Abonneer Log in

Wie wil een hogere erfbelasting?

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 8 (oktober), pagina 34 tot 38

Rijk of arm, Amerikaans of Zweeds, yogasnuiver of canonist. Ondanks goede argumenten voor de erfbelasting, lijkt iedereen het erover eens: de 'belasting op verdriet' moet naar beneden. Hoe valt dit te verklaren? En hoe kunnen voorstanders van zo'n taks het draagvlak ervoor verhogen?

De consensus is soms zoek in onze consensusdemocratie. In tijden van politieke impasses en schijnbaar oeverloze regeringsvormingen lijkt het wel eens alsof politieke partijen het nergens eens over kunnen raken. 'Gelukkig' is er tenminste één voorstel dat nog wel een groot draagvlak kent. De laatste decennia is er een opvallend sterke nationale en internationale eenstemmigheid ontstaan over de erfbelasting: die zogenaamde 'belasting op verdriet' moet naar beneden.

Een recente enquête van de VUB en Knack (2019) stelde vast dat 90% van de Belgen achter een verlaging of zelfs volledige afschaffing van successierechten staat. Dat terwijl de appetijt voor een verlaging van de algemene belastingdruk opvallend lager uitvalt. Het verrast dus niet dat ook alle Vlaamse partijen een eigen voorstel hebben om de erfbelasting te hervormen. Vlaams Belang komt wellicht met het meest extreme voorstel; een complete afschaffing van de taks op gronde dat ze een onrechtvaardige dubbelbelasting is. Maar ook aan het andere uiterste van het politieke speelveld staat PVDA achter een verlagen mits invoering van meer progressiviteit in de belasting.

Diezelfde principiële consensus trekt zich ook door in het buitenland. Financial Times noemde erfbelasting vorig jaar nog 'Britain's most hated tax' (FT 2018), terwijl de afschaffing van de zogenaamde 'Death Tax' sinds de eerste presidentscampagne van George Bush in 2000 haast niet meer weg te denken is uit de Republikeinse agenda. Niet de miljardairs maar wel de kleine family farmer is volgens het publiek discours het slachtoffer van zulke onrechtvaardige belastingen. Hoewel het draagvlak voor afschaffing in liberale economieën als de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk niet noodzakelijk verrassend is, roept de afschaffing van erfbelastingen in Zweden dan weer wel vraagtekens op. Reeds in 2004 maakte de regering van het meer egalitaristische Zweden, nota bene gesteund door de communistische partij, een einde aan de taks.

DE VOORDELEN

Die robuuste consensus is erg opvallend. Niet in het minst omdat de argumenten voor het bestaan van een (hoge) erfbelastingen best overtuigend zijn. Zowel ter linker- als ter rechterzijde van het politieke spectrum zijn er stemmen die het economische, morele en democratisch belang van de taks benadrukken.

Op economisch vlak weerklinkt veelal het fiscale belang van de taks. In tijden van uitdijende overheidstekorten zouden we de inkomsten simpelweg niet kunnen missen, klinkt het. Tussen 2006 en 2014 haalde de Belgische overheid zo'n 3,18 miljard euro binnen door middel van successierechten (FOD Financiën). Maar er is meer. Voorstanders van hogere erfbelasting benadrukken steevast hoe het innen van hogere taksen bij het overlijden uitgebalanceerd kan worden met een lagere belastingdruk tijdens het actieve bestaan. Het verlagen van, bijvoorbeeld, inkomensbelastingen of btw zou bovendien zowel de competitiviteit als de consumptie ten goede komen. In het Engels noemt men dat 'Having your cake and eating it too.'

De morele zaak voor erfbelasting komt uit twee tegengestelde filosofische hoeken. Enerzijds zijn er de klassieke liberalen die verwijzen naar denkers als Adam Smith en John Stuart Mill. Zij benadrukten hoe grote erfenissen haaks staan op de principes van individuele verantwoordelijkheid en ontplooiing. Grote sommen erven zou niet alleen individueel initiatief afstompen, maar vanuit een liberale individualistische lens is het ook niet meteen duidelijk waarom iemand recht zou hebben om geld waar hij/zij nooit zelf voor moest werken. Willem Teub, Liberaal minister van Financiën in Nederland tussen 1917-1918, maakte dat onderscheid mooi wanneer hij sprak over 'verdiend' en 'onverdiend' inkomen. Vanuit meer linkse hoek horen we dan weer dat erfbelasting verantwoord is omwille van het morele probleem van ongelijkheid. De logica hier is dat, in een Pikettiaanse wereld waar ongelijkheid niet gedreven wordt door inkomens maar vermogens, het belasten van erfenissen een logische overweging is om die ongelijkheid terug te dringen. Volgens econoom Branko Milanović is het zelfs intellectueel onmogelijk om op te komen voor gelijke kansen en tegelijkertijd tegen erfbelastingen te zijn. (Twitter 2018)

Het zogenaamde sluipende gif van de ongelijkheid heeft echter nog andere gevolgen. Onder sociale wetenschappers (o.a. Dahl 1961; Haggard & Kaufman 2018; Acemoglu & Robinson 2012) bestaat er namelijk een stevige consensus dat ongelijkheid nefast is voor de stabiliteit van democratische instellingen. Een gezonde democratie viert pas hoogtij als de vruchten breed (genoeg) verdeeld worden. Wanneer dat niet het geval is dreigt polarisering en onrust, klinkt het argument. De beste manier om onaangename figuren als Donald Trump en Boris Johnson buiten te houden is dus het begrenzen van groeiende socio-economische ongelijkheid, onder anderen door middel van heffingen op (grote) erfenissen.

