Log in

De kracht van een sturende overheid

Zomerreeks - Hoop 2019

Voor het eerst wordt ernstig nagedacht over een groen industrieel, economisch en investeringsbeleid.

Over zowat een maand word ik vader. De uitnodiging om na te denken over wat me hoop geeft kon dus niet op een beter moment komen. Ik sta op het punt iemand op de wereld te zetten die wellicht het jaar 2100 zal meemaken. Dan moet ik de toekomst toch wel hoopvol inzien? Maar eigenlijk heb ik geen keuze. Ik ben, zoals Karl Popper zei, verplicht tot optimisme.

Er staat verschrikkelijk veel op het spel. De vijanden van democratie, wetenschap en tolerantie, oude demonen in een nieuw jasje, lijken overal in opmars. Er is het Trumpisme en alles wat het vertegenwoordigt en aanmoedigt, in de VS maar ook in Europa en rest van de wereld. Er is de vermaledijde Brexit en de haast vanzelfsprekende verkiezing van een jaren '30 type als Dries Van Langenhove. En dan is er de klimaat en milieucrisis. We vernielen de aarde en haar dunne beschermlaag aan een ongezien tempo. Hoe lossen we dat in hemelsnaam allemaal tegelijk op? Anderzijds, beeld je eens in dat je niet in 2019 maar in 1819 of 1919 leefde. Dat je in één van die jaren 'progressief' was en pleitte voor democratie of emancipatie. Hoeveel moeilijker moet het er voor onze voorouders uitgezien hebben! In vergelijking daarmee liggen onze kaarten wellicht nog niet zo slecht.

Zo werd de afgelopen tien jaar meermaals voorspeld dat het met Europa gedaan zou zijn. De economische, euro-, migratie- en brexit-crisis luidden allemaal zogezegd het einde van de Unie in. Matteo Salvini, Marine Le Pen en consorten gingen het Europees Parlement stormenderwijs veroveren. Dat gebeurde niet. Er gingen meer mensen stemmen en pro-Europese partijen – van liberaal, over groen tot christendemocratisch en socialistisch – deden het veel beter dan verwacht. De dagen na de verkiezing was de teneur er niet één van een bruine golf, zoals in Vlaanderen, maar van een groene en pro-Europese golf.

Ondanks alle blutsen in haar imago, blijft Europa het meest hoopgevende project van onze tijd. Het project is imperfect, haar leiders teleurstellend, haar besluitvorming tergend. Maar dat honderden miljoenen Europeanen niet gewoon vreedzaam en welvarend maar ook steeds nauwer met elkaar samenwerken blijft een mirakel.

Wat ook hoop geeft is dat toen Ursula von der Leyen, de eerste vrouw aan het hoofd van de Europese Commissie, steun ging zoeken in het Europees Parlement voor haar kandidatuur, ze één ding moest beloven. Dat ze op gebied van milieu en klimaat een andere, ambitieuzere koers zou gaan varen dan haar voorganger. Beloftes zijn maar woorden, maar toch; wie had ooit kunnen denken dat groene credentials essentieel zouden zijn om Europa te mogen leiden?

Dat het zover is gekomen, heeft veel te maken met de miljoenen jongeren die het afgelopen jaar protesteerden voor een klimaatbeleid die naam waardig. Dat die protesten in zo goed als alle Europese landen plaatsvonden, dat ze zo massaal waren, en zo goed als overal geleid werden door jonge vrouwen geeft er een extra dimensie aan. Zie hier de kracht van verandering! Uiteraard leidt dat tot tegenstand. De klimaatstakers vragen dat alles verandert - nu onmiddellijk!

Kunnen we 'de planeet redden'? En kunnen we dat doen op een breed gedragen manier, met andere woorden zonder revolutie of dictatuur van een ecologische avant garde? Ook hier is er reden tot optimisme. We hebben de laatste jaren enorme technologische vooruitgang geboekt. Tien jaar geleden waren wind en zon dure technologieën. Vandaag zijn ze in vele gevallen de goedkoopste en leveren ze een derde van de Europese elektriciteit. Tien jaar geleden was de Toyota Prius, een benzine-hybride wagen, de beste op de markt. Vandaag kan je als milieubewuste chauffeur kiezen tussen allerlei (helaas nog wat dure) elektrische modellen. Maar dat staat op het punt te veranderen. De combinatie van goedkope, groene elektrische stroom en betaalbare elektrische wagens betekent dat we een probleem dat tien jaar geleden onoplosbaar was, vandaag de baas kunnen. Het is nog steeds een gigantische organisatorische uitdaging maar dat het vandaag mogelijk is om de hele wereld van elektriciteit en mobiliteit te voorzien zonder fossiele brandstoffen is een geweldig vooruitzicht. Ook al omdat dit het begin van het einde betekent voor de Saudische en Russische oliedictaturen, en van de buitensporige macht van de bedrijven als ExxonMobil.

