Log in

Geraardsbergen: 'Au bakkes'

MIJN GEMEENTE, VK 14/10

Geraardsbergen is een stad van schrille contrasten, die je niet anders dan met gemengde gevoelens kan vervullen.

Toen ik enkele dagen terug de schreeuw 'Au bakkes' naar mijn hoofd geslingerd kreeg vanuit een openstaande huisdeur, besefte ik plots, abrupt onderbroken in het avondlijk gekeuvel met mijn kompaan-wielertoerist: 'O ja, we zijn terug op grondgebied Geraardsbergen'. Mogelijk snauwde de vent zijn vrouw af of gelastte hij een of ander plaatselijk politicus eindelijk te stoppen met zijn of haar geleuter op regionale zender TV Oost, maar ik vermoed toch dat ik zijn onzichtbare doelwit was. Spuugzat is hij de krakende crankstellen, het onophoudelijke snotgesnuif en het ranzige gebazel langs de flanken van de Oudenberg. Alleszins, de schreeuw is ontegensprekelijk Geraardsbergs – en dan doel ik niet zozeer op het 'vuile' dialect, maar eerder op een algehele vuilgebektheid. Ruw en onversneden, rechttoe rechtaan zijn ze, de Geraardsbergenaars.

Het is een bonkigheid die wel eens aanleiding geeft tot een herdichting van Geraardsbergs epitheton ornans, namelijk de Stad van de 3 M'en. Aan de M'en van Muur, Manneken Pis en Mattentaart voegt men dan graag nog een vierde toe, de M van Marginaal. Natuurlijk is dat een veralgemenend clichébeeld, maar toch… Er is iets van aan. Ik kan me niet voorstellen dat er een gemeente in Vlaanderen is waar er meer frietkoten per vierkante kilometer zijn. En ook de pose van Manneken Pis (de oudste van 't land) is veelzeggend: het is niet die van de fiere flierefluiter, maar die van de gestampte boer die zijn patatten afgiet, en dat zonder enige schroom. Hij belichaamt als het ware de attitude van de marginaal, diegene die zich aan de marge bevindt, wars van de regels die in het centrum gelden.

In die zin is de stad Geraardsbergen letterlijk en figuurlijk ex-centriek: haar geografische afgescheidenheid (met de wagen is het al snel een halfuurtje naar de dichtstbijzijnde oprit, met de trein is het al gauw 45 minuten naar Gent of Brussel) heeft ook tot een vreemdsoortige, soms kolderieke eigenzinnigheid geleid. Denk maar aan de vele omineuze broeder- en genootschappen die de stad telt of de Processie van Plaisance, waarin alle verenigingen van de stad (van badmintonclub over jeugdbeweging tot hondenschool) in een kleurrijke stoet door het centrum trekken, met de reuzen op kop en een schrijn met een stuk heilige aan het eind. In eendrachtigheid zuipt men zich een oor af, op de tonen van de fanfare. Even lijkt alle ellende van de wereld, de harde sociale werkelijkheid die geen geromantiseer verdraagt.

Zonder meer marginaal is het dat de (kinder)armoedecijfers van Geraardsbergen tot de hoogste van het land behoren (maar liefst 21,1% van de kinderen wordt er geboren in een kansarm gezin) en dat Geraardsbergen (na Antwerpen) de speedhoofdstad van Vlaanderen is. Ik herinner me hoe burgemeester Guido De Padt (Open VLD) al in de jaren 1990 de stad bij Goedele Liekens moest gaan verdedigen omdat we de verrassende koploper waren in de Vlaamse alcoholisme-ranking. De stad kent met andere woorden een lange geschiedenis van sociale miserie. Daar kunnen sociologische redenen voor aangehaald worden (de kwetsbaarheid van zogenaamde drieprovinciënpunten, de teloorgang van de zware industrie, enzovoort), maar die zijn even niet van tel. Het bestuur is het aan zichzelf verplicht het tij te keren, en dan gaat het niet over cijfers na de komma.

