Abonneer Log in

Stop de Primarkisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 60 tot 61

Kleding moet een plaats krijgen in het duurzaamheidsdebat.

Talking the talk, but not walking the walk. Als je vraagt hoe de meeste modemerken vandaag omspringen met duurzaamheid, dan is dit het antwoord. Logisch ook, want er is amper regelgeving die hen hierin terechtwijst. Dat is hallucinant, gezien de sector een aanslag pleegt op mens en milieu.

We zitten vastgeroest in het fast fashion systeem, waarbij modeketens zoals Primark, H&M en Zara aan een moordend tempo produceren en wij aan een groeiend tempo consumeren. Dit is onhoudbaar. Die zogenaamde 'Primarkisering' van de maatschappij komt niemand ten goede, behalve de modemerken zelf. Denk maar aan Amancio Ortega, eigenaar van het bedrijf Inditex, gekend van merken als Zara en Mango. Hij is één van de rijkste mensen ter wereld.

Maar het lijkt allemaal zo mooi: we kopen steeds meer kleding en die is dan nog eens spotgoedkoop. Iedereen tevreden. Of toch niet? Door de prijzen lijkt het een schappelijk, sociaal systeem, maar in feite is het erg asociaal. Marketingmachines van merken draaien overuren: wekelijks prijzen ze nieuwe seizoenskleding aan, te koop aan dumpingprijzen. In vijftien jaar tijd is de productie van kleding verdubbeld, maar we houden kleding maar half zo lang. Wat je vorige week had, is niet 'hip 'genoeg meer. Koop dus vooral de nieuwe droom die je onlangs nog op de catwalk zag of in je feed op sociale media zag verschijnen. Er zijn geen vier seizoenen, maar 52 'micro-seizoenen' met iedere week nieuwe trends.

Die stijgende productie legt een enorme druk op de schouders van fabrikanten, veelal in lagelonenlanden. Merken eisen lage prijzen om concurrentieel te blijven, maar fabrikanten rekenen die prijs door aan kledingarbeiders. Het resultaat: absurd hoge targets en erbarmelijke lonen. Nog geen jaar geleden kwam een rapport naar buiten waaruit bleek dat kledingarbeiders in Ethiopië gemiddeld 26 dollar per maand verdienen, wat een fractie van een leefloon is. Kledingketens als H&M en Calvin Klein laten er onder andere kleding produceren. Zeker voor H&M is dit frappant, aangezien zij enkele jaren geleden nog beloofden tegen 2018 850.000 kledingarbeiders een leefloon te betalen. Van die belofte kwam er niets in huis.

Ook het milieu wordt niet gespaard. We vervuilen rivieren en drinkwater. Denk maar aan de Citarum in Indonesië, één van de meest vervuilde rivieren ter wereld, met dank aan onder andere de mode-industrie. Daarnaast plegen we een aanslag op de biodiversiteit door het gebruik van pesticiden en door onder meer het gebruik van monocultuur bij katoen. Om dan nog te zwijgen over de CO₂-uitstoot. De kleding- en schoenenindustrie zou wereldwijd verantwoordelijk zijn voor 8% van de broeikasgassen. Als we praten over verduurzamen moeten we daarom ook de kledingindustrie betrekken en in vraag durven stellen.

Als we willen veranderen, moeten we weg van het huidige systeem en een nieuw model durven creëren. Eén met respect voor mens en natuur. Die transitie is hoognodig, velen hebben echter schrik voor die overgang, net omdat de alternatieven niet genoeg gekend zijn. Maar het is geen rocket science. Een mooi en simpel model om dit te illustreren is de 'buyerarchy of needs', een concept dat uitgedacht is door illustrator Sarah Lazarevic. Kort en simpel: kijk wat je al hebt, dat is meer dan je denkt. Heb je iets nodig? Koop tweedehands of leen van een ander. Is het kapot? Herstel het. Bieden deze stappen geen soelaas? Koop dan iets nieuws, maar van een duurzaam merk.
En wat met mensen in armoede, die zich vaak financieel genoodzaakt zien hun kledij te kopen bij Primark? Zij zijn een te makkelijk excuus dat snel gebruikt wordt om niet te verduurzamen. Minder koopkrachtige mensen passen overigens perfect in een nieuw systeem, net doordat niet alles nieuw moet zijn en de druk van de ketel is om telkens 'in het seizoen' gekleed te zijn. Het vergt dus niet enkel een systeemverandering, maar ook een nieuwe mindset.

Gelukkig komt er, erg traag wel, meer aandacht voor duurzaamheid in de kledingindustrie. Zeker na de ineenstorting van het gebouwencomplex Rana Plaza in Bangladesh, waarbij 1.138 kledingarbeiders stierven. Zo zien we de internationale campagne van Fashion Revolution, #whomademyclothes, ieder jaar opnieuw groeien. Wereldwijd vragen tienduizenden mensen tijdens de campagneweek in april via sociale media meer transparantie van merken over hun kledingketen. We zien hierin een kleine verbetering. Ieder jaar peilt Fashion Revolution naar de transparantie bij merken, maar we zijn er nog lang niet. Als we kijken naar de resultaten van de 200 grootste modemerken, was de gemiddelde transparantiescore nog altijd maar 21%. Dik gebuisd dus.

We wijzen, terecht, met de vinger naar merken. Maar ook de overheid moet haar rol hierin opnemen. Volgens een enquête van Fashion Revolution willen consumenten wel verduurzamen, maar vinden ze dat overheden ook hun deel moeten doen. Er is nagenoeg geen wetgeving over duurzame mode in ons land, dat bleek in 2018 al uit een studie van het HIVA. Als we willen bijblijven en mee op de 'duurzaamheidskar' springen, moet de overheid een inhaalspurt doen ten opzichte van onze buurlanden. Op lokaal niveau beginnen er – sporadisch – wel initiatieven rond duurzame mode op te borrelen gesteund door een stad of gemeente. Zo heb je bijvoorbeeld het Fair Fashion Fest in Gent dat iedere keer groter wordt. Maar om het systeem grondig aan te pakken, hebben we een overheid nodig die haar verantwoordelijkheid opneemt.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 60 tot 61