Abonneer Log in

Groene minister, nieuwe overheid?

De partituur van Vivaldi

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 44 tot 49

De nieuwe regering is wel een trendbreuk. Het politiek project onder stuwing van N-VA (en VOKA) is tijdelijk gestopt. Meer nog dan voor Vlaamse onafhankelijkheid staat N-VA voor een regimeshift, een afbraak van de overlegeconomie, de atomisering van het middenveld en de marginalisering van de grote sociale organisaties. Het 'primaat van de politiek' en een Sterke Staat, weet u wel? Een verpakking voor een puur electorale maatschappijvisie, met sociale organisaties afhankelijk van en ondergeschikt aan de Staat.1 Een rechts project, waarvan zelfs Theo Francken in De Afspraak vond dat het te radicaal was. Dat project is met de 'Zweedse' coalitie niet gelukt en afgestraft met het verlies van 22 zetels.

De coronacrisis en de nieuwe coalitie hertekenen mogelijk het veld. Het belang van goede openbare basisvoorzieningen – zorg, openbaar vervoer, huisvesting, ruimtelijke ordening, … – en van een goed werkende overheid staat opnieuw centraal. Het neoliberale credo – minder staat, privatisering en deregulering, en laat de markt maar doen – dat veertig jaar lang de geesten bepaalde, is met één virus terminaal geworden. De markteconomie zelf heeft onvoldoende weerbaarheid, zo is gebleken. Het keynesiaanse anticyclische beleid heeft het monetarisme opnieuw vervangen. Paul De Grauwe is de verpersoonlijking van die evolutie.

Die omslag is echter nog niet te lezen in het neergeschreven regeerprogramma. Dat bouwt voort op het 'Zweedse' beleid. Het economisch herstelverhaal blijft officieel een klassiek liberaal kapitalistisch groeiproject. Een amalgaam tussen neoliberalisme, Derde Weg en het CD&V-vrije-markt-vertoog. Maar een investeringsbeleid zal moeten rekenen op vernieuwde samenwerking met het middenveld, op een herstel van het sociaal weefsel en op het verzekeren van de sociale opvang. Na jaren van bezuinigingsbeleid en afbraak is een brede kloof van begrijpelijk wantrouwen te overwinnen. Het is nu aan de politiek te tonen dat ze wel degelijk opnieuw wil samenwerken, dat ze de eigenheid en zelfstandigheid van de civiele maatschappij respecteert, dat sociale organisaties geen simpel verlengstuk zijn van beleid.

Het is dan ook hoogst eigenaardig dat er binnen Groen naar verluidt onvrede was over de keuze van Meyrem Almaci en het 'binnenhalen' – want zo heet dat vandaag – van de bevoegdheden Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, 'shitbevoegdheden' volgens Walter Pauli. Het is dat nog te veel ecologisten geen oog hebben voor de rol van de staat. Want het departement van Petra De Sutter kan een knooppunt zijn in een echt transitiebeleid.

NAAR EEN FACILITERENDE OVERHEID?

Waar gaat het om? De naoorlogse Fordistische regulatie steunde op de driehoek Staat-georganiseerde arbeidersbeweging- patronaat, de sociale partners. Dat overleg zorgde voor een verdeling van de stijgende arbeidsproductiviteit tussen winsten en levensstandaard/arbeidstijd. De overheid beheerde daarbij de publieke sector en het publieke domein. In dat partneriaat tussen Staat en markt werd de zelfstandige activiteit van de samenleving weggedrukt. Dat model werd sinds de neoliberale jaren 1980 vervangen door het primaat van de markt, van rentabiliteit, loonnorm en concurrentiecapaciteit. Een belangrijk deel van de publieke sector werd geprivatiseerd en de gesubsidieerde diensten onderworpen aan de concurrentie van de markt. Deze algemene vermarkting van de overheid heeft, samen met de individualisering, een zware klap toegebracht aan de voorzieningen van de welvaartsstaat en de solidariteit. Veertig jaar afbouw blijft niet zonder gevolgen. Zie de stijgende armoedecijfers, de woningcrisis, de schaarste in openbaar vervoer, de druk op de zorgsector, de ongelijkheid in het onderwijs, de lage pensioenen en uitkeringen, enzovoort.

Terwijl de overheid zich vooral met de gezondheid van de economie en het belang van de investeerders inliet, ontwikkelden zich in de poriën en de gaten van de welvaartsstaat opnieuw vormen van solidariteit gericht op het gemeengoed, de zogenaamde commons. Terwijl de maatschappelijke herverdeling achteruitging, groeide de wederkerigheid, de vrijwillige samenwerking, bottom-up. In de stadslandbouw, repair cafés, opvang van vluchtelingen, aankoopcoöperatieven, collectieve woonprojecten, mantelzorg, armoedebestrijding, recyclage, voedselbanken, sociale restaurants, energie, … Sociale bewegingen aan de rand van de grote sociale organisaties die nog steeds in dat oude overleg- en medebeheermodel gevangen zaten.

