Abonneer Log in

Inventing the Future

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 5 (mei), pagina 85 tot 87

Inventing the Future

Nick Srnicek en Alex Williams
Verso Books, Brooklyn, 2016

Stel je voor: vanaf morgen word je nog slechts 15 uur per week op kantoor verwacht. Je kiest zelf of je die uren aan elkaar plakt op twee dagen tijd, of dagelijks enkele uurtjes werkt in de vroege namiddag. Op de achtergrond het geroezemoes van keuvelende collega's en het zoemende geluid van machines: zij delen de arbeid. Voor die paar uur aanwezigheid krijg je overigens het equivalent van een maandloon, verder no strings attached. Geen mens die op je neerkijkt als ware je een chronische luiwammes of hardnekkige profiteur. 'Werken voor je geld' is nu eenmaal een mantra uit het verleden. Na de uren is je vrije tijd ook echt vrij: een periode waarin je actief aan zelfontplooiing, buurtwerk of politiek kunt doen. De na-het-werk-nog-even-uitblazen-met-Netflix-vrije-tijd is niet langer de standaard. Nu we geen overwerkte zombies meer zijn, is een bredere invulling mogelijk.

Voor Nick Srnicek en Alex Williams zou het een scène uit een post-work future kunnen zijn. In Inventing the Future: Postcapitalism and a World without Work schetsen zij hun grand narrative voor de toekomst, hun utopia voor de 21e eeuw: een wereld waar werken een keuze wordt. Weinig mensen, stellen ze, kunnen kiezen tussen verschillende jobs, en quasi niemand kan ervoor opteren om helemaal niét in een looncontract of zelfstandig werk te stappen (85-105). Een nieuw, wervend project voor links zou kunnen zijn om een toekomst te bouwen waarin zo'n keuzes wel bestaan. Hun visie voor het post-kapitalisme berust op vier fundamentele ideeën: het bewust en doordacht inzetten op technologie om zoveel mogelijk menselijke taken uit de arbeidsmarkt te halen; een bijhorende significante reductie van de werkweek; een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen; en een graduele verdamping van het diepgewortelde werkethos dat stelt dat elke cent een zweetdruppel vergt (107-127). Slagzin: 'de toekomst werkt niet'.

Inzetten op totale werkloosheid in plaats van op volledige werkgelegenheid is niet alleen economisch, maar ook politiek een radicale keuze. Het gaat regelrecht in tegen de raison d'être van onze vakbonden en tegen het mantra van sociaaldemocratische partijen, die meestappen in het jobs-voor-iedereen verhaal. Toch, stellen Srnicek en Williams, is dit einde van het tijdperk van werken-voor-je-leven niet zomaar een droom maar is het idee gestoeld op hedendaagse tendensen. De combinatie van (economische) globalisering en technologische (r)evoluties eroderen onze 20e eeuwse sociale relaties steeds verder, wat tot zogenaamde 'surpluspopulaties' leidt: een globaal verspreide, maar almaar groeiende groep mensen die werkloos is (en blijft) of in precaire werkomstandigheden overleeft. Gezond, uitdagend, vast werk is dus allesbehalve een garantie. De economische koek is echter zodanig groot geworden, zodat wat 50 jaar geleden onmogelijk leek, vandaag een valabele oplossing kan zijn: de stap voorbij 'werken' zetten.

Inventing the Future past op die manier in een relatief nieuw maar snelgroeiend genre, waarin progressieve actoren het einde van het kapitalisme as we know it inluiden met een nieuw verhaal voor links. Een greep uit de ton: Kate Raworths Donuteconomie, Paul Masons Postkapitalisme, of Rutger Bregmans Gratis geld voor iedereen. Zelfs sp.a doet mee met #nieuwsocialisme. Niks nieuws onder de zon zou je dan denken, zeker omdat Srnicek en Williams oppervlakkiger blijven in hun economische analyse dan sommige van hun collega's, en hun toekomst meer als wensdroom ('accelerationisme') dan als onvermijdelijk framen.

Ze onderscheiden zich echter substantieel van hun compagnons de route door de weg die leidt naar hun utopia in kaart te brengen. De toekomstvisie van Srnicek en Williams is, in tegenstelling tot die van Bregman, Raworth en co, ingebed in een analyse van hoe toekomstvisies concreet vorm krijgen, van hoe politieke projecten werkelijkheid – hegemonie – worden. Een post-werk toekomst is geen noodzakelijkheid, geen logische stap na de crisis van het kapitalisme, maar moet worden opgebouwd in een actief politiek project. Daarom is begrijpen hoe de huidige weerstand tekortschiet, hoe eerdere hegemonische projecten geconstrueerd zijn, en hoe we het onze zelf moeten vormgeven, cruciaal.

