Abonneer Log in

Trade Wars Are Class Wars

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 8 (oktober), pagina 68 tot 71

Handelsoorlogen zijn in essentie geen conflicten tussen landen maar het gevolg van klassenstrijd binnen landen waarbij elites aan het langste eind trekken, aldus Matthew Klein en Michael Pettis.

Trade Wars Are Class Wars

Matthew C. Klein, Michael Pettis
Yale University Press, Londen, 2020

Toen de titel van dit boek bekend werd, was ik meteen geïntrigeerd. En ook wel een beetje sceptisch. Handelsoorlogen zijn klassenstrijd. Wauw. Zou het boek de verwachtingen die de provocerende titel schept echt waarmaken, of zou deze toch eerder een verkoopstruuk van de uitgeverij zijn? De auteurs staan namelijk niet meteen bekend als marxisten. Michael Pettis is een voormalige trader bij Amerikaanse grootbanken, en nu professor economie in China. Matthew C. Klein is een journalist die onder andere voor de Financial Times en The Economist schreef.

Maar, ja, hoor, de titel is echt de stelling die in het boek op zeer overtuigende wijze wordt uitgewerkt. Handelsoorlogen zijn in essentie geen conflicten tussen landen (oorlog met andere middelen), maar het gevolg van klassenstrijd binnen landen, waarbij elites aan het langste eind trekken.

De onderbouwing voor dit argument is verrassend eenvoudig. Tenminste, eens je erin geslaagd bent het perspectief van de auteurs aan te nemen, want dat vergt een aanpassing in hoe we normaal over handel nadenken. De logica is haast boekhoudkundig, net zoals Piketty in Kapitaal in de 21e eeuw zijn verklaring voor stijgende ongelijkheid doodeenvoudig samenvatte met r>g (toenemende ongelijkheid is het gevolg van het hogere rendement op kapitaal dan de groeivoet van de economie).

Klein en Pettis hebben een aantal vergelijkingen nodig, die ik hier niet zal herhalen. Maar het komt erop neer dat handelsonevenwichten, die aan de basis liggen van handelsoorlogen, het gevolg zijn van kapitaalstromen. Die kapitaalstromen vloeien dan weer voort uit het verschil tussen binnenlandse productie en consumptie binnen landen. En dat wordt ten slotte bepaald door de verhouding tussen rijk en arm, of elites en gewone werknemers, binnen landen.

Wanneer een land minder consumeert dan het produceert, heeft het automatisch een spaaroverschot. In het geglobaliseerde financiële systeem van vandaag, wordt dat spaaroverschot (of dat deel dat niet binnenlands wordt geïnvesteerd) naar elders in de wereld verplaatst. Dit zorgt ervoor dat andere landen meer zullen consumeren dan ze produceren. Het automatische gevolg van die kapitaalstromen zijn dus handelsonevenwichten. Landen die minder consumeren dan ze produceren en spaaroverschotten uitvoeren, zullen ook handelsoverschotten opstapelen. Andere landen die deze spaaroverschotten ontvangen, zullen met handelstekorten geconfronteerd worden.

In de laatste landen zorgt dat voor een aantal negatieve gevolgen, waarvan werkloosheid en schuldopbouw de belangrijkste zijn. Potentiële binnenlandse productie wordt immers vervangen door import gefinancierd met buitenlands kapitaal. Dat zien we ook in het belangrijkste handelsconflict van vandaag, tussen de VS en China. Dit wordt in de VS vaak verketterd omdat het aan de basis zou liggen van banenverlies, en omdat het China een onwenselijke invloed zou geven door de VS afhankelijk te maken van Chinese leningen.

In tegenstelling tot veel van hun collega's, stellen Klein en Pettis dat deze handelsonevenwichten weldegelijk problematisch zijn. Maar hun diagnose van het probleem is wel anders dan die van bijvoorbeeld Trump en zijn adviseurs. De reden dat bepaalde landen minder consumeren dan ze produceren, en daardoor spaar- en handelsoverschotten dumpen op andere landen, is de ongelijke verdeling van inkomen in die landen. Rijken spenderen nu eenmaal een kleiner aandeel van hun inkomen dan armen, maar sparen of beleggen het eerder. Hoe meer inkomen in een land geconcentreerd is bij de rijken, hoe meer er zal gespaard worden, en dus hoe meer dat land spaaroverschotten en handelsoverschotten zal exporteren.

