Abonneer Log in

Een burgergezin leert griezelen in de VS

Getuigenis uit Trumpland

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 6 tot 11

Deze bijdrage gaat over de privé-ervaring van een gezin in Trumpland. We zijn een bevoorrecht gezin en dus is dit geen representatieve ervaring. Niettemin biedt het hierna volgende verhaal, hopen wij, wat leerzaams.

GETUIGENISSEN UIT TRUMPLAND

Een burgergezin leert griezelen in de VS
Sophie De Schaepdrijver
Ik doe enkel mijn verdomde werk
Björn Soenens
Wetenschap in La La Land
Valerie Trouet

W: HET WORDT VERONTRUSTEND

Midden jaren 1990 verhuisde ik naar de VS. Beroepsmatig een mooie zet. Les mogen geven aan een universiteit aldaar is een groot voorrecht. Wél bekeek ik de VS als een samenleving waar retrograde gedachten veel terrein bezetten. Maar de VS vormen, zoals iedereen weet, politiek en cultureel een archipel. Manhattan is niet Staten Island, Austin is niet de Texas Panhandle, en menig universiteitsstadje vormt een eiland. Eén veelzeggende anekdote: toen 9/11 losbarstte, kwam een collega de vakgroep ingestormd met de uitspraak 'dat hebben we onszelf aangedaan, met ons militarisme en ons imperialisme!'. Je moet er niet aan denken dat die collega met dezelfde kreet een Walmart was binnengegaan op luttele kilometers buiten ons stadje, in die prachtige doch verarmde streek waar SUV's rondrijden met stickers die fierheid op het leger uitdragen.

De Irakoorlog verbijsterde ons. Met een groep collega's belegden we een openbare discussie. Het was een mooie avond. Eén zwarte oudstrijder riep ons op om onze obligate verwijzingen naar militairen als 'allemaal helden' in godsnaam achterwege te laten: in het leger zit vanalles, zei hij, ook gespuis. Een andere spreker rekende voor hoe Amerika's gierige studiebeurzensysteem jonge mensen naar het beroepsvrijwilligerschap dreef. Het publiek luisterde aandachtig. Maar onze bijeenkomst maakte bepaalde medeburgers – nooit geweten wié – zo kwaad dat ze vuur stookten op de gang. We moesten de zaal ontruimen. Einde discussie. Dat was verontrustend, maar ook wel spannend. Vonden wij.

En toen George W. Bush – laten we hem W noemen - werd herverkozen, waren we ongerust maar nu ook weer niet bovenmate, en we hielden een 'Might as well Party Party,' een verkleed dansfeest op het thema Desperate Housewives. Het was 2004.

DEPLORABLES: HET WORDT BENAUWEND

Twaalf jaar later dacht niemand aan feesten. In november 2016 werd bitter geweend. De verslagenheid was groot. Voor het eerst had onze staat Republikeins gestemd. Met een uiterst dunne marge, maar toch. Even leidde het gekift op de Democratische presidentskandidate de aandacht af van de ramp. Het verkiezingsresultaat was heel erg ja, maar wellicht geen reden tot extreme ongerustheid. Trumps populisme had zijn weg gevonden naar het hart van De Gewone Man, en had Clinton diezelfde Gewone Man niet als 'deplorable' afgedaan? Dús had die Gewone Man op Trump gestemd, uit woede op de elites, uit angst voor verarming. Trumps racisme, zijn autoritaire tendensen, zijn vrouwenhaat, zijn paranoia – die had de Gewone Man er maar bij genomen.

Een geruststellende gedachte. Die het menigeen toeliet een aanmerkelijk engere gedachte te verdringen: namelijk, dat vele kiezers – en bepaald niet allemaal Gewone Mannen, niet dat de Gewone Man bestaat overigens, maar dit terzijde – op Trump hadden gestemd niet ondánks maar wégens zijn giftige wereldbeeld. (Het was juist dié groep die Hillary Clinton de 'deplorables' had genoemd: dát segment Trumpaanhangers waar de democratische partij vooral niét achteraan mocht lopen. Maar Clintons term werd door gemakzuchtige pundits synoniem gesteld met De Gewone Man, en verscheen prompt als geuzennaam op Trumprallies.)