DE PUZZEL EN DE OPLOSSING

Voor iedere, warmbloedige sociale wetenschapper tekent er zich hier dus een duidelijk puzzel af: waarom zijn we zo eenstemmig voor de afschaffing van een ogenschijnlijk redelijk taks, terwijl we opvallend koele minnaars zijn van andere belastingverlagingen en consensus elders vaak ongrijpbaar lijkt?

Een antwoord op die vraag komt vaak uit de morele hoek. We zijn het allemaal eens hoe onrechtvaardig het nu eenmaal is om mensen te belasten op een vermogen waar ze doorheen hun leven reeds op belast zijn (zogenaamde dubbelbelasting). Daarnaast weerklinkt vaak het argument dat erfbelasting neerkomt op een 'belasting op de dood' of nog erger op 'verdriet'. Het is simpelweg ongepast om als staat profijt te halen uit het verlies van onze meest dierbaren. Hoewel zulke argumenten tot op een bepaalde hoogte steek houden, en zelfs ongetwijfeld een belangrijke rol spelen, vertellen ze naar mijn inschatting niet het hele verhaal. Als erfbelastingen inderdaad zo haaks staan op onze diepgewortelde waarden en normen, is het namelijk moeilijk te verklaren waarom de taks net zo populair was in het relatief recente verleden (Scheve & Stevenage 2012). Laat staan dat zo'n argument verklaart waarom cultureel erg verschillende landen allemaal tegelijkertijd dezelfde overweging maken.

Ik stel daarom voor om deze puzzel te benaderen als een probleem van imperfecte informatie, in navolging van Susanne Lohmanns analyse van special interests (1998). Die imperfectie is in mijn ogen tweevoudig. We weten namelijk niet alles wat we zouden moeten weten om een beslissing te nemen en we delen bovendien niet dezelfde informatie nodig om individueel een gedegen analyse te maken.

Ten eerste is de informatie die we kunnen gebruiken om een beslissing te nemen begrensd. Dit probleem is wellicht nog groter voor een verhoging dan wel voor verlaging, aangezien de kosten geconcentreerd zijn en de baten erg diffuus. De gemiddelde burger heeft namelijk wel een goed idee wat hij te winnen heeft bij een verlaging of afschaffing van successierechten, pakweg één derde van een modale Limburgse fermette. Het is echter veel minder duidelijk wat er te rapen valt bij een verhoging. Zowel een marginale verbetering van een onderwijssysteem als een relatief stabieler democratie zijn moeilijk te berekenen aan de eettafel, zelfs voor sociale wetenschappers. Bovendien heeft de begrensdheid van onze informatie ook een temporele dimensie. De huidige maatschappelijke onzekerheid draait rond de vraag of eventueel beloofde compensaties effectief zullen volgen, laat staan behouden zullen blijven. De overheid is toch juist uitstekend in het stelselmatig afbouwen van onze verworvenheden, niet? Zelfs wanneer een verhoging van de erfbelasting dus gepaard gaat met een proportionele verlaging van andere belastingen, lijkt het opgeven van pakweg één derde van een modale fermette in Limburg dus gewoon niet in evenwicht met een onduidelijk én onzekere marginale verlaging. Kortom, beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.

Ten tweede leiden we, zoals economen graag benadrukken, ook onder een asymmetrie van informatie. We kunnen elk individueel misschien wel min of meer inschatten wat er in het verschiet ligt qua erfenissen, maar het is verre van duidelijk wat een ander uit datzelfde erfstelsel haalt. Mijn één derde van een modale Limburgse fermette lijkt misschien heel wat, maar die som verbleekt al snel in vergelijking met de bedragen die aan het uiteinde van de distributie doorgegeven worden. Om nog te zwijgen van de socio-economische en politieke privileges die met zulke fortuinen gepaard gaan. Cijfers in Nederland maken dit probleem pijnlijk duidelijk: in 2015 was slechts 13% van alle geregistreerde erfenissen groter dan 100.000 euro, maar die groep was wel goed voor zo'n 60% van de totale geërfde som dat jaar. We denken allemaal winnaars te zijn, reikhalzend uitkijkend naar een modale erfenis van onze suikertante, maar beseffen de echte dimensies van het spel simpelweg niet. Blissful ignorance.

