Abonneer Log in

Red de democratie!

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 7 (september), pagina 82 tot 84

Red de democratie!

Manu Claeys
Polis, Kalmthout, 2018

Manu Claeys is een drijvende kracht achter één van de drie burgerbewegingen die de uiteindelijke Antwerpse mobiliteitsplannen mee hebben uitgetekend. Het is hen niet voor niets gegeven, alle drie hebben jarenlang strijd geleverd om gehoord te worden over een alternatief voor eerdere plannen, die van bovenaf op tafel gelegd werden. Het resultaat is neergelegd in een toekomstverbond, dat ook latere inspraak garandeert in de concrete uitwerking.

Natuurlijk wordt de geschiedenis pas vele jaren achteraf geschreven, maar deze overeenkomst maakt toch een flinke kans om in de boeken terecht te komen. Het is in elk geval andere koek dan de resultaten van de Vlaamse regering, die net voor de vakantie eigenlijk nauwelijks iets beslist heeft en toch voor zichzelf het woord 'historisch' gebruikte. In het toekomstverbond staan duidelijke engagementen, waar politici niet meer omheen kunnen.

Claeys levert nu een boek af dat een stuk verder gaat dan 't Stad. Eigenlijk speelt daarin die 'case' niet eens een hoofdrol. Ze komt natuurlijk een aantal keren terug, maar hij reflecteert vooral over de grenzen van de democratie die het houdt bij verkiezingen en over manieren om de tekortkomingen op te vangen. Hij toont alvast veel eruditie en levenservaring.

Wat is er mis met een democratie die beslist op basis van een verkiezingsuitslag? Wie wint verwerft de macht, wie verliest speelt niet mee. Als je ervan uitgaat dat het erom gaat problemen aan te pakken en vooral op te lossen, moet je eigenlijk vertrekken van de idee dat macht gedeeld moet worden, dat iedereen de kans moet krijgen om aan een oplossing bij te dragen. Als de meerderheid de macht krijgt om de minderheid buiten de oplossingen te houden gaat het plots veel minder om het oplossen dan om het uitoefenen van de macht zelf.

Er is in het verleden nochtans nagedacht over manieren om niet-politici in de besluitvorming te laten participeren. Tussen de jaren 1940 en 1970 is zelfs een hele traditie ontstaan van beleidsvoorbereidend werk, waarin bijvoorbeeld de vakbonden een belangrijke rol speelden. Alleen werd het geen paradigmawissel, bleef de macht bij de verkozenen. Claeys noemt dit verloren jaren voor het versterken van de democratie, waarbij vooral duidelijk werd dat die democratie niet opgewassen bleek tegen het marktdenken. Nog in de jaren 1970-80 werden nieuwe pogingen gedaan tot burgerparticipatie, maar het lukte niet om uit de puur consultatieve sfeer te komen. In een top-downmachtsuitoefening is beleidscontrole moeilijk te aanvaarden. Volgens Claeys kan burgerparticipatie zich dan weer nooit verzoenen met een neoliberaal beleid.

Hoe dan ook, aldus Claeys, gaat concrete burgerparticipatie altijd over de deelname in de besluitvorming door minderheden. In een opvatting van meerderheden die minderheden overklassen worden burgers aan de kant gezet. De dag na de verkiezingen moeten ze opnieuw zwijgen. Er zijn winnaars en verliezers, en burgers die mee willen overleggen krijgen geen kans. De tegenstander moet integendeel zo klein mogelijk gehouden worden. Politiek wordt een spel dat zich boven hun hoofden afspeelt. Polarisering hoort hier overigens bij en ook Donald Trump is geen accidentje, maar een logisch uitvloeisel van een systeem. De democratie verliest dan ook onvermijdelijk aan geloofwaardigheid. Claeys gaat zover te stellen dat het concept volksvertegenwoordiger een illusie is.

Schaffen we de verkiezingen dan niet beter af? Je verwacht eigenlijk wel dat Claeys tot die conclusie komt, maar hij ziet toch twee voordelen. Het is minstens een symbolische poging om zo veel mogelijk mensen persoonlijk bij de politiek te betrekken. En het is in principe mogelijk de wetgevende macht weg te stemmen. Het is echter niet moeilijk om hier een aantal correcties in te voeren: drempels zo laag mogelijk houden, de kans geven om zo pluralistisch mogelijk te stemmen (rangorde van voorkeurskandidaten) en onafhankelijke burgerlijsten.

