Log in

Zijn extreemrechts en extreemlinks even erg?

'Voor ranzigheid en extremisme is in onze winkel geen plaats', dat was de eerste reactie van Bart De Wever op de Pano-reportage over Schild & Vrienden. Maar tegelijk hoorde je in zijn partij geluiden dat je 'achter de schermen bij extreemlinks ook wel wat zou zien'. Zijn extreemrechts en extreemlinks, met andere woorden, even erg? Een historische verkenning en een waarschuwing.

DE VELE GEDAANTES VAN EXTREEMRECHTS

De stille invoering van het 70-puntenplan
Alexis Deswaef
Welkom in het tijdperk van het globale nationalisme
Ico Maly
Hoe kan het verder met de man?
Celia Ledoux
Klimaatverandering? Det är en uppfinning!
Martin Hultman
Zijn extreemrechts en extreemlinks even erg?
Vincent Scheltiens

Toen Tim Verheyden en de Pano-ploeg begin september Schild & Vrienden ontmaskerden als een fascistoïde groep trok menig rechts commentator een merkwaardige verdedigingslinie op: het heette dat de 'linkse VRT' zich louter over extreemrechts boog en manifest naliet de extreemlinkse evenknieën even genadeloos onder de loep te nemen. Op sociale media en op meer ranzig rechtse onlinemedia als Doorbraak en Sceptr werd onder meer de jongerenorganisatie van de PVDA, Comac, bij naam genoemd. Als verdediging had het natuurlijk iets kinderachtigs: het met de vinger gewezen jongetje dat een ander klasgenootje erbij lapt, 'Meester, hij doet dat ook!'. Maar door het inzetten van dit whataboutism werd de eigen in opspraak gekomen positionering of daad gebanaliseerd en vergoelijkt, zonder dat er een grondige kritische reflectie volgde.

Het op één lijn plaatsen van extreemrechts en extreemlinks kent echter een meer ernstige variant, meestal gebald én in het Frans uitgedrukt als 'les extrèmes se touchent'. Volgens deze gedachtegang vervullen beide extremen dezelfde objectieve functie – een nefaste welteverstaan – ten opzichte van de democratische consensus. Ze worden aldus beschouwd als elkaars objectieve bondgenoten. In een aantal gevallen ontwaart men zelfs concrete bondgenootschappen en spreekt men van 'roodbruine' allianties. Eén van de meest spraakmakende voorbeelden van zo'n coming together was het in augustus 1939 afgesloten pact tussen nazi-Duitsland en de USSR van Jozef Stalin. Dat zogenaamde Molotov-Ribbentroppact – naar de respectievelijke buitenlandministers die het afsloten – omhelsde niet alleen een realpolitieke tactiek, het niet-aanvalsverdrag. Het omvatte ook een vriendschapsverdrag en een geheime clausule over de verdeling van Polen, het respecteren van elkaars 'invloedzones' waarna de USSR Finland, de drie Baltische staten en Bessarabië kon inpikken. Actuelere 'roodbruine' allianties vindt men onder meer in de verdediging van het Syrische Assad-regime of in de steun aan de pro-Russische krachten in het oosten van Oekraïne.

TOTALITARISME

Tijdens de Koude Oorlog werden vele politieke én academische inspanningen geleverd om beide extremen over dezelfde kam te scheren onder de noemer 'totalitarisme'. In deze voorstelling was de verslagen nazi Adolf Hitler de evenknie van de voormalige bondgenoot in de antinazistische strijd Jozef Stalin. Meer zelfs. Een aantal auteurs schreven de nazi's letterlijk uit het extreemrechtse kamp om ze onder te brengen… in het linkse. Was het nationaal-socialisme immers geen variant van het socialisme? Was Benito Mussolini, alvorens de leider van de Italiaanse fascisten te worden, niet een vooraanstaand socialist en hoofdredacteur van het partijdagblad Avanti?

