Log in

Zonder geëngageerde middenklasse geen ecologische transitie

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 62 tot 66

Het kan merkwaardig klinken, maar het protest van de gele hesjes – ik heb het niet over de vernielzuchtige relschoppers – tegen het beleid van de Franse president Macron is een zegen voor het debat over de ecologische transitie. Het maakt duidelijk wat ecologische transitie niet is: een arrogant beleid waar je na belastingverlagingen voor de kapitaalkrachtigen de taksen op brandstoffen blind verhoogt. Het laat meteen ook toe aan te geven wat het wél betekent: een visie op het goede leven voor iedereen binnen de grenzen van onze planeet. (Politieke) ecologie gaat, met andere woorden, nooit louter over overleven, maar precies over de gemeenschappelijke zoektocht naar het goede leven. Hoe kunnen mensen zich op rechtvaardige wijze ontplooien in een samenleving binnen de grenzen van de planeet?1 Die visie uitwerken vergt een doordacht proces van publiek debat, een spiraal aan deliberatieve processen; zo niet belanden we in een expertocratie waar een kleine groep zal bepalen hoe de rest moet leven.

Dat neemt niet weg dat ons heel weinig tijd rest om de klimaatopwarming te beperken tot een leefbaar niveau. Het gaat dus niet over de vraag welk beleid we binnen vijf of tien jaar nodig hebben: de ecologische catastrofe is zich volop aan het voltrekken, al merken we daar in ons kleine landje voorlopig weinig van. Maar of het nu de bosbranden zijn in Californië, de slechtste oogst in vijftig jaar in Zweden door de droge zomer of de onleefbare hittegolven in Australië, het zijn voorbeelden van situaties die de leefbaarheid op aarde bedreigen. En dat zal zonder koerswijziging alleen maar meer en sneller gebeuren. Dus ja, we moeten de omslag naar een sociaalecologische samenleving snel realiseren. Maar zo'n transitie zal tegelijk enkel lukken als ze erin slaagt grote delen van de samenleving mee te krijgen, en dus zeker de middenklasse. Dat betekent werk maken van een just transition: klimaatbeleid zal sociaal en rechtvaardig zijn, of niet zijn. Enkel als mensen het gevoel hebben dat het beleid billijk is, is er een gerede kans dat ze ermee instemmen. In die zin haakt de ecologische uitdaging in op andere maatschappelijke uitdagingen, zoals de toenemende ongelijkheid en structurele uitsluiting van groepen in de samenleving.2

De term transitie vat hierbij goed de grote uitdaging waar we voor staan: geen broeikassen meer uitstoten en de uitbouw van een koolstofneutrale en rechtvaardige economie tegen 2050. Transitie staat voor systeemverandering, het volledig uitbouwen van alternatieve systemen op vlak van voeding, energie, wonen, mobiliteit, enzovoort. Het gaat in de eerste plaats over duurzame infrastructuren die het mensen mogelijk maakt een ecologisch rechtvaardig leven te leiden. Als je vandaag voor twintig euro meer dan duizend kilometer kan vliegen naar Barcelona, terwijl er geen bus rijdt naar het industrieterrein tien kilometer verderop waar je werkt, dan weet je hoe fout onze huidige systemen in elkaar zitten. Op zich staande maatregelen zoals een subsidie om je huis te isoleren, zelfs staat het fout ingepland in de open ruimte, hebben trouwens ook weinig te maken met systeemverandering. Want de slechte locatie zal enkel het individueel autogebruik verder bestendigen.

DE MIDDENKLASSE UIT ELKAAR GESPEELD

Daarbij is het kernwoord van deze editie van Samenleving & Politiek gevallen: de middenklasse. Andere artikels in dit nummer zullen dit concept ongetwijfeld verhelderen. Zelf onderscheid ik ruwweg drie niveaus, met bovenaan de hogere middenklasse. Dan volgt de grote middenmoot die zich doorgaans een eigen huis kan veroorloven, velen hebben een bedrijfswagen en wat spaargeld, wat echter niet betekent dat ze een zorgeloos leven leiden. Elke dag in de file en prestatiedruk op het werk zijn hiervan maar twee voorbeelden. Tot slot is er de groeiende onderkant van de middenklasse: mensen die het moeilijk hebben om op het einde van de maand de eindjes aan elkaar te knopen, die doorgaans huren of in een huis wonen dat ze niet kunnen renoveren, geen bedrijfswagen hebben en dus rondrijden met een duurbetaald meestal ouder exemplaar als ze al een auto hebben.