Maar verdrongen of niet, die angstaanjagende gedachte bleef leven, en mettertijd bleek dat Trumps hatelijke gedachtegoed hem een schier onaantastbare base had bezorgd, een base die op haar beurt weer vele andere Republikeinen meetrok omdat ze electorale overwinningen leek te zullen garanderen. (Om aldus de weg vrij te maken voor de verwezenlijking van een niet meteen op de Gewone Man toegesneden economisch programma.) En zo gleed alles van Trump af. Het Mueller-onderzoek? De impeachment-procedure? De rangen sloten zich.

Was dit alles nog politics as (more or less) usual, andere zaken waren hartverscheurend. Hooggerechtshof-kandidaat Kavanagh: nog zo'n eisende, verwende witte man, die drenzend en huilend zijn zin kreeg, en thans voor het leven één van de machtigste functies ter wereld vervult. Intussen, en nog veel erger: kinderen in kooien, voor het leven geschonden.

SCHOOLFLIK: HET WORDT EEN NACHTMERRIE

Maar zoals dat wel vaker gaat met welvarende gezinnen, waren wij – ik heb het nu over óns gezin – wel ongerust maar niet extreem ongerust. Wilde Trump Obamacare afschaffen? Onze werkgevers garandeerden gezondheidszorg. Wilde Trumps onderwijsminister het openbaar onderwijs uithollen? Bring it on, zei onze goed voorziene scholengemeenschap. Mijn man en ik tekenden petities en stuurden geld naar strijdbare doelen, en namen ons voor, naar mate van ons kunnen bij te dragen tot een ommekeer in 2020. Maar dat een en ander óns zou raken, kwam niet bij ons op.

En toen belandden wij in een nachtmerrie. Het hiernavolgende relaas werpt, hopen wij, licht op het soort samenleving dat de VS is geworden. Of misschien altijd is geweest. Wie zal het zeggen.

Het zat zo. Onze onbezonnen jongste had zich op zijn zestiende webgewijs in slecht gezelschap begeven. Dat kwam de bevoegde instanties ter ore. Die bekeken de zaak enkele weken lang grondig, en concludeerden toen dat hij niets verkeerds had gedaan.

Was het daar maar bij gebleven. Niet dat onze zoon in herhaling verviel. Maar op de chatlijn van de school kletste hij zijn mond voorbij. Nu werd die chatlijn gecontroleerd door de zogeheten School Resource Officer (SRO), met andere woorden, de politieagent van de school. (Sinds de jaren 1990 hebben steeds meer scholen in de VS een residente cop.) Die man zag prompt een missie voor zich: de plaatselijke gemeenschap beschermen, want de bevoegde instanties hadden dat, in zijn ogen, schuldig nagelaten.

Nóg dachten we: laten we alles uitleggen, ook aan de directeur van de scholen­gemeenschap (waar onze zoon al sinds de kleuterklas school liep), dan komt het wel goed. Met die directeur, een redelijke man, kwàm het ook redelijk goed. Doch in de ogen van de SRO (zo bleek later) stelden thans én de bevoegde instanties én de schooldirecteur de gemeenschap bloot aan een vaag omschreven maar ongetwijfeld groot risico.

Toen begonnen de pesterijen. Twee keer belde die agent om te vragen of de politie onze zoon mocht ophalen voor een verplicht psychologisch onderzoek in een gesloten centrum. Wij vertrouwden die agent toen nog – althans, we gingen er van uit hij gewoon zijn werk deed – maar dat voorstel wezen we af. (Tot zijn grote woede, hoorden we later.) Ouders ontvingen stokerige berichten en kwamen klagen bij de directeur. Die ons ten slotte, gegijzeld door morrende ouders en een schoolflik-met-een-missie, een compromis voorstelde. Nee, onze zoon moest niet van school af. Hij had het recht te blijven. Maar dan wel in een aparte afdeling voor moeilijke jongeren, onder permanent toezicht. Als hij zich daar een paar maanden lang goed gedroeg én psychologische onderzoeken onderging, mocht hij weer naar de gewone school.

Wij stemden toe. Achteromkijkend kunnen we onszelf wel slaan. Verontwaardigd hadden we dit moeten weigeren. Maar dat deden we niet. Onze (in paniek in de arm genomen) advocaat raadde ons volgzaamheid aan. We waren murw. Allang blij dat onze zoon nog wel naar school mocht.