De aanloop naar de term 'totalitarisme' kan in de jaren 1920 gesitueerd worden bij de Italiaanse fascistische filosoof Giovanni Gentile (Stato totalitario) maar ook bij de Duitse jurist en politieke wetenschapper Carl Schmitt en zijn pupil Ernst Forsthoff (Totalstaat) om regimes te promoten waarbij de staat in alle vezels van de samenleving doordringt. Het Interbellum en de Tweede Wereldoorlog zetten tal van intellectuelen aan om die 'totalitaire staten' van rechts als van links te vatten: Herbert Marcuse, Luigi Sturzo, Hans Kohn, Franz Borkenau, James Burnham, Karl Popper, Franz Neumann, Ernst Frankl en vele anderen schreven even interessante als uiteenlopende bijdragen.

In 1951 publiceerde de Duits-Joodse filosofe Hannah Arendt The Origins of Totalitarianism, een trilogie waarin ze ook de verwantschap tussen nazisme en stalinisme besprak. Arendt schreef aan het slot van het voorwoord van het derde deel dat met de dood van beide dictators tenminste een voorlopig einde was gekomen aan het verhaal dat dit werk wilde vertellen. De politieke wetenschappers Carl J. Friedrich en Zbigniew Brzezinski dachten daar anders over en stelden in volle Koude Oorlog een typologie van het totalitarisme op aan de hand van zes kenmerken: één staatsideologie, eenpartijstaat, staatsmonopolie op media, economie in handen van de staat, almacht van de geheime politie en geweldmonopolie van de staat. Hun academische inspanningen volgden ook een politieke agenda (Brzezinski zou nog een lange en invloedrijke diplomatieke carrière uitbouwen). Vanuit de Verenigde Staten wilde men de wereld de superioriteit tonen van liberalisme en vrije markt, steevast voorgesteld als 'natuurlijke' tweelingbroers.

Kritiek op het totalitaire, moorddadige karakter van het Stalin-regime was des te legitiemer daar tal van gezaghebbende progressieve stemmen nog vóór de Tweede Wereldoorlog evenmin een spaander heel lieten van dat soort 'reëel bestaand socialisme'. Met onthutsende getuigenissen als die van onder meer George Orwell (Hommage to Catalonia, 1938), Arthur Koestler (Darkness at Noon, 1941) en Julián Gorkin (Canibales políticos. Hitler y Stalin en España, 1941) werden zowel de misdaden als de mechanismen van dat stalinisme blootgelegd.

Indien deze en andere door de Noord-Amerikaanse geheime diensten benaderde auteurs in het kader van de Cultural Cold War niet konden worden ingepast in het discours over de superioriteit van de tandem 'liberale democratie-vrije markt', eindigden ze in de marginaliteit. Potentieel vormden ze immers het gevaar om iets zeer gênants te onthullen: namelijk dat niet iedereen ter linker- of uiterst-linkerzijde over dezelfde totalitaire kam kon worden geschoren. En dat het 'vrije Westen' jarenlang de ogen sloot voor Stalins misdaden… omdat hij een bondgenoot was in de oorlog. Met zijn kritiek op de rol van Moskou en de Spaanse communisten tijdens de Spaanse Burgeroorlog vond George Orwell pas in 1952 een Engelse uitgever bereid zijn Hommage to Catalonia te publiceren.

Wie wilde weten hoezeer de Sovjet-Unie een totalitaire staat was waar miljoenen mensen gedeporteerd en vermoord werden, hoe het er in de dwangarbeidkampen van Vorkuta en elders aan toeging, had het aan de linkse opposanten kunnen vragen die vanaf de tweede helft van de jaren 1920 Stalins eerste slachtoffers waren. Daarvoor hoefde men helemaal niet te wachten op de vertaling van Aleksandr Solzjenitsyns Goelag Archipel… begin jaren 1970. Al in 1935 had Boris Souvarine, medeoprichter van de Franse communistische partij, een vernietigende biografie over Stalin en zijn regime uitgebracht.

