Log in

Strijd als antidotum voor de komende wanhoop

Zomerreeks - Hoop 2019

Terwijl rechts met alle mogelijke middelen de realiteit probeert te ontkennen, moet links zich de bittere werkelijkheid van ecologische catastrofe toe-eigenen.

Het moderne politieke denken vangt aan met een simpele gedachte: het idee dat de samenleving in te richten valt op een andere, mogelijks betere wijze. Het is een gedachte die in de 16e en 17e eeuw de breuk vormt ten opzichte van het middeleeuwse, Aristotelische denken waarin – om het wat kort door de bocht uit te drukken – alles is wat het is. Lees er de geschriften van Machiavelli, Hobbes, Locke, More en tijdsgenoten op na, en steeds duikt expliciet of impliciet het idee op dat de samenleving te veranderen valt. Het moderne denken wordt op die manier eigenlijk voortgestuwd door een vorm van hoop: de hoop dat verandering mogelijk is. Zeker in de linkse, emancipatorische traditie van het moderne denken zien we dat hoop sterk geëxpliciteerd wordt en niet zelden verbonden wordt met een uitgesproken vooruitgangsoptimisme. Hoop was gericht op wat zich na de revolutie, na de machtsdeelname, na het vestigen van een hegemonie of na de verspreiding van een filosofie zou realiseren. Niet voor niets was de ochtendzon een allegorie die vaak terugkwam in de socialistische en communistische beeldtaal. Het is die ochtendzon, dat idee van een nabije toekomst waarin een onmiddellijke lotsverbetering voor allen in het verschiet ligt, die vandaag in een diepgaande crisis verkeert.

Kunnen we nog hopen vandaag? Als we eerlijk zijn met onszelf en anderen, dan weten we dat er een zekere naïviteit schuilt in een pogingen om vandaag hoopvol te zijn. Alles wijst erop dat de ecologische catastrofe die zich voltrekt, zal leiden tot een reeks van economische, sociale en politieke feedbackloops die enorme druk zullen uitoefenen op de samenlevingen zoals we die vandaag kennen. De toekomst is niet langer een open terrein vol mogelijkheden, maar een dreiging die het hele moderne idee van een op de toekomst gerichte hoop onderuit haalt.

'Het grootste probleem waar we ons vandaag mee geconfronteerd weten', zo schreef auteur Roy Scranton in een veel gelezen stuk in de New York Times over klimaatverandering, 'is een filosofisch [probleem]: begrijpen dat deze beschaving reeds dood is.' We moeten leren te sterven, aldus Scranton. Deze keer niet per se als individu, maar wel als beschaving. We kunnen eenvoudigweg niet langer hopen zoals we de voorbije eeuwen gehoopt hebben. Krampachtig blijven vasthouden aan een vooruitgangsoptimisme is zelfbedrog. Deze gedachte impliceert dat we een radicaal andere interpretatie aan het begrip hoop moeten zullen geven en dat heeft drastische gevolgen voor zowel het politieke denken als handelen.

Een andere houding aannemen ten aanzien van hoop, is niet hetzelfde als het speelterrein overlaten aan de bittere wanhoop. Wat nodig is, is een houding te ontwikkelen die verzoend kan worden met een beschaving die dood is. Het was wellicht een soortgelijk idee dat door het hoofd van Walter Benjamin spookte toen hij in 1940, op het moment dat Europa vlam vatte, volgende regels neerschreef in een notitieboekje: 'Marx zegt dat revoluties de locomotieven zijn van de wereldgeschiedenis. Maar misschien is het toch anders. Misschien zijn revoluties pogingen van de passagiers op deze trein – namelijk, de mensheid – om de noodrem te activeren'.1 Benjamin plaatst tegenover Marx een andere conceptie van revolutie, één die de klassieke notie van hoop achter zich laat. Verandering kan volgens Benjamin niet langer aanzien worden als de vervolmaking van een historisch proces en evenmin is de toekomst de plaats waar die vervolmaking kan plaatsvinden. Waar het om gaat is een breuk te creëren in het hier en nu, een nooduitgang te scheppen die ons toelaat te ontsnappen aan een toekomst die we niet wensen.

De opdracht waar de linkerzijde voor staat in deze eeuw is zowel aartsmoeilijk als eenvoudig: het zal erop aankomen om de dood van een beschaving zo menselijk mogelijk te maken. We zullen in het hier en nu nooduitgangen moeten creëren. In de trage maar zekere rampen die zich de komende decennia zullen voltrekken, moeten van onderuit solidariteitsnetwerken opgebouwd en gehandhaafd worden. De scheuren die zullen ontstaan in de samenleving zullen we moeten aangrijpen als mogelijke openingen naar nieuwe samenlevingsverbanden. Samenlevingsverbanden die in de eerste plaats gericht zullen zijn op overleven, maar tegelijk ook een andere manier van leven (kunnen) aankondigen. Dit soort evoluties zien we nu al. In een regio die verscheurd wordt door oorlog experimenteren Koerden met vormen van autonoom communisme. In het door austeriteit geteisterde Griekenland bestaat een groot ondergronds opvangnetwerk georganiseerd voor en door vluchtelingen. Het zijn volgens mij prefiguraties van een toekomst die komt en die we recht in de ogen moeten durven kijken.

Terwijl rechts met alle mogelijke middelen de realiteit probeert te ontkennen, moet links zich de bittere werkelijkheid van ecologische catastrofe toe-eigenen. Daar zijn al aanzetten toe. In een groeiend aantal landen neemt de mobilisatie en het verzet toe tegen een politiek die weigert aan de noodrem te trekken. Er bestaat een grote massabasis van waaruit solidariteitsnetwerken, samenwerkingsverbanden en organisaties kunnen opgebouwd worden. Dat hoeft ons niet met hoop te vervullen, maar wel met de groeiende zekerheid dat er een strijd zal worden gevoerd om democratische waarden te vrijwaren in een tijd van ontworteling. Die strijd zal het antidotum voor de komende wanhoop zijn.

VOETNOOT

  1. Michaël Lowy, 'Fire Alarm', Verso, London/New York, 2016, p. 63.

Deze bijdrage verscheen in de SamPol-zomerreeks Hoop 2019