Vol begrip voor die schooldirecteur die tenslotte een grote gemeenschap bestieren moest; het gemeenschapsonderwijs, zo hielden we onszelf voor, vergt offers. Onze zoon bleef flink, maar treurde. We praatten veel. Het hielp maar half. Zijn jeugdgroep steunde hem, en maar goed ook daar hij wreed van zijn vriendengroep op school werd gescheiden. Niet één les, niet één debatclub, niet één naschoolse activiteit mocht hij nog met hen samen volgen. (Wat geeft dat nu, zei een medestandster van de schoolagent op een vergadering waarvan we de notulen konden inkijken, hij is toch een slechte leerling. Een pedagogisch bedenkelijk argument, nog afgezien van het feit dat het onwaar was.) De schoolbus mocht hij ook al niet op. De school sommeerde zijn vrienden, hun petitie om Justice voor hem te eisen stop te zetten.

Het regende officiële pesterijen. Twee voorbeelden.

Eén. Onze zoon wandelde op een weekend een sportveld in het stadscentrum op. Dat lag kilometers ver van de school (waar hij niet meer heen mocht). Toch werd hij opgepakt wegens trespassing (betreden van verboden grond), want dat veld is technisch gesproken schoolterrein. Geen hond in heel de stad die dat weet, en onze zoon ook niet, maar de SRO zag een rechtszaak voor zich. Voor valsheid in geschrifte schrok de goede diender daarbij niet terug. Onze zoon had, vanop dat sportveld, sms'jes uitgewisseld met een kennis. Zijn flip phone werd in beslag genomen en de sms'jes gebruikt als bewijs dat hij donders goed wist dat hij daar niet mocht zijn. Maanden later konden we die sms'jes lezen. Daar bleek exact het tegendeel uit van wat de SRO beweerde. (Überhaupt: dat het betreden van schoolgrond door een middelbare scholier als halsmisdrijf gold, en dat we dat serieus namen, toont dat we in een parallel universum vertoefden, waarvan we de regels nog aanvaardden ook.)

Nu we het toch over valsheid in geschrifte hebben. Voorbeeld twee. Onze zoon werd ervan beschuldigd de SRO te hebben verwenst; en wel op die vermaledijde schoolchat die zoveel ellende had ontketend. Een printout van het chatgesprek diende als bewijs. De namen van de leerlingen waren op die printout uitgevlakt. Pas later kwam de leugen uit. Het was niet onze zoon, maar een medeleerling die de cop (mitsgaders een leerkracht) had verwenst. Sterker nog, onze zoon had daarop vergoelijkend geantwoord: 'they're nice, tho.' Hij vertrouwde de instellingen toen nog.

Volgden maanden miserie, online lessen in een afgesloten lokaal, en rapporten door de schoolpsycholoog. Die niets kon vinden. De toezichthouders van de aparte afdeling ook niet. En zo mocht onze zoon terug naar zijn gewone klas. We gingen dat weekend naar de film om het te vieren. We liepen zijn lerares Spaans tegen het lijf. Hij lachte haar toe. Het is, denk ik, de laatste keer dat ik onze zoon voluit heb zien glimlachen.

Een halve week zat hij met zijn gewone vrienden in de gewone klas. Toen kwam een telefoontje: Uw zoon is aangehouden en zit in de cel. Waarom? Dat wilden ze niet zeggen. Op het politiebureau ook niet. We mochten hem ook niet zien. Na verloop van tijd bleek dat de SRO zijn slag had geslagen. Dat zat zo. De politie had een week eerder de voltallige middelbare school samengebracht om de leerlingen op te roepen, elk 'raar' gedrag meteen te melden, er geruststellend bijvoegend dat aldus beschuldigde medeleerlingen behalve wat vragen niets te vrezen hadden. In de daaropvolgende opwinding waren wat leerlingen naar de SRO toegestapt met een vage beschuldiging. Die kort daarna, in geschrifte, werd herroepen door de beschuldigende tiener, die zich rotgeschrokken was van de gevolgen. Want de SRO – die, naar de tiener zelf meldde, triomfantelijk stelde 'we got him' – had zijn kans schoon gezien om onze zoon binnen het kwartier geboeid af te laten voeren. Waar de halve school bij was, smartphones in de aanslag.

Pas na drie dagen mocht hij naar huis. Thans waren we helemaal in het rijk van de willekeur beland. De term 'kafkaïaans' is in deze niet overtrokken. De verdachtmakingen, de vertekeningen, de valsheden in geschrifte, de ingetrokken beschuldiging, het was net Trumps bewind, je kon het wel aankaarten maar het maakte geen verschil. Onze (nieuwe en slagvaardigere) advocaat zei dat hij zoiets in zijn hele loopbaan nog niet had meegemaakt.