Toen in 1989 de Berlijnse Muur viel en twee jaar later de Sovjet-Unie implodeerde, steeg er een nieuwe golf van 'antitotalitarisme' op. Het was het ordewoord voor de hereniging van Duitsland en tot op de dag van vandaag is de gelijkschakeling van extreemrechtse (fascisme) en extreemlinkse (stalinisme) ideologieën en praktijken de basis waarop de herinnering in voormalige Oostbloklanden georganiseerd wordt. Na de Wende opgerichte staatsinstellingen die de functies van archief, museum, onderzoekscentrum koppelen, zoals bijvoorbeeld het Poolse Institute of National Remembrance (IPN), zeggen de 'patriottische tradities' te koesteren van de strijd tegen 'bezetters, nazisme en communisme'. Terloops, in dit uitdrijven van rechts en links totalitarisme lijkt het alsof er onder Polen nooit antisemitisme heeft bestaan, alsof er ook geen Poolse communisten én collaborateurs met de nazi's waren.

ENKELE VERSCHILLEN

Wie de typologie van Friedrich en Brzezinski bekijkt, kan niet om een aantal gelijkenissen tussen nazisme en stalinisme heen. Toch zijn er ook essentiële verschillen die in de totalitarismetheorieën weinig of niet aan bod komen. Deze verschillen moeten niet ingezet worden om één van de regimes te vergoelijken of hun misdaden te minimaliseren. Het gaat me hier om elementen van historische analyse, en niet om morele beoordeling. Ik beperk me hier tot slechts enkele verschillen, en verwijs hiervoor naar de Italiaanse historicus Enzo Traverso.

Ten eerste, de economie. De Sovjet-Unie streefde naar een gecollectiviseerde economie door de (gewelddadige) onteigening van de bezittende sociale klassen. Uiteindelijk leidde dit tot een gigantische demonstratie van bureaucratisch onvermogen en van een schrijnend gebrek aan consumptiegoederen. Om een planeconomie behoorlijk te laten draaien heb je inspraak nodig van producenten en consumenten. Dat betekent democratie, medezeggenschap. Het nazisme van zijn kant steunde op een kapitalistische basis en genoot de steun van de traditionele elites en grote industriële groepen. Sterker, door de uitschakeling van de vakbonden (en dus de collectieve verkoop van arbeidskracht) en deels ook de invoering van slavenarbeid (de werkkampen) konden delen van de oude elite en de grote industrieën zich mateloos en onbekommerd verrijken. Het maakt wel brandhout van de idee dat kapitalisme (eufemistisch 'vrije markt' genoemd) en liberale democratie de facto hand in hand gaan. In de jaren 1970-1980 zal dat in het Chili van dictator Augusto Pinochet nog eens aangetoond worden wanneer de onder Milton Friedman in de VS opgeleide 'Chicago Boys' vrijuit hun economisch ultra-liberale gang konden gaan.

Een tweede verschil dat ik kort wil bekijken is het gebruikte geweld, in beide gevallen op massaschaal. In de Sovjet-Unie was de terreur in de eerste plaats gericht op de eigen bevolking. Stalin ontketende een ware oorlog tegen de eigen onderdanen om de sociaaleconomische basis van het land te wijzigen, om een agrarisch land in korte tijd dwangmatig te industrialiseren. Daarbij moesten de vroegere elites, maar ook kleine boeren het ontgelden. De aristocratie werd al in 1917 vernietigd. Daarnaast wilde het regime de hele samenleving omkaderen aan de hand van terreur en repressie, wat elke burger tot een potentieel doelwit van de geheime diensten maakte. Dat lag anders bij de nazi's wiens slachtoffers vooral 'anderen' waren, niet-ariërs. Duitse onderdanen die geen verzet pleegden en niet tot de Gemeinschaftsfremden behoorden (Joden, zigeuners, andersvaliden, 'asocialen') werden met rust gelaten. Grootgrondbezitters, industriëlen, adel, traditionele militaire hiërarchie… ze werden door de nazi's niet geviseerd. De terreur richtte zich vanaf 1939 naar buiten in de zoektocht naar Lebensraum en de strijd tegen het 'judeo-bolsjewisme' wat zich vertaalde in de judeocide, de kolonisering van de Slavische gebieden en de (poging tot) vernietiging van de Sovjet-Unie.

