Abonneer Log in

Robespierre achterna

Zomerreeks - Hoop 2019

De kracht van de universele rechten is precies dat ze niet afhankelijk zijn van een historische, sociale of economische context.

Welke gebeurtenissen kunnen voor sociaaldemocraten vandaan de dag hoopvol lijken? De recente verkiezingsuitslag suggereert dat burgers de verwezenlijkingen van de sociaaldemocratie belangrijk vinden, zoals zorg, sociale zekerheid en werkzekerheid. Dat is hoopvol. Maar het waren vooral PVDA en Vlaams Belang (met een links sociaaleconomisch programma) die er winst mee boekten.

Waarom spreekt de sociaaldemocratie niet aan? In het verleden zijn sociaaldemocratische partijen te veel meegegaan in het individualistische verhaal, terwijl ze de democratie en het soevereine volk te veel hebben opgegeven. Deze nadruk op ieders individuele rechten lijkt rechtstreeks te volgen uit de idee van de universele mensenrechten. Maar dit individualisme vraagt burgerschap. Dat beweert Marcel Gauchet, bekend om zijn sociaaldemocratische sympathieën, in zijn recent boek Robespierre, L'homme qui nous divise le plus. Robespierre verschijnt als een dubbele figuur: hij verdedigde eerst de rechten van het individu; de persvrijheid, de afschaffing van de doodstraf en van de slavernij; hij streed tegen de despotische monarchie. Maar na 1791 (nadat koning Lodewijk XVI gearresteerd en onthoofd werd) verdedigde Robespierre principieel de macht van het volk, de Revolutie, de Staat, tegen de individuele vrijheid. Deze episode eindigde in de Terreur, en werd zijn ondergang.

Ondertussen zijn de 'Déclaration du droit de l'homme et du citoyen', de 'Verklaring voor de Rechten van de Mens en de Burger', het fundament geworden om recht en politieke legitimiteit te begrijpen. Dat is terecht. Beide rechten – van mens én burger – moeten elkaar in evenwicht houden. Dat is een lastige oefening: wie alleen de rechten van individuen aanvaardt, ondermijnt de democratische werking; wie alleen de deugden van het burgerschap oplegt, geeft aan niemand individuele vrijheid.

Sinds de jaren 1980 hebben linkse partijen – deels vanuit een afkeer voor totalitarisme – vooral de individuele rechten verdedigd, en de idealen van burgerschap veronachtzaamd. Op economisch vlak betekende dit individualisme de omslag naar een neoliberaal model: individuele initiatieven hebben onbeperkte mogelijkheden in een vrije markt. Maar in zo'n model heerst al snel het recht van de sterkste, en is sociale rechtvaardigheid zoek. In naam van wie of wat kan je tenslotte nog beperkingen opleggen? De vrije markt is ook het model geworden voor niet-economische individuele rechten: om zich gerespecteerd te voelen, ook in identitaire eigenheid. Maar om grenzen te stellen aan individuele vrijheden, heb je een politiek gemeenschapsverhaal nodig. Begrippen zoals natie, gemeenschap of volk hebben echter geen politieke betekenis meer. 'Volk' slaat op wie sociaal wordt benadeeld. Die benadeelden voelen zich individuen, geen leden van éénzelfde politieke gemeenschap. Een goed voorbeeld zijn de gele hesjes, die wel opstandig zijn over belastingen maar er (voorlopig?) niet in slagen om hun beweging politieke kracht te geven.

Daartoe is het tweede aspect van de Verklaring nodig: 'de rechten van de burger'. Door burgerschap besef je dat je deel uitmaakt van een groep en verkrijg je politieke macht. Wat het politieke zo moeilijk maakt, is dat er altijd een spanning bestaat tussen de individuele rechten en de rol als burger. De politieke gemeenschap geeft democratische rechten, maar kan ook iets eisen: dat je als burger afwijst, wat je als individu verlangt. Dat is wat deugd, 'vertu civique', in de klassieke, republikeinse zin wil zeggen. Die deugd, dat besef vormen de basis voor solidariteit: een burger denkt niet meer uitsluitend aan zijn eigenbelang, maar kan het algemene belang vooropstellen. Robespierre geldt hier als exemplarische illustratie: zijn civieke deugd was geen intrusieve, moraliserende visie op het private leven, maar op een publieke moraal (hoe gedraag je je ten aanzien van de gemeenschap?).

Wie deze dynamiek goed wil doen werken, moet dus de mensenrechten op gepaste wijze inroepen. De idee van 'mensenrechten' maakt duidelijke politieke keuzes of afwegingen niet overbodig. Dat is een belangrijk inzicht. Het geldt bijvoorbeeld voor een thema zoals migratie. Ook hier is er een spanning tussen wat de individuele rechten betekenen – dus wat een vluchteling of migrant toekomt – en wat de burgers van een gemeenschap nodig achten. Het begrip 'universele rechten' kan daarbij verwarring in de hand werken. 'Universeel' wil zeggen: elke mens heeft er recht op vanuit zijn mens-zijn. Hij is niet afhankelijk van een politiek regime dat deze rechten moet erkennen – de vluchteling kan in zijn thuisland als vrije burger worden miskend of zelfs bedreigd, bijvoorbeeld. De kracht van de universele rechten is precies dat ze niet afhankelijk zijn van een historische, sociale of economische context. In die zin zijn de universele rechten het kader waarbinnen de politieke legitimiteit gedacht wordt – en vervangen ze een transcendente, goddelijke visie op politieke macht.

Maar in de realiteit hebben zo'n rechten een gemeenschap nodig waarin ze erkend worden. Daarbij moet een gemeenschap de middelen hebben om vorm te geven aan die rechten. Juist omdat de middelen beperkt zijn, worden rechten een zaak van politieke deliberatie. Anders gezegd: er zijn wel universele rechten, maar de universele samenleving bestaat niet. Elke samenleving heeft bijzonderheden: ze vertrekt van een wettelijk kader, en heeft een specifieke historische, sociale en economische realiteit.

Het is dus de taak om duidelijk te formuleren wat de sociaaldemocratische alternatieven zijn, om zowel de individuele als de burgerlijke rechten in evenwicht te houden. Deze discussie moet niet alleen op nationaal, maar ook op Europees niveau gevoerd worden.

Deze bijdrage verscheen in de SamPol-zomerreeks Hoop 2019