Geraardsbergen is een stad van schrille contrasten, die je niet anders dan met gemengde gevoelens kan vervullen. Om het welbehagen in de stad te vergroten is het lef nodig om de forcing te voeren en uit enkele padt-stellingen te geraken.

Hoewel Geraardsbergen zich profileert als het walhalla van het wielrennen en politici welig woekeren met de hashtag #koningfiets, kreunt het stadscentrum onder mobiliteitsperikelen. De zwakke weggebruiker (en daaronder versta ik niet zoals de nieuwe partij 'Het Alternatief' 'motorrijders', maar wel voetgangers en fietsers) heeft het niet onder de markt in Geraardsbergen, en dat mag je zelfs letterlijk nemen: permanent passeren en parkeren er immers (zelfs op marktdagen) wagens op de Markt. De staat van de fietspaden is vaak erbarmelijk, de levensgevaarlijke of verwarrende kruispunten zijn niet te tellen, elke ochtend slibben de straten rond de centrumscholen helemaal dicht, op de Astridlaan (een expresweg met tal van baanwinkels) is het altijd – en zeker in weekends – rijtje schuiven. De Guilleminlaan (de voormalige majestueuze 'boulevard') is een buitenring geworden, waarop het heerlijk sjezen is, en dat vanaf 6u 's morgens, en dan vooral door vrachtwagens. Een andere route hebben die vrachtwagens ook niet, willen ze het containerpark/bedrijventerrein op de UNAL-site bereiken en zich niet klemrijden in de smalle centrumstraatjes, waar ze wel eens een straatpaaltje, verkeersbord of gevel schuren of rammen. Willen we echt wachten tot er ergers gebeurt?

Het stadsbestuur verzuimt het alleszins om resolute keuzes te maken, hoewel er door o.a. de actiegroep Cycling the City alternatieven uitgewerkt en aangeboden worden voor een 'Gezellig Geraardsbergen' met een alternatieve circulatie, fietsstraten en voetgangerszones. De vraag rijst waarom de partijen in het stadsbestuur die nu in hun verkiezingsprogramma's de mond vol hebben van 'een nieuw mobiliteitsplan' de voorbije 6 jaar nauwelijks actie ondernomen hebben. Wat van Geraardsbergen de hoofdstad van de koers maakt, maakt haar tegelijk ook de hel voor de modale fietser: de Oudenberg, de steile heuvel waarrond en waarop Geraardsbergen gebouwd is. Af en toe heeft de burgemeester het over een kabelbaan langs de flanken van de Muur, maar dat is hopelijk slechts een wilde ijldroom. Een andere uitvlucht om de verkeerssituatie niet aan te pakken is de attractiviteit van het handelscentrum, want ja, het is en blijft toch leuk om je wagen voor het Kruidvat te parkeren om er snel een tube tandpasta te kopen. Maar natuurlijk werkt het omgekeerd en zou het verkeersvrij of -luw maken van het handelscentrum des te meer uitnodigen om er te kuieren – en te kopen. Het lang aangekondigde en naar verluidt goedgekeurde plan van het stadsbestuur om de schrale stationsbuurt aan te pakken en er een parkeertoren (voor pendelaars en shoppers) te bouwen is zeker een belangrijke stap in het herdenken van de Geraardsbergse mobiliteit, maar eer die herstructurering er komt, kan en moet er al heel wat gebeuren. Zo niet, blijft de Geraardsbergenaar niet alleen met een teveel aan circulatie zitten, maar zal ook de nu reeds zorgwekkende leegstand van winkelpanden in het stadscentrum alleen nog maar toenemen. De oplossing die de bevoegde schepen in gedachten heeft, klinkt alvast onrustbarend: 'Wat we nodig hebben is veel verschillende auto's die snel en gemakkelijk plaats vinden.'