Wat me ook optimistisch stemt is dat er een groeiend besef is dat technologische verandering niet zo maar uit de lucht komt vallen en dat de overheid een sturende rol kan en moet spelen. We zijn niet naar de maan gevlogen omdat Neil Armstrong in zijn garage wat aan zijn raket had zitten prutsen. De maanmissies waren een groot, nationaal project. Wind en zonne-energie werden niet zomaar goedkoop. Nee, we beslisten jaren geleden samen in Europa dat we wind en zon op grote schaal wilden promoten, desnoods met stevige subsidies. Dat gaf investeerders en consumenten zekerheid, leidde tot schaalvergroting en enorme prijsdalingen. Op dezelfde manier werd Tesla's succes mogelijk dankzij een verplichting voor autofabrikanten om elektrische wagens te verkopen in Californië, dankzij jarenlange overheidsinvesteringen in batterij-onderzoek en dankzij genereuze leningen en aankoopsubsidies. Maar dat verhaal past niet in het hokje van de Ayn Rand-achtige, briljante entrepreneur. Dus wordt het veelal genegeerd.

Het Chinese succesverhaal is moeilijker te negeren. China besliste een aantal jaren terug om zwaar in te zetten op het ontwikkelen van een aantal groene sleuteltechnologieën. De Chinese overheid investeerde in onderzoek, ontwikkeling en productie, en zorgde ook dat consumenten de nieuwe producten kochten. Het resultaat daarvan is dat Chinese bedrijven nu wereldwijd een leidende rol spelen in zonne-energie en batterijtechnologie.

Dankzij dat Chinese succes, en de bedreiging die het vormt, wordt er in Brussel, Berlijn en Parijs voor het eerst ernstig nagedacht over een groen industrieel, economisch en investeringsbeleid. En dat is nu net exact we nodig hebben om de klimaatcrisis de baas te kunnen. Het is een illusie dat 'de markt', zelfs met hulp van een koolstoftaks, het klimaatprobleem alleen kan oplossen. We moeten al onze middelen (wetgevend, industrieel, financieel) mobiliseren om de technologische en industriële ommezwaai te maken. En het zijn de grote bedrijven, met hun gigantische budgetten, mondiale aanwezigheid en enorme knowhow die de dans moeten leiden, niet de gewone man of vrouw. Om bij auto's te blijven, we moeten niet vragen aan mensen dat ze spontaan dure elektrische auto's gaan kopen die de fabrikanten eigenlijk niet willen verkopen. We moeten alle autobouwers verplichten uitstootvrije auto's te verkopen. Als ze geen keuze hebben en hun concurrenten dezelfde regels moeten volgen, zullen ze er voor zorgen die auto's beschikbaar en betaalbaar zijn en zullen ze businessmodellen ontwikkelen die hen toelaten om er goed geld mee te verdienen. Wat ik hier beschrijf is geen socialistische theorie maar wel kapitalistische praktijk. Het voorbeeld van Tesla en Californië vermeldde ik hierboven al. We deden het voorheen ook al in Europa voor zuinige lampen. Toen China recent een verplichting invoerde om elektrische wagens te verkopen schreeuwden Europese autobouwers moord en brand. Maar ze willen graag verkopen in China dus hebben ze ondertussen braaf hun strategie bijgesteld. Hier ligt de echte oplossing voor het klimaatprobleem, niet het moraliserende vingertje waarmee mensen worden aangemaand hun individueel gedrag dringen bij te sturen.

We hebben dus veel redenen om optimistisch te zijn. Wij zijn het aan de volgende generaties verplicht om ons verdomde best te doen om de wereld beter achter te laten dan we hem gevonden hebben. Ikzelf ben het aan mijn te geboren kind verplicht. Yes, we can.

Deze bijdrage verscheen in de SamPol-zomerreeks Hoop 2019