werkgelegenheid bestaat, wordt een langdurige werkloze natuurlijk veel sneller als een profiteur beschouwd, die moet worden gestraft en verplicht om weer aan het werk te gaan.

Ten tweede is er een andere vakbondstraditie. De vakbonden in het zuiden van het land steunen op een fundamentele en brede traditie die minstens tot 1886 teruggaat (soms tot 1850), in de op één na meest geïndustrialiseerde regio ter wereld. Dit geldt zeker voor de rode bekkens van Henegouwen en Luik. De hedendaagse actiemiddelen zijn nog altijd sterk doordrongen van deze traditie van strijd. Denk aan de stakingen van de jaren 1960, de wilde stakingen van de jaren 1970, de protestmarsen van de staalarbeiders in de jaren 1980, het conflict van Forges de Clabecq in 1997, de 105 stakingsdagen van 2004 bij AGC-Splintex in Fleurus, enzovoort. In het noorden van het land speelde Antwerpen, samen met Gent, altijd een voortrekkersrol, maar dan wel in het Vlaanderen dat tot in de jaren 1950 nog vrij sterk op landbouw was aangewezen.

Ten derde ligt het politiek zwaartepunt anders in Vlaanderen en Wallonië. In het zuiden van het land worden de werknemers al meer dan een eeuw hoofdzakelijk door de socialistische beweging beïnvloed, met als referentiepunten het marxisme en de klassenstrijd. Het noorden onderging vooral de invloed van de christelijke arbeidersbeweging, die veel sterker gedomineerd werd door de ideologie van de klassenverzoening. De socialistische vakbond bevond zich altijd in een minderheidspositie, behalve in de overheidsdiensten (het onderwijs niet meegerekend). Bovendien werden de werknemers in het zuiden van het land gedurende meer dan een halve eeuw sterk beïnvloed door de communistische partij (KPB-PCB). Deze kon altijd veel sterker steunen op de populariteit van de communistische PCF in Frankrijk. De ervaring met het Front Populaire bleef er nawerken. Niet vergeten: in Wallonië waren de communisten onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog goed voor 21% van de stemmen, tegenover 5,5% in het noorden en 17% in Brussel. In de jaren 1960 ging het om 6% in het zuiden, 1,5% in het noorden en 3% in het centrum van het land.

Ten vierde bestaat er een verschillend investeringsniveau in de overheidsdiensten in het noorden en het zuiden van het land. De vorming van gewesten en gemeenschappen heeft de verschillen in een reeks overheidsdiensten nog meer in de verf gezet. Aangezien de financiering van veel diensten minstens voor een deel afhangt van de rijkdom van de entiteit waartoe ze behoren, leidde de federalisering tot grotere verschillen. Het Franstalige onderwijs heeft zo aanzienlijke schade opgelopen: banenverlies, lagere lonen, minder investeringen in gebouwen, enzovoort. Maar zelfs in de nationale overheidsdiensten heeft de verdeelsleutel voor de investeringen (60-40) soms tot absurde situaties geleid. Bij de NMBS heeft die bijvoorbeeld tot gevolg dat er in Wallonië minder wordt geïnvesteerd per kilometer spoor. De af te leggen afstanden zijn er immers veel groter dan in Vlaanderen. Ook in het dossier van de gevangenissen was dit deels het geval.

Foto Filip Claus - december 2001

SAMEN STERK, ER IS GEEN ALTERNATIEF

De hamvraag voor de toekomst is: hoe kunnen we beter met de verschillen omgaan? De sociale verworvenheden worden momenteel aangevallen vanuit diverse hoeken. Denk maar aan de Europese instellingen, de multinationals, hun legers van lobbyisten, de talrijke politieke spreekbuizen die de werkgevers naar de mond praten. Ze proberen een krachtige golf van sociale achteruitgang op gang te brengen. Om het tij te keren, moeten we samen andere krachtsverhoudingen uitbouwen.

Werknemers die zelfs op niveau van ons Belgenlandje niet eensgezind zijn, zouden aan de rest van Europa een slecht signaal geven. Wallonië zal geen links eiland blijven als heel Europa naar rechts opschuift. Als wij vandaag acht uur per dag werken, als wij erin geslaagd zijn om onze sociale zekerheid uit te bouwen, als wij een einde aan de kinderarbeid hebben gemaakt, … dan is dat te danken aan onze nationale eenheid en aan het feit dat werknemers in andere landen gelijkaardige eisen hadden.

Vroeger, in een wereld met veel grotere verschillen tussen regio's en landen en met veel minder economische verwevenheid, hadden de werknemers begrepen dat eenheid van cruciaal belang is. Omgekeerd hebben veel politici aan de rechterzijde de kracht van nationalisme en verdeeldheid begrepen om het sociale bouwwerk uit de 20e eeuw af te breken. Alle ideologieën die ons proberen te verdelen, dienen in de eerste plaats om het idee van het gemeenschappelijk belang, dat alle werknemers verenigt, de grond in te boren.

Vandaag gaat het er dus niet om vast te stellen dat er verschillen bestaan en zich te laten meeslepen door een trend naar verdeeldheid en sociale achteruitgang. Neen. We moeten de verschillen beter begrijpen, om ze vervolgens te overstijgen. In het zuiden moet men begrijpen dat de kameraden uit de vakbonden in het noorden in een veel vijandiger politiek, sociaal en academisch klimaat moeten functioneren en minder welwillende media moeten trotseren. Gaan kameraden en camerades schouder aan schouder verder? Of komt er een scheiding die de linkerzijde in het noorden verder verzwakt? Wie de vraag stelt, geeft het antwoord. Natuurlijk is de weg van de eenheid niet gemakkelijk, maar om voor één keer de woorden van rechts te gebruiken: there is no alternative. Wat ons verdeelt, verzwakt ons. Alleen samenwerking kan tegengewicht bieden aan de almacht van de elites. Samen sterk. Ensemble, on est plus fort.

Noot

De ondertekenaars van deze oproep:

Alain Clauwaert en Paul Lootens - Gewezen voorzitters van de Algemene Centrale ABVV

Vincent Pestieau - Regionaal secretaris ABVV-FGTB Charleroi-Sud Hainaut

Katrien Neyt - Regionaal secretaris ABVV Oost-Vlaanderen

Estelle Ceulemans - Directrice van de Syndicale diensten Algemene Centrale ABVV

Luk Vandenhoeck - Mede-coördinator van Hart boven Hard en oud-voorzitter ACOD-VRT

Jean-Marie Léonard – Lid van het actieplatform Gezondheid en Solidariteit en gewezen federaal secretaris BBTK-SETCa

Foto: Filip Claus (december 2001)

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 5 (mei), pagina 28 tot 33