Zelfs deze ruwe schets maakt duidelijk dat ondoordacht beleid – dat zich wellicht zelfs als ecologisch bestempelt – de kloof tussen deze groepen enkel maar vergroot. Want het verschil tussen een woonst van pakweg dertig jaar geleden en één dat voldoet aan de hedendaagse ecologische normen is hemelsbreed. Dat laatste behoeft veel minder energie om te verwarmen, produceert vaak eigen elektriciteit of warm water, gebruikt regenwater voor toilet, enzovoort. Dat betekent dat bij stijgende prijzen voor energie en water – wat al jaren het geval is – de factuur voor de lage middenklassers in verouderde woningen sterk stijgt, terwijl die voor de hogere of middenmoot die kan renoveren of iets nieuws kopen, dat amper het geval hoeft te zijn. Dit toont dat een rechtvaardige transitie – waar we iedereen mee willen – niet kan bestaan uit geïsoleerde maatregelen, wat losse subsidies hier en energieheffingen daar. Zo speel je de middenklasse verder uit elkaar. Dat is voor alle duidelijkheid geen pleidooi voor goedkope – laat staan gratis – energie. Zoals ik in mijn boek Vrijheid & Zekerheid. Naar een Sociaalecologische Samenleving (2016) uiteenzet, hebben we nood aan een hoge energieprijs die tegelijk door iedereen betaalbaar is. Zo is de nodige energie voor iedereen beschikbaar en springt iedereen er zuinig mee om.

SYSTEEMVERANDERING NODIG

De essentie is dat ecologische transitie vertrekt vanuit systeemdenken: op welke wijze kunnen we gezamenlijk nieuwe structuren en processen ontwikkelen die werken voor iedereen, die iedereen voldoende toegang tot machtsbronnen en levenskansen bieden, binnen de grenzen van de planeet? Hoewel we dergelijke nieuwe systemen wereldwijd nodig hebben – laat daar geen twijfel over bestaan, ik pleit niet voor lokalisme – zien we ze vandaag vooral ontstaan op het lokale niveau. In steeds meer steden en gemeenten zie je burgers de toekomst in eigen handen nemen en alternatieve systemen uitbouwen. Tevens zie je op sommige plaatsen lokale besturen echt de keuze maken voor ecologische transitie.

Laat ons het voorbeeld nemen van mobiliteit. Het openbaar vervoer verwaarlozen en de keuze ondersteunen voor ieder zijn eigen auto, is een ramp gebleken; voor de planeet, voor de straatbewoner naast de file, voor het kind in de stad vol vuile lucht, enzovoort. Dit systeem wat vergroenen, bijvoorbeeld door het subsidiëren van zuinige auto's, is geen systeemverandering. Het is prutsen in de marge in het licht van de uitdaging waar we voor staan.

Concreet vertaalt systeemverandering zich in het realiseren van verschillende maatregelen binnen een (deel)systeem die elkaar versnellen en versterken. Dit omschrijf ik, geïnspireerd door André Gorz, in mijn boek als 'revolutionair reformisme' als dit gepaard gaat met het verhogen van het politiek bewustzijn. Voor mobiliteit betekent dit onder meer de uitbouw van een fijnmazig openbaar vervoersysteem dat volledig draait op hernieuwbare energie. Aansluitend is systeemverandering ook het opzetten door burgers van coöperaties om bijvoorbeeld elektrische auto's te delen, zoals de coöperatie Partago doet en hierbij samenwerkt met energiecoöperaties. Verder hoort hier de radicale nieuwe vormgeving bij van de stad of gemeente waarbij ze naast het openbaar vervoer, ruimte geeft aan voetgangers en fietsers. En dus daadwerkelijk de ruimte voor de auto inperkt, zoals steden als Kopenhagen, Groningen of Gent hebben gedaan. Neem daarbij nog kritische burgers die acties voeren voor veilige en gezonde schoolomgevingen of met hun fiets de straat symbolisch bezetten met critical massactions, en je krijgt al een beeld waar het over gaat.

STEEDS MEER COMMONS

Terug naar de initiatieven van onderuit. Het goede nieuws is dat het voorbeeld van Partago niet op zich staat. Onderzoek van de Denktank Oikos uit 2016 en 2018 toont dat er steeds meer van deze burgercollectieven of commons ontstaan.3 In 2014 werden er tien keer meer opgericht dan in 2004, en de tendens in 2015-2016 toont enkel een sterk stijgende lijn. Vele van deze burgercollectieven zijn expliciet gericht op duurzaamheid, ontwikkelen bouwstenen van alternatieve systemen die passen binnen de ecologische transitie. Denk hierbij aan co-housing projecten – waarbij grond, wasmachine, logeerkamer, enzovoort gedeeld worden – of wooncorporaties, aan korteketenlandbouw zoals plukboerderijen die lokaal en biologisch voedsel aan betaalbare prijzen leveren, aan 'tijdbanken' zoals LETS waarbij mensen elkaar ondersteunen vanuit hun eigen capaciteiten zonder dat er euro's aan te pas komen.