De strijd tegen leegstand en verkrotting (want ook op dat vlak voeren we ranglijsten aan) is cruciaal, wil de stad haar imago oppoetsen en meer jonge gezinnen aantrekken. De goedkopere vastgoedprijzen omwille van de ondermaatse bereikbaarheid spelen alvast in die kaart. Het dilemma waar het komende bestuur voor staat is: hoe investeerders/bouwpromotoren aantrekken zonder de leefomgeving en het panorama van de stad (verder) aan te tasten? Of het vanuit die optiek een goed idee is om hoogbouw (met 8 à 9 bouwlagen) te introduceren in de stad is nog maar de vraag.

Bij het zien van luchtbeelden van Geraardsbergen word ik altijd schaamteloos chauvinistisch, onlangs nog tijdens de live-uitzending van de koninginnenrit van de BinckBankTour met aankomst in Geraardsbergen, waarin een helikopter maar bleef cirkelen rond de meest feeërieke plekjes. Adembenemend is de Parel van de Vlaamse Ardennen met die groene heuvelrug, die mythische kapel, die meanders van de Dender… en, euh, dat Abtenhuis. Wat die helikopterbeelden niet verraden is dat het Abtenhuis in feite een schandvlek is. Het eeuwenoude statige abdijgebouw staat immers al decennialang te verloederen (men mag van geluk spreken dat er een restaurant met gedreven eigenaars op het gelijkvloers zit). De schade wordt onherroepelijk, onoverzienbaar, en de kosten lopen maar op – tot het uiteindelijk beter wordt om gewoon maar te slopen. Het is een beproefde strategie in Geraardsbergen, waar het ene waardevolle gebouw na het andere sneuvelt, terwijl de city marketing maar blijft spreken van uniek historisch erfgoed. Het klooster van de Arme Klaren en de industriële gebouwen van de 'stekskesfabriek' Swedish Match vielen al aan compleet verval ten prooi in plaats van deze plekken creatief en duurzaam te herbestemmen met behoud van de originele architectuur.

Ik vermoed dat de steeds meer kolkende Denderstad – zeker nu ze echt wel bijzonder goed werk maakt van toeristische promotie – niet enkel wil pochen over haar immaterieel erfgoed, waarmee ze terecht in tal van lijsten prijkt (de Geraardsbergse mattentaart, Krakelingen en Tonnekensbrand, Processie van Plaisance, enzovoort). Dan moet ze echter dringend ook van materieel erfgoed een absolute beleidsprioriteit maken, net omdat zulke plekken de smoel – of zeg maar, 'bakkes' – van een gemeente vormen.

Als men er de in platitudes en vaagheden grossierende verkiezingsprogramma's op naslaat, is cultuur blijkbaar geen prioriteit, behalve dan bij Het Alternatief, dat – no kidding – een evenementenhal wil bouwen om buitenlandse artiesten en gerenommeerde musicals/opera's te kunnen aantrekken. Dat is verrassend, aangezien de laatste jaren mede onder impuls van een ambitieuze schepen van Cultuur, een toegewijde Dienst voor Cultuur en Toerisme en een sterke kunstacademie bleek dat Geraardsbergen wel degelijk een eigenzinnige rol kan spelen binnen het Vlaamse cultuurlandschap, en vooral ook dat kunst en cultuur de meest uiteenlopende mensen kunnen samenbrengen. Ik denk onder andere aan vele andere sterke initiatieven aan het kunstenparcours MUREN, dat ter gelegenheid van 950 jaar stadskeure Geraadsbergen (de oudste van Vlaanderen trouwens) ontwikkeld werd. Hoewel er geen echt kunstencentrum of exporuimte is, gebeuren er wel dingen (ook in de deelgemeenten), en dat is al iets. Dat 'iets' kunnen doen in een setting waar nog niet alles gedaan of gezien is (zoals in vele grootsteden met een artistieke vibe), zorgt voor een productieve wrijving. Net door het feit dat niet zomaar alles mogelijk is, dat er restricties en fricties in het spel zijn, wordt – paradoxaal genoeg – net wel weer alles mogelijk. Lezers die me vaagweg kennen denken nu misschien dat ik hier preek voor eigen kerk. Misschien wel, ja, maar als ik dan toch mag preken, dan stel ik graag dat kunst en cultuur in een kleine provinciestad van pakweg 33.000 inwoners wel degelijk kan bijdragen tot gemeenschapsvorming en –versterking; zelfs al beogen ze die hoegenaamd niet en zelfs al interesseert die kunst de bewoners geen knijt. Ze kunnen er eenvoudigweg niet omheen – en moeten zich dus wel op een of andere manier verhouden.