Alleen is dat niet genoeg. Je moet daarbovenop beleidsvoorbereidende burgerparticipatie mogelijk maken. En dan is wat rond mobiliteit in Antwerpen gebeurd is één van de positieve voorbeelden. Hij citeert ook andere. De impact van de burgerbewegingen kreeg een flinke boost toen in 2015 een juridisch bezwaar ingediend werd tegen een snelheidsviaduct door Antwerpen. Het werd een serieus wapen in handen van de burgers, want iedereen schatte de kans dat de zaak gewonnen zou worden hoog in. Dit maakte het mogelijk dat burgers een verbeterd mobiliteitsplan inleverden. Daar zijn onnoemelijk veel werkbanken (een mooie vertaling van Claeys van het woord 'workshop') op twee niveaus (een algemener en een meer technisch) voor georganiseerd. Heel belangrijk was de rol van de intendant die op een bepaald moment werd aangesteld. Hij speelde vooral een rol van bemiddelaar, maar zorgde misschien nog meer voor een veilige overlegruimte.

Dit is een model voor burgerparticipatie dat in de toekomst op een structurele manier moet worden ingevoerd. Het komt er gewoon op neer dat burgers mee aan tafel zitten, effectieve medezeggenschap kunnen opnemen. Het model waarbij een verkozen top alle beslissingen alleen kan nemen en uitvoeren, gaat ervan uit dat de intelligentie alleen zit bij een top die zorgt voor een centrale sturing. Claeys heeft een ander model voor ogen, een model van energieke democratie. Hij put inspiratie uit de manier waarop intelligentie bij inktvissen werkt: zij hebben acht armen die bij manier van spreken in een relatieve autonomie ten opzichte van het brein beslissen hoe ze zich gedragen. Eigenlijk valt de intelligentie van de inktvis samen met zijn hele lichaam. Dit laat Claeys toe van een collectieve intelligentie te spreken, waarbij een centrale beslissing vervangen wordt door de inbreng van vele burgers. Of om nog een ander beeld te citeren: het is zoals bij een jazz-uitvoering. De dirigent geeft maximaal ruimte aan de improvisatie van zijn muzikanten. Burgers kunnen in de visie van Claeys niet minder dan acht nuttige rollen opnemen, die doen denken aan de acht octopusarmen en in elk geval zorgen voor een nieuw soort democratie, die veel beweeglijker en creatiever is.

Ik heb hoger verwezen naar de eruditie van Manu Claeys. Zijn verhaal is doorspekt met referenties en legt talrijke verbanden die in mijn samenvatting verdwijnen. Af en toe is het misschien wel een beetje van het goede te veel en stoorde ik mij aan nog weer een uitwaaiering. Maar het boek is meer dan de moeite waard. Ik kan er in elk geval inkomen dat er best een nieuw soort burgerschap komt. Ik geloof in de notie van collectieve intelligentie. Ik ben ook wel overtuigd van het Antwerpse voorbeeld.

Toch blijft er een aarzeling over: is iedereen wel zo bereid om die rollen van burgerparticipatie op te nemen? Misschien zijn we wel murw geslagen door het neoliberalisme, maar mij lijkt het militantisme (of hoe je het activisme ook noemen wil) eerder op een laag pitje te branden. Wat mij een beetje ontbreekt in het boek is een duidelijke profilering van de activisten in de Antwerpse burgerbewegingen. Wat heeft hen wakker gemaakt? Hoe bleven zij het volhouden? Mij lijken dat belangrijke vragen om preciezer de voorwaarden te bepalen waarin burgerparticipatie kan gedijen. Wie gaat overigens kiezen in welke projecten burgers betrokken worden? Verkiezingen of referenda die minderheden tegen de muur zetten? Het is mij niet duidelijk. Ten slotte: dat burgerparticipatie nooit tot neoliberalisme leidt, geloof ik niet echt. Als ik luister naar wat tegenwoordig in de cafés verteld wordt, hoor ik nog zelden kritische geluiden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 7 (september), pagina 82 tot 84