VAN DE SANITAIRE CRISIS EEN OPPORTUNITEIT MAKEN

De post-coronawederopbouw vergt een nieuwe ideologie en een nieuw sociaal contract. De samenlevingsopbouw moet worden hertekend met twee belangrijke kantelingen.

Corona heeft het belang van nabijheid, basisvoorzieningen, korte ketens en circulaire economie tegenover het neoliberale globaliseringsverhaal gesteld. Duurzame wijkontwikkeling, goed stedenbeleid en het beheer van een lokaal ecosysteem staan op de agenda. Er is meer toegevoegde waarde te zoeken in kwaliteitsvolle reproductie van het dagelijkse leven hier, dan van het voortdurend aantrekken van internationale investeringen gericht op de wereldmarkt.

Corona heeft ook de onvolkomenheden van een pure markteconomie opnieuw blootgelegd. De overheid dient dus niet alleen voor regulering, ze moet ook eigen (basis)voorzieningen garanderen. En, de markt en de overheid alleen kunnen niet het gehele leven aan. Solidariteit is ook samenleven en zorg dragen voor elkaar. En daarom is de groei en de ontwikkeling van het gemeengoed, van de commons vitaal voor de wederopbouw. Liberaal individualisme, egocentrisme en competitiegeest kunnen geen uitgangspunt zijn voor socialisten of groenen, en ook niet voor christendemocraten. Zonder een herstel van samenwerking, wederkerigheid en zorg voor een gedeelde omgeving, komt er geen ommekeer in onze verhouding met de natuur, geen herstel van de sociale herverdelingsmechanismen, geen dynamiek van intercultureel samenleven. Een belangrijk deel van de samenleving zelf moet dus worden gewonnen voor een sociale en ecologische transitie.

DE OVERHEID ALS DIENST

En in die zin moet vandaag de positie van de Staat, van de ambtenaren en van de overheidsdiensten grondig worden herdacht. De openbare dienst is geen 'sector'. De overheid dient niet alleen voor het publieke domein. Politiek, administratie en openbare diensten zouden een hefboom moeten zijn in samenlevingsopbouw, in het begeleiden van de noodzakelijke transities, in het coachen van burgers en het toeleiden naar burgerzin. De overheid is niet 'de baas' van de samenleving, maar moet de 'animator', de 'coach' zijn van de bevolking, van de burgers. We moeten naar een faciliterende overheid, die niet alleen oog heeft voor de opbrengsten in de private economie, maar zich ook toelegt op samenwerking, netwerking, burgerschap, participatie en coproductie. De ambtenarij zou moeten centraal staan in het hoofdstuk 'democratische vernieuwing', of niet?

De gehele openbare dienstverlening moet in die zin worden herdacht. Gezondheidsbeleid moet van pure ziekenzorg worden omgebouwd tot een eerste lijn van het goede leven, van preventie en informatie, vanuit wijkgezondheidscentra. Betaalbaar openbaar vervoer moet deel uitmaken van een geïntegreerd mobiliteitsbeleid met hubs en overstap tussen verschillende modi. Onderwijs en cultuur moeten naast hun eigen programma en eindtermen ingebed worden in een gebiedsgerichte werking en deel uitmaken van duurzame wijkontwikkeling. Energiebeleid, waterhuishouding, groendiensten, afvalbeleid of wegenonderhoud moeten uit hun verkokering treden en deel uitmaken van geïntegreerde planning en samenwerken met burgerinitiatieven. Lokale en betaalbare basisvoorzieningen moeten deel uitmaken van een essentiële economie waarin de commerciële sector samen met de openbare diensten in een lokale coöperatieve samenwerken met de commons. Sociale herverdeling moet niet alleen gaan via uitkeringen maar ook via lokale netwerken.

Ook de ambtenarij is geen 'sector' die haar eigen bureaucratische regels kan opleggen aan de samenleving. Ook zij kan en moet haar missie herbepalen, en opnieuw een steun en animator worden voor de samenlevingsopbouw. Een ambtenarij die evolueert van een bureaucratie naar een steunpunt ingebed in de samenleving. Ambtenaren met een missie, agenten van de samenlevingsopbouw, militanten van het algemeen belang. Ook zij hebben een imago bij te stellen. Dat privaat ondernemerschap het niet per se beter doet dan de overheid. Dat een overheid betere waar voor minder geld kan leveren.

IN CAMPAGNEMODUS!