De term 'totalitarisme' biedt dus geen basis voor een meer diepgaande, vruchtbare historische vergelijking maar leidt daarentegen snel tot een oppervlakkig amalgaam van extreemrechts en extreemlinks. Daarenboven werd de term, zoals tijdens de Koude Oorlog en na de implosie van de USSR, sterk ingezet voor politieke doeleinden. Bovendien dreigt het ons te doen vergeten dat ook regimes die niet onder deze noemer te plaatsen vallen, ook aan kritiek onderhevig kunnen en moeten zijn. Ook in 'onze democratieën' bestaat structureel racisme, seksisme, uitbuiting en onderdrukking, enzovoort. Morele veroordeling van totalitaire regimes uit het verleden of van de ideologieën waarop ze zich baseerden, vervangt geenszins de plicht om vandaag alert te blijven voor totalitaire verglijdingen, inperkingen van democratische rechten en vrijheden in onder andere Hongarije, Polen… maar ook door een onmiskenbare verrechtsing hier bij ons.

WAARSCHUWING

Het staat in rechtse kringen bon ton om het historische antifascisme af te doen als een soort van democratische maskerade van het communisme. Dat de USSR in het Interbellum tal van fronten en comités opzette en manipuleerde kan niet ontkend worden en is ook – onder meer en weeral vanuit een niet-stalinistische linkerzijde – uitvoerig beschreven. Maar het amalgaam doet onrecht aan de vele oprechte mensen, van tal van gezindten, die hun leven in de waagschaal gooiden om het fascisme te bekampen. Nog in dat opzicht wordt in Vlaanderen al te snel het verzet tegen de nazi-bezetter herleid tot bij de Bevrijding paraderende lafaards die huizen plunderden en weerloze vrouwen kaal schoren. Het is dan een kleine stap om ook hier extreemrechts – de collaborateurs – en extreemlinks – een deel van het verzet – over dezelfde kam te scheren. Alsof het verklikken van Joden en het clandestien verbergen van Joden te vergelijken zijn. Alsof het meeheulen met een dictatuur, er materieel van profiteren en er – op risico van eigen leven – tegen in opstand komen hetzelfde zijn. Naar sommigen van de eerste groep zijn er vandaag in Vlaanderen nog straatnamen genoemd. Van de tweede groep veel te weinig.

Laten we ons nooit vergissen wanneer een groep als Schild & Vrienden de akelige kop opsteekt. Laten we de jonge en minder jonge mensen die mobiliseren tegen deze fascistoïde kereltjes nooit over dezelfde kam scheren. Schild & Vrienden is het soort fenomeen dat Hugo Schiltz zaliger ooit als 'wandluizen van de Vlaamse beweging' omschreef. We hoeven niet naar anderen te wijzen of naar amalgamen te zoeken. We moeten wel de muur ontbloten waarop deze wandluizen kunnen gedijen.

Referenties

Hannah Arendt, 'Les origins du totalitarisme. Le système totalitaire (tome 3)', Paris, Seuil, 1972 [oorspronkelijk in het Engels verschenen in 1951]
Carl J. Friedrich & Zbigniew K. Brzezinski, 'Total Dictatorship and Autocracy', New York, Praeger, 1956.
Vincent Scheltiens, 'Geen kwajongens, geen gekken', De Standaard, 11 september 2018.
Robin te Slaa, 'Wat is fascisme? Oorsprong en ideologie', Amsterdam, Boom, 2017.
Enzo Traverso, 'Le Totalitarisme. Le XXe siècle en débat', Paris, Seuil, 2001.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 8 (oktober), pagina 28 tot 32