Het onderzoek toont dat het bij uitstek de middenklasse is die dergelijke commons opstart en trekt. Hierbij valt op dat het niet gaat om leden van de hogere middenklasse, wel om mensen met midden- en lagere inkomens. Tegelijk zijn het wel hooggeschoolden waarvan naast voltijdsen een relevant deel deeltijds werkt. Dat laatste kan de combinatie van een hoger diploma met een laag inkomen verklaren (dit staat ook los van totale gezinsinkomen). Verder is de onderste laag van de middenklasse duidelijk ondervertegenwoordigd. Stellen dat heel de middenklasse zich inzet voor de ecologische transitie is dus niet correct. Wel kunnen we ondertussen spreken van tienduizenden gezinnen die zich op allerlei manieren engageren in de uitbouw en reproductie van dergelijke systemen. En dat is zonder meer goed nieuws, het toont dat naast de overheid en de markt er nog een derde manier is om zaken in de samenleving te organiseren, de commons die aan belang winnen. Dat is geen pleidooi om te pleiten voor minder overheid, integendeel. Wel voor een overheid die op actieve wijze deze burgercollectieven ondersteunt.

WELKE PRIJS WILLEN WE BETALEN?

Om af te ronden plaatsen we onze samenleving in de wereld: vanwaar komen onze spullen en welke prijs betalen wij ervoor? Het antwoord is eenvoudig maar maakt het geheel complex: onze koopkracht is deels gestoeld op de uitbuiting van volken in het zuiden, op het vernietigen van leefwerelden en ecosystemen. MediaMarkt mag dan wel reclame maken onder de slogan 'Ik ben toch niet gek', maar elk jaar iedereen een nog grotere televisie, fancy koffieapparaat of wat dan ook willen aansmeren, is gewoon waanzinnig. Dat betekent dat we het ook moeten hebben over de alomtegenwoordigheid van reclame. Ik erger me blauw aan reclame voor auto's in treinstations. Elke dag zien we minstens 3.000 reclameboodschappen in allerlei vormen, en dat is onhoudbaar. Je kan nu eenmaal niet diëten in een snoepwinkel. Het gaat erom de winkel in onze samenleving kleiner te maken, terwijl we toch over voldoende goederen en diensten beschikken om goed te kunnen leven.

Dat betekent twee zaken. Ten eerste het stimuleren van ethische producten met een lange levensduur zoals een Fairphone, en veel meer inzetten op gedeeld gebruik. Ten tweede de noodzaak om alternatieven te ontwikkelen voor de dominante wijze van zingeving in onze huidige consumptiemaatschappij waar 'expressieve consumptie' een belangrijke wijze van identiteitsopbouw is. Laat dat net ook de kracht zijn van publieke diensten – als de trams tenminste rondrijden zonder reclame erop – en de nieuwe commons. Ze maken nieuwe vormen van sociale ontmoeting mogelijk die niet louter draaien rond consumptie, ze bieden vormen van zin en betekenisvorming aan buiten wat de markt ons aanprijst. Dit is geen pleidooi tegen ondernemers en markten, wel voor sociaal ondernemen en ingebedde markten. Er is een hemelsbreed verschil tussen supermarkten die boeren en natuur uitpersen voor de meeste winst, en een boeren- of coöperatieve markt waar goederen met een eerlijke prijs en verhaal worden aangeboden. Zo is de eerste coöperatieve supermarkt van België, BEES Coop in Brussel, een groot succes. Je bent er niet enkel klant, maar tegelijk aandeelhouder en vrijwilliger. De winkel enkele uren per week mee openhouden geeft je recht op het kunnen aankopen van gezonde producten tegen een eerlijke en scherpe prijs. Daarmee is meteen de conclusie geformuleerd van deze bijdrage. De middenklassers kunnen een belangrijke rol spelen in de ecologische transitie als zich niet langer tevreden stellen met hun rol van consument, maar ook die van actief burger en commoner (coöperant, producent, …) opnemen.

Voetnoten

  1. Zie hierover mijn opiniestuk op Knack.be van 24/11/18: 'Waarom ik als ecologist het protest van de gele hesjes uitstekend kan begrijpen'. https://www.knack.be/nieuws/wereld/waarom-ik-als-ecologist-het-protest-van-de-gele-hesjes-uitstekend-kan-begrijpen/article-opinion-1397805.html.
  2. Zie hierover mijn opiniestuk op Knack.be van 02/12/2018: 'Een rechtvaardig klimaatbeleid zal sociaal zijn of niet zijn'. https://www.knack.be/nieuws/belgie/een-rechtvaardig-klimaatbeleid-zal-sociaal-zijn-of-niet-zijn/article-opinion-1401079.html.
  3. Zie hiervoor respectievelijk Noy, F. & D. Holemans (2016). 'Burgercollectieven in kaart gebracht'. Oikos 78 (3): pp. 69-81 en Holemans, D., Van de Velde K., De Moor, T. & Kint, C. (2018). 'Burgers samen in actie. Belgische burgercollectieven in kaart gebracht'.Een studie in opdracht van de Koning Boudewijnstichting uitgevoerd door Oikos Denktank in samenwerking met prof. T. De Moor (Universiteit Utrecht). Brussel, oktober 2018.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 62 tot 66