Kortom, een echt transitiebeleid vergt een culturele omslag en een herdefiniëring van de rol van de Staat en de overheid. We hebben geleerd dat de vrije markt noch zichzelf noch de samenleving kan reguleren. Daartoe hebben we een hernieuwde democratie nodig. En die kan er alleen komen met een overheid en een ambtenarij die dat als haar missie beschouwd, die ten dienste staat van de positieve maatschappelijke processen, die samenwerkt met de actieve civiele maatschappij. Het gaat hierbij lang niet alleen om 'anders aan politiek doen'. Zeker de heersende politiek, en vooral de particratie, het opportunistisch carrièrisme en het gezwel van de postjes, kabinetten en mandaten, maakt deel uit van het probleem. Er is werk aan de winkel voor de 838 nieuwe kabinetards en de honderden politiek benoemde directieleden die ook nog orders uit de partijen ontvangen.

Maar ook de grote sociale organisaties moeten zich herbronnen. De oude overlegeconomie zal worden vervangen door nieuwe vormen van coproductie. De vakbonden van de openbare diensten moeten uit hun bureaucratisch corporatisme treden en zichzelf opnieuw een maatschappelijke missie geven. De ziekenfondsen zouden meer moeten zijn dan medebeheerders van de sociale zekerheid en dienstverleners aan leden. Ze zouden opnieuw echte sociale bewegingen moeten worden, 'midden de mensen', strijdend voor meer en betere gezondheid, voor een beter dagelijks leven, en vooral voor een dagelijkse coaching van zorgbehoevenden. De oude coöperatieve beweging moet opnieuw leven worden ingeblazen. Kortom, de oude zuilen moeten nog vervellen overheen de verdediging van verworven rechten tot echte voortrekkers van de transitie.

PETRA ALS KINESISTE VAN DE REGERING

De bevoegdheden van vicepremier Petra De Sutter kunnen dus wel degelijk een hefboom worden. Voorwaarde is natuurlijk ze niet als een beheerstaak te zien, als een personeelsdienst of als patrimoniumbeheer. Ook daar stellen de teksten ons niet gerust. Het blijft bij 'besparen' (600 miljoen), 'rationaliseren' en 'informatiseren'. En ook het overhevelen van de federale investeringsmaatschappij FPIM naar CD&V is onrustwekkend.

Terwijl we echt nood hebben aan een nieuw paradigma, aan een nieuwe definitie. De vernieuwing van de democratie of de voorbereiding van een nieuwe staatshervorming kan niet beperkt blijven tot het functioneren van de politiek, of de relatie tussen de drie al dan niet gescheiden machten, of de particratie, of de relatie met de burger. Het moet ook gaan over het staatsapparaat zelf, over de administraties en de bedrijven. En dat moet op de juiste schaal gebeuren: van lokaal ecosysteem naar nationale staat, over Europa tot en met de verdragen en de internationale organen.

De bevoegdheden van de groene vicepremier zouden dus kunnen gaan om het echt herdenken van de openbare dienstverlening in functie van het post-covid herstelbeleid en met een nieuwe missie in het transitiebeleid. Natuurlijk wordt dat een taak van vele ministers en zal er dus een interkabinettenwerkgroep 'Modernisering van de openbare dienst' nodig zijn tussen vele bevoegdheden: Mobiliteit (Gilkinet - Ecolo), Sociale Zaken/Volksgezondheid (Vandenbroecke - sp.a), Middenstand/Kmo's (Clarinval - MR), Maatschappelijke Integratie (Lalieux - PS), Klimaat/Duurzaamheid (Khattabi - Ecolo), Grote Steden (Kitir - sp.a), Energie (Van der Straeten - Groen), Financiën (Van Peteghem - CD&V), Relance (Derminne - PS), Regie der Gebouwen (Michel-MR), Gelijke Kansen (Schlitz - Ecolo), Asiel en Migratie (Mahdi-CD&V). Zo'n platform zou in principe niet al te veel ideologische problemen moeten opleveren.

Maar het wordt ook een uitdaging voor een herpolitisering van het middenveld. De grote sociale organisaties moeten uit hun defensieve en soms erg corporatistische egelstelling komen en opnieuw een maatschappelijke missie opnemen. Maar ook de gesubsidieerde sector van de nieuwe sociale bewegingen of van het sociaal-culturele werk zou wel eens mogen loskomen van braaf en professioneel uitvoeren van de decreten en opnieuw – zoals dat bij hun ontstaan in de jaren 1970 was – meer actieve woordvoerders worden van sociale noden niet alleen richting overheid maar ook richting collega-instellingen. Een (her)bepaling van de missie van de civiele maatschappij overheen de sectoren zou van pas komen. Die bewegingen bestaan en komen op gang, maar ze blijven nog marginaal in het geheel. Linkse activisten en platformen als Hart boven Hard wacht een moeilijke opdracht het kritisch promoten van de interne modernisering van de sociale bewegingen te combineren met externe druk op de regering in naam van het