Zoals in elke Vlaamse gemeente is cultuur divers. Zoals in vele Vlaamse gemeenten gaat ook Geraardsbergen verkrampt om met die diversiteit. Daarvan getuigen onder meer het hysterische debat omtrent de mogelijke komst van een moskee op de Ezelberg, de weigering van Geraardsbergen (als enige Vlaamse gemeente, samen met het 89 inwoners tellende Herstappe) in 2015 om vluchtelingen op te vangen met de mededeling 'De emmer is vol', en het onvermogen om een grondige discussie te voeren over het koloniale monument Den Olifant. Op de lijsten van de verschillende politieke partijen staat nauwelijks iemand met een migratieachtergrond. Ikbentochvooraleenwitwij – zo lijkt het wel in Geraardsbergen. En dat terwijl burgerbeweging Giesbaergske Koleuren Gazette – met o.a. hun jaarlijkse festival, hun lezingen en ontmoetingen – mensen met de meeste uiteenlopende achtergrond positief weet samen te brengen.

De stad is er terecht fier op een systeem van dorpsraden en wijkplatforms ingericht en uitgebouwd te hebben, dat ook het engagement in de 15 actieve deelgemeenten alleen nog maar heeft verhoogd. Toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het bestuur tegenstemmen (van bijvoorbeeld actiegroepen of milieuverenigingen, kortom: bewuste en geëngageerde burgers) al te snel afdoet als links-reactionaire 'contrairdoeners' (en dat terwijl die 'pissige' houding ons net zo eigen is). Mijns inziens heeft een stad net nood aan meer mensen die echt bezorgd zijn om haar, die het beste met haar voorhebben. Dat moet zeker Guido De Padt, die zichzelf graag als onthecht burgervader ziet, als geen ander inzien. Dat die er op 14 oktober nog een ambtstermijn bij doet, daar twijfelt eigenlijk niemand aan. En, eerlijk is eerlijk: wat de oppositie de voorbije jaren uitgevreten heeft, het is me soms een raadsel.

Gemeentepolitiek in Geraardsbergen is een ware uitputtingsslag. Het is – zeker in verkiezingsstrijd – een ratrace van kermiskoers over pannenkoekenslag naar schaaktoernooi, die ook nog eens intensief gedocumenteerd moet worden via sociale media. Vermoeiend moet het zijn, altijd zo dicht bij de mensen te zijn. Naar elkeen moet je luisteren, voor elkeen moet je goed doen – of je moet toch tenminste doen alsof (wat misschien nog vermoeiender is).

Daarom doe ik graag een oproep aan al die gedreven Geraardsbergse politici, en dat voor hun eigen mentale en fysieke gezondheid: jullie hoeven echt niet naar al onze eetfestijnen of opendeurdagen te komen (laat staan ons daar dan ook te trakteren), maar maak keuzes, ook al zijn die niet naar onze zin. Gemeentepolitiek is immers te belangrijk om over niets te gaan. Stel prioriteiten, 'share' je visie (in plaats van een bbq-kiekje), neem standpunten in, ook al zijn het niet die van de goegemeente. Politiek gaat over het vieren van verschil. Poneer dus zonder direct weer te seponeren. De Geraardsbergenaar heeft immers recht te weten waar het naartoe gaat. De kans dat hij je 'Au bakkes' toeschreeuwt is niet onbestaande, maar je weet wel wat je aan hem hebt. Als je hem meehebt, alles.

Deze bijdrage verscheen in de reeks Mijn Gemeente, VK 14/10