'Links' is de laatste decennia grotendeels vervallen in 'folk politics', luidt het argument (5-48). Pogingen tot verzet en mobilisatie focussen vooral op horizontale, lokale, 'prefiguratieve' vormen van politiek. Denk aan Occupy Wall Street, maar ook aan initiatieven rond lokale economie, tijdbanken, lokale voedselproductie, of experimenten met directe democratie. De rode draad in dit soort protest is een soort reactie-politiek, gefocust op persoonlijke betrokkenheid, directe actie, single issues en niet-hiërarchische organisatie. Folk politics streeft met andere woorden naar een betere toekomst door een klein stukje van dat utopia-in-spe vandaag al werkelijkheid te maken of als werkelijkheid te bewaren in een geïsoleerd stukje van de samenleving. Nobel, maar in het licht van een allesomvattende, neoliberale, hegemonie, uiteindelijk gedoemd tot irrelevantie en doelloosheid.

Wat ontbreekt, zijn precies de antoniemen van folk politics: een focus op langetermijndoelstellingen, een abstracte redenering over hoe die doelstellingen politiek gerealiseerd kunnen worden, een institutionele (vaak hiërarchische) aanpak, en complex strategisch denken op grote schaal (69-83). Een voorbeeld van zo'n complex politiek-strategisch project op lange termijn, zien Srnicek en Williams in de geschiedenis van het neoliberaal denken (51-67). Ook dat was ooit niet meer dan een minuscuul project in de schaduw van de Keynesiaanse welvaartsstaat en het compromis rond embedded liberalism. Als idee werd het initieel niet gedragen door politieke partijen en vaak zelfs als marginaal beschouwd. Maar in die marge onderzocht en promootte een netwerk aan denktanks (onder de vlag van de 'Mont Pelerin Society') neoliberale ideeën. De idee dat verandering niet voor morgen was, en ook niet op enkele dagen doorgevoerd kon of moest worden, was expliciet aanwezig. Pas wanneer er minuscule scheurtjes in het Keynesiaanse denken kwamen, werd de neoliberale optie langzaamaan plausibel. Sleutelfiguren van Mont Pelerin namen posities in overheids- en mediamilieus in. Toen het Keynesianisme ogenschijnlijk zijn limieten had bereikt, lag een volwaardig neoliberaal antwoord klaar, dat al jaren zachtjes aan invloed won.

Links moet dus afkicken van folk politics en een volwaardig contrahegemonisch project op poten zetten, een nieuwe 'common sense' die op gelijke voet kan strijden met het neoliberaal kapitalistisch project (155-174). Strategische vertrekpunten voor deze omwenteling zijn het in ere herstellen van de praktijk van het utopisch denken, de hervorming van economische opleidingen tot hun oorspronkelijk pluralistische karakter weer tevoorschijn komt, en het 'herbestemmen' (repurposing) van technologie en vooruitgang waarbij de keuze welke richting we technologisch uitgaan fundamenteel politiek van aard is (129-153).

Srnicek en Williams stappen verder resoluut af van het idee dat hun project primair gedragen zal worden door een bepaalde klasse, maar zien heil in een nieuw links populisme. Een politieke logica waarbij zeer verschillende groepen mensen worden samengebracht tegen een gemeenschappelijke tegenstander, op zoek naar een betere wereld. Zo'n beweging kan uiteraard niet samen worden gebouwd (noch blijven bestaan) op basis van louter slogans. Er is bewustwording nodig, media-aandacht, een analyse van macht, beleidsvoorstellen, leiderschap, enzovoort. Geen enkele organisatie kan deze taken alleen uitvoeren, en dus ijveren ze voor een complexe ecologie aan organisaties die instaan voor de 'arbeidsverdeling' van de revolutie.

Wie zijn politieke wetenschap liever praktisch dan analytisch heeft, zal misschien een beetje op z'n honger blijven zitten bij het lezen van de theoretisch-strategische hoofdstukken. Ook de vaagheid rond termen zoals 'links', 'neoliberalisme' of 'kapitalisme' kan menig lezer voor de borst stoten. Meer inhoudelijk blijven sommige aspecten van de huidige crisis ook sterk onderbelicht, zoals de milieu- of klimaatproblematiek, waar behalve in een appendix van de tweede editie geen aandacht aan wordt besteed. 'Accelerationisme' naar een post-werk toekomst is ook allesbehalve risicoloos als politiek project, alleen al omwille van de onomkeerbaarheid van zo'n traject. Desondanks is Inventing the Future van het meest vooruitstrevende, politiek-bewuste en inspirerende wat we recent over de toekomst van links gelezen hebben. We nemen haar tekortkomingen graag als voer voor verder debat. Liefst van al op een willekeurige maandagmiddag in een koffiebar, na de werkdag, zo rond 15u.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 5 (mei), pagina 85 tot 87