Abonneer Log in

Qui a tué mon père

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 8 (oktober), pagina 81 tot 83

Qui à tué mon père

Edouard Louis
Editions Seuil, Paris, 2018

Recent verscheen het derde boek van de Franse auteur en socioloog Édouard Louis (1992). Louis debuteerde in 2014 met En finir avec Eddy Belleguele (Weg met Eddy Bellegueule, De Bezige Bij), een autobiografische roman waarin hij zijn jeugd in een arme Noord-Franse fabrieksstad beschrijft. De titel van het boek, ondertussen ruim vertaald en in 2017 verfilmd, verwijst naar de naam die prijkte op zijn geboortecertificaat. Deze was 'besmet' door dit arbeidersmilieu, waarin hij opgroeide maar onmogelijk kon aarden: verstikt door de homofobie van deze omgeving, die hem bedreigde met geweld en sociaal isolement, moest hij uiteindelijk ontsnappen. Zijn assimilatie tot Parijse bourgeois beklonk hij op 21-jarige leeftijd met een naamsverandering.

In 2016 volgde opnieuw een spraakmakend autobiografisch werk, Histoire de la violence (Geschiedenis van geweld, De Bezige Bij). Hier vertelt Louis over de wijze waarop hij mishandeld, gegijzeld en verkracht werd door Reda. Hij had deze man op een nacht leren kennen en er gedurende een paar mooie uren het bed mee gedeeld; wanneer Louis hem de volgende ochtend echter betrapt op diefstal, ontspoort hij. De auteur doet verslag van deze gruwel, maar gaat ook in op het racisme van de agenten die hem verhoren en het harde leven van Reda's vader. Beïnvloed door Bourdieu, de Franse socioloog waar hij in 2013 al een academisch werk aan wijdde, toont Edouard Louis steevast de complexiteit van klasse en status, van actoren en socioculturele of economische structuren. Met hardnekkige empathie benadrukt hij dat daders vaak net zo goed slachtoffers zijn.

Zijn nieuwste werk, Qui a tué mon père (Éditions du Seuil, nu ook vertaald bij De Bezige Bij), begint met anekdotes die we al kennen uit zijn eerste roman: over de armoede en achterstelling van zijn jeugd, over pijn en schaamte, mannelijkheid en geweld, zijn vlucht. De focus ligt ditmaal op het leven van zijn vader, die als tiener van school ging om zoals zowat alle mannen uit zijn dorp fabrieksarbeider te worden. De taal van Louis is helder, de verhalen hard, toch voelt dit dunne boekje eerst als een doorslag van zijn debuut.

Pas in de slotfase komt de pointe van deze tekst uit de mouw: het is een politiek pamflet. Plots verbindt hij de problemen van zijn vader rechtstreeks met het gevoerde beleid, en wordt duidelijk dat de titel niet eindigt met een vraagteken maar met een dubbelpunt, dat we haar moeten lezen als een aankondiging: Edouard Louis gaat namen noemen. Chirac, Macron, Sarkozy, Hollande: 'l'histoire de ta souffrance porte des noms'.De ernstige maagproblemen van zijn vader werden verergerd door een hervorming van het gezondheidsbeleid: 'Jacques Chirac et Xavier Bertrand te détruissaient les intestins'. Een aanpassing van de arbeidswetgeving dwingt Belleguele senior, na een zwaar ongeval arbeidsongeschikt, om terug aan het werk te gaan en zodoende zijn gezondheid verder te ondermijnen: 'Hollande, Valls et El Khomi t'ont asphyxié'. De neerbuigende manier waarop Macron op werklozen sakkert, verdiept de schaamte om zijn armoedig bestaan: 'La meilleure façon de se payer un costard c'est de travailler.'

Deze volta wordt ingezet met een vraag: 'pourquoi est-ce qu'on ne dit jamais ces noms dans une biographie'? Dit kan je lezen als zelfkritiek: zijn eerste boek, En Finir, was in de eerste plaats sociologisch, had een scherp oog voor het samenspel van economische structuren, groepsdynamiek en psychologie, en was zonder twijfel politiek geladen, maar nooit op deze manier. Zijn aanklacht was gericht tegen een gezichtsloos complex, een toestand. Nu gaat het om concrete mannen en hun beleid. Dat roept een ander soort vragen op, ouderwets politieke vragen: wie heeft er de macht, hoe wenden zij deze aan, hoe vertonen zij zich (met welk gezicht, welke woorden?). Dit perspectief is begeesterend, want het belooft ook maakbaarheid. Het kan anders, insinueert hij. Deze machthebbers, met hun taal, hun ideeën, hun belangen, ingekapseld door (machts)relaties met weer andere mannen en vrouwen, voor hen allen geldt: het zijn geen automata, er gelden hier geen natuurwetten. Het zijn mensen die we kunnen vervangen door anderen. Andere namen, met een andere taal, beleid en toestand.

Tijdens de voorbije zomer was de Vlaamse krantenlezer getuige van een bizar schouwspel, waarbij de machtigste partij van het land zich openlijk afvroeg of haar deelname aan de 'Zweedse' coalitie wel iets had opgeleverd. Het was aan de linkerflank, Sacha Dierckx van denktank Minerva, om weerwerk te bieden: zijn column in De Standaard toonde aan dat de N-VA wel degelijk had gewogen op het beleid, en dat er een aantal stevige koerswijzigingen waren ingezet (ook retorische), die van België een rechtser, asocialer land hadden gemaakt. Dierckx keerde zich ook tegen politicologen als Luc Huyse, die al te makkelijk beweren dat de neoliberale orde onze democratie heeft uitgehold en dat er ons geen echte keuzes meer resten. Het pleidooi van Edouard Louis sluit volmondig aan bij Dierickx' protest: politiek is mensenwerk, en dus is er altijd ruimte voor betekenisvolle politieke actie. Zo uitgeplozen klinkt dit misschien wat banaal, maar het trefzekere ritme van Edouard Louis verheft zijn tekst tot een aangrijpende aanklacht; tegen de status quo, maar zeker ook tegen het defaitisme dat schuilt in veel academische en populaire ideeën over ons bestel.

Vader Belleguele besefte alvast zeer scherp 'que pour [lui] la politique était une question de vie ou de mort'. Aan het einde van het boek vraagt hij aan zijn zoon of deze nog politiek bedrijft. Meer en meer is het antwoord: 'Tu as raison, je crois qu'il faudrait une bonne révolution'.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 8 (oktober), pagina 81 tot 83