In de daarop volgende maanden probeerden we het nog uit te houden. Maar de bedreigingen bleven komen, officiële en andere. Eén voorval gaf de doorslag. Een journalist van de plaatselijke branche van Sinclair Broadcast Group – een extreemrechtse keten televisiestations, die grossiert in nauwelijks verholen oproepen tot vigilante-geweld – kwam op school naar onze zoon vragen. (Wié aan die journalist de naam van de jongen had doorgespeeld, weten we niet. Wél dat dit een misdaad is.) Een vriend, die de plaatselijke machts­verhoudingen goed kent, gaf ons de raad: pak je biezen met die jongen, dit kan slecht aflopen.

En zo arriveerden we in België. Waar ook veel venijn rondwaart. Maar waar – wellicht naïefweg blijven we dit geloven – de instellingen wat minder in hysterie zijn vervallen.

CONCLUSIE: EEN VERHAAL UIT TRUMPLAND?

Werpt dit verhaal licht op Trumpland? Of is het gewoon toeval dat ons gezin dit meemaakte in Trumptijd? Allebei. De wrede willekeur van de macht is voor vele Amerikanen niets nieuws, en al helemaal niet voor wie niet wit en/of niet middle class is. Maar tegelijk manifesteert het venijn zich nu openlijker dan ten tijde van W. Dat onze zoon (die twee buitenlandse ouders heeft en niet wit is) door een zichzelf graag als patriottisch omschrijvende lerares uit de klas werd gezet omdat hij 'oproepen in een buitenlandse taal' op de muur zou hebben geschreven (het waren Pokémon-tekens, en hij had het niet gedaan), is het soort voorval dat onder W of Reagan wellicht ook zou zijn gebeurd. Maar andere zaken zijn nieuw. Een medeleerling die rondloopt in een T-shirt met de slogan 'Make America White Again'; een andere medeleerling die op Snapchat poseert met het wapenarsenaal van zijn vader, en de tekst 'God bless' – dat is nieuw. Een collega, tot Amerikaan genaturaliseerde joodse Rus, die plots te pas en te onpas zijn naturalisatiepapieren moet laten zien (vroeger volstond je rijbewijs als identiteitsbewijs) – dat is nieuw. En volstrekt ongehoord was de moord op een zwarte jongen in ons universiteitsstadje, door de politie, vorig jaar. Zijn ouders (collega's van ons) hadden, trouwhartig, de politie gebeld omdat ze zich zorgen maakten over hem. Verward en in zijn onderbroek kwam die jongen zijn kamer uit, en werd prompt doodgeschoten. Beelden zijn er niet van. De agenten gingen vrijuit.

Wij concluderen dat ons verhaal wel degelijk licht werpt op Trumpland. Trumpland: de thans openlijk getoonde afkeer van buitenlanders en van zogeheten elites, in casu, mensen in het onderwijs. (Zoooo, zei de man van de naturalisatiedienst in 2019 op sarcastische toon, de universiteit, fijne job zeker? Ik heb maar schaapachtig gelachen, vrezend dat hij mij zijn stempel zou onthouden. Hij had overigens gelijk dat het een fijne job is.) Trumpland: een dynamiek van wantrouwen die dwars door gemeenschappen heen snijdt. Trumpland: afspraken die er geen zijn. Trumpland: het ijzingwekkende besef dat de instellingen U niet zullen beschermen tegen kwade trouw, dat feiten niet noodzakelijk tellen. Zo begint fascisme.

Waarmee we onze zaak niet dramatischer willen voorstellen dan hij is. Onze vele voorrechten – dat we spaargeld hadden, dat we een koppel vormden, dat vrienden ons raad gaven, dat we naar België konden – stonden ons toe onze zoon tegen willekeur en machtswellust te beschermen. Maar juist daarom is dit verhaal leerzaam. Als het ons al zoveel pijn en moeite heeft gekost om ons kind op het droge te brengen, wat moet het niet zijn voor weerlozer gezinnen? De zelfgenoegzaamheid is ons vergaan. We hebben het griezelen geleerd. Als ik in 2019 Amerikaan ben geworden, was dat met een zwaar hart en één voornemen: stemmen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 6 tot 11