Het probleem vanuit deze invalshoek benaderen heeft op zijn minst twee voordelen. Ten eerste krijgen we meer vat op de geschiedenis van erfbelastingen. Scheve en Stasavage (2012) toonden aan dat erfbelastingen vooral populair zijn in naoorlogse periodes. Volgens hen moeten we dat interpreteren als een beloning voor de opoffering die de soldaten hebben gemaakt. Echter, het feit dat erfbelastingen überhaupt al als een beloning aanzien worden, is een mogelijke indicatie teken dat er meer aan de gang is. Wanneer we de taks benaderen als een herverdelende belasting op kapitaal wordt meteen duidelijk wat: kapitaalarmoede. Gezien de grote schade die oorlogen aanrichten zijn er namelijk weinig momenten in geschiedenis waarin erfbelastingen 'voordeliger' zijn. Arm heeft enkel te winnen en rijk heeft proportioneel minder te verliezen.

Bovendien suggereert de interpretatie van de puzzel als een dubbel informatieprobleem ook duidelijke oplossingen die verder gaan dan moreel gewauwel. Informatieprobleem los je namelijk maar op één manier op: door completere informatie symmetrisch beschikbaar te maken. Voorstanders van erfbelasting moeten dus inzetten op duidelijke en objectieve becijferingen. Wat zijn de consequenties van het huidige stelsel en een mogelijke verlaging? Is het huidige stelsel herverdelend. Zo ja, voor wie? Tot waar wil je de taks optrekken? Staat er iets tegenover? Zo ja; wat? Brengt dit iets op voor burgers? Wie zijn de winnaars en verliezers? En tot slot, wat kost het de staatskas? Kortom, er zijn tientallen vragen die om antwoorden smeken maar vooralsnog onbeantwoord blijven. Hierin schuilt natuurlijk nog een probleem. De strijd voor successierechten dwingt ons tot het beantwoorden van moeilijke vragen die per definitie nationaal van aard zijn, terwijl tegenstanders makkelijk kunnen teruggrijpen naar universalistische argumenten.

CONCLUSIE

De wenselijk van erfbelastingen in het midden gelaten, kunnen we stellen dat de taks opvallend ongeliefd is. Toch is het niet a priori duidelijk dat een afschaffing, of zelfs verlaging, wel degelijk in het voordeel is van de 90% van de Belgen die achter zo'n voorstel staan. Die eensgezindheid is daarom, op zijn minst, verrassend te noemen. Hoewel we ons verzet tegen de taks vaak verklaren met morele argumenten, ben ik niet overtuigd van hun verklaringskracht. Ik stel daarom voor om de puzzel te benaderen als een groot informatieprobleem.

Voor de pleitbezorgers van erfbelastingen is de oplossing dus 'simpel', of alleszins vatbaar: kom met concrete voorstellen en becijferd materiaal. Opiniestukken die laveren tussen Smith, Mill, Keynes en consorten zijn prima leesvoer op een zondagnamiddag, maar slechts een enkeling zal erna ook effectief zijn erfenis hypothekeren in het huidige vacuüm van informatie. Daarnaast worden voorstanders ook best coalitiebouwers. Politieke veranderingen komen namelijk zelden uit het niets. Ze vereisen dat verschillende groepen in de samenleving ten minste weten wat in hun, economisch, voordeel speelt.

De Amerikaanse founding father Benjamin Franklin zou ooit gezegd hebben dat er slechts twee ultieme zekerheden zijn: belastingen en de dood. Als we de combinatie van die twee – de erfbelasting – graag willen behouden of zelfs verhogen, zal dat slechts gebeuren als we afstappen van morele argumenten en nuchter naar de feiten beginnen te kijken.

REFERENTIES

Sacha Dierckx, Knack, 01/07/2019. https://www.knack.be/nieuws/belgie/erfenisbelasting-is-een-van-de-meest-rechtvaardige-en-progressieve-belastingen/article-opinion-1482641.html.
Ilse De Witte, Knack 02/05/2019. https://moneytalk.knack.be/geld-en-beurs/belastingen/acht-op-de-tien-belgen-vinden-erfbelasting-te-hoog-vlaamse-partijen-beloven-vernieuwing/article-normal-1458587.html.
Emma Agyemang, Financial Times, 11/07/2019. https://www.ft.com/content/10370c58-a235-11e9-974c-ad1c6ab5efd1.
Daron Acemoglu & James Robinson (2012). 'Why Nations Fail: the origins of power, prosperity and poverty',New York.
Kenneth Scheve & Steve Stavanage (2012). 'Democracy, War and Wealth: Lessons from two centuries of inheritance taxation', TheAmerican Political Science Review,106 (1), pp. 81-102.
Robert Dahl (1961). Why Governs? Democracy and Power in the American City, New Haven.
Stephen Haggard & Robert Kaufman (2012). 'Inequality and Regime Change: democratic transitions and the stability of democratic rule', The American Political Science Review, 106 (3), pp. 495-516.
Sussanne Lohmann (1998). 'An information rationale for the power of special interests', American Political Science Review, 92 (4), pp. 809-827.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 8 (oktober), pagina 34 tot 38