In de eerste drie hoofdstukken van het boek leggen de auteurs geduldig hun argumentatie uit. In de drie daaropvolgende hoofdstukken focussen ze op de twee belangrijkste surpluslanden in de wereld vandaag, China en Duitsland, en op het belangrijkste tekortland, de VS.

China heeft na het aan de macht komen van Deng Xiaoping in 1978 met groot succes een groeimodel ontwikkeld. Dat is altijd gegrondvest geweest op het onderdrukken van binnenlandse consumptie. Op verschillende manieren (door zeer lage lonen, de afwezigheid van een sociaal vangnet en zeer lage rentes op spaartegoeden) wordt inkomen van werknemers herverdeeld naar de overheid, (publieke) bedrijven en banken. China is een van de meest ongelijke landen ter wereld. Het aandeel van het inkomen dat naar werknemers vloeit is met 40% ongezien laag.

Dat moet voldoende kapitaal vrijmaken voor investeringen, zodat de economie kan blijven moderniseren. Maar omdat de arme Chinese bevolking die groeiende productie niet zelf geconsumeerd krijgt, stuurt het spaaroverschotten naar de rest van de wereld, waar dit extra kapitaal gebruikt wordt om goedkope import uit China mee te betalen.

Dit model botst de laatste tijd op zijn limieten. Hoe meer ontwikkeld een land wordt, hoe moeilijker het is om renderende investeringen te blijven vinden. Het resultaat is dat China de laatste jaren veel verspillende investeringen heeft gedaan, wat tot een schuldzeepbel dreigt te leiden. Bovendien pikt de rest van de wereld de gevolgen van het exportgeleide groeimodel van China alsmaar minder. Eigenlijk zou China zijn model moeten aanpassen zodat het meer op binnenlandse vraag zou draaien en minder op investeringen en export. Maar dat wordt tot nog toe met succes tegengehouden door elites in China die profiteren van het huidige model.

Ondanks de enorme verschillen qua politiek systeem, is het verhaal voor Duitsland erg gelijkend. Ook Duitsland heeft al lang een op export gebaseerd groeimodel. Vooral vanaf de eeuwwisseling heeft Duitsland enorme handelsoverschotten opgebouwd. Ook hier is dit het gevolg van een herverdeling van arm naar rijk.

Na de hereniging tussen West- en Oost-Duitsland was de Duitse economie in het slop geraakt. Duitsland werd 'de zieke man van Europa' genoemd. Tegelijk zorgde de val van het IJzeren Gordijn ervoor dat er zeer goedkope arbeidskrachten ter beschikking kwamen aan de Duitse oostgrens. Om werkgelegenheid te beschermen, zagen Duitse vakbonden zich verplicht veel toegevingen te doen aan werkgevers. Dat gebeurde al in de jaren 1990 en zou nog versterkt worden met de beruchte Hartz-hervormingen in de vroege jaren 2000. Op die manier zou Duitsland een land worden met een erg ongelijke inkomens en – vooral – vermogensverdeling.

De loonstagnatie zorgde automatisch voor minder binnenlandse consumptie in Duitsland. En – ondertussen zou u het moeten kunnen aanvullen – dus spaaroverschotten die werden verplaatst naar elders waardoor Duitsland ook handelsoverschotten kon opstapelen. Die spaaroverschotten vloeiden in de jaren 2000 vooral naar Zuid-Europa. Dat zorgde daar voor een consumptieboom, met de gekende neveneffecten van concurrentieverlies en schuldopbouw.

Binnen de eurozone heeft de klassenstrijd in Duitsland en de daaruit voortvloeiende kapitaals- en handelsonevenwichten dus in belangrijke mate bijgedragen tot de eurocrisis. Na de crisis heeft Duitsland zoals geweten haar model opgelegd aan de rest van de eurozone. Het gevolg is dat de eurozone als geheel nu ongelijker wordt, en kapitaals- en handelsoverschotten opstapelt, tot frustratie van de VS.

Wanneer je bij het hoofdstuk over de VS aankomt, stel je je onwillekeurig de vraag: als stijgende ongelijkheid tot handelsoverschotten leidt, hoe kunnen de zeer ongelijke VS dan het belangrijkste tekortland zijn? Dat ligt aan de bijzondere rol van het Amerikaanse financiële systeem in de wereld. De VS is al lang de favoriete plek om spaaroverschotten te beleggen. Dat heeft te maken met de dominante rol van de dollar in het internationale betalingssysteem en met de liquiditeit van de Amerikaanse financiële sector. Ooit noemde de Franse President Charles de Gaulle dit een 'exorbitant privilege'. Maar Pettis en Klein tonen dat dit eerder een 'exorbitant burden' vormt.

Spaaroverschotten uit andere landen worden massaal gedumpt op de Amerikaanse markt. De VS absorberen deze kapitaalinstroom door publieke en private schuldopbouw. De Amerikaanse overheid kan zonder enige moeite begrotingstekorten financieren. Banken recycleren deze kapitaalinstroom dan weer in de vorm van leningen aan arme Amerikaanse burgers, voor de crisis voornamelijk via hypotheekleningen.

Ondanks de zeer ongelijke Amerikaanse samenleving, heeft de VS dus een netto spaartekort, wat zich ook vertaalt in handelstekorten. Dat komt omdat het armste deel van de bevolking meer leent dan het rijke deel spaart. Arme Amerikanen verliezen hun jobs aan landen met handelsoverschotten, maar houden hun koopkracht op peil door zich in de schulden te steken, en kopen daarmee onder meer goedkope geïmporteerde goederen. Economisch creëert dit schuldzeepbellen en politiek vormt het de voedingsbodem voor populistische politici die zich tegen globalisering opstellen.

Handelsoorlogen zijn dus geen conflicten tussen landen, maar het gevolg van klassenstrijd binnen landen. Daarom is volgens de auteurs het handelsbeleid van Trump ook niet het juiste antwoord. Tarieven heffen op Chinese en Europese import zal geen soelaas bieden, omdat dit het echte probleem van ongelijkheid binnen surpluslanden niet oplost.

De oplossing bestaat wel in hervormingen in het globale financiële systeem, waardoor de VS niet meer de dumpplaats voor spaaroverschotten wordt, en hervormingen in surpluslanden die tot meer gelijkheid leiden, waardoor binnenlandse productie en consumptie in evenwicht worden gebracht. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Aandeelhouders en bestuurders van exportbedrijven in China en Duitsland en van financiële bedrijven in de VS profiteren van het huidige onevenwichtige systeem ten koste van arbeiders aller landen, en zullen er dus alles aan doen om het status quo te behouden.

Dit boek biedt een fascinerende, vernieuwende kijk op handelsoorlogen. Het is indrukwekkend beargumenteerd, en hoewel het een intellectuele inspanning vergt om in de logica van de auteurs te stappen, is het zeer helder en leesbaar geschreven.

Ik vind de argumentatie overtuigend, maar blijf met één dimensie ervan worstelen. De auteurs behandelen de VS niet toevallig op het einde van het boek. Dat doen ze omdat de VS volgens hen aan het einde van de causale keten komt. Als tekortland is het als het ware het slachtoffer van de dynamieken in de overschotlanden. De auteurs stellen expliciet dat de Amerikaanse financiële sector geen andere keuze heeft dan de buitenlandse kapitaalinstroom te vertalen naar binnenlandse leningen en schulden.

Maar misschien hadden de auteurs het verhaal evengoed omgekeerd kunnen vertellen, waarbij het startpunt niet de hervormingen in China eind jaren 1970 is, dat uiteindelijk automatisch leidt tot ongelijkheid en schuldopbouw in de VS, maar wel de neoliberale revolutie die in diezelfde periode in de VS is gestart, en waarbij de Amerikaanse financiële en economische elite net de drijvende kracht, eerder dan de passieve ontvanger, van dynamieken in de rest van de wereld is.

Ferdi De Ville

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 8 (oktober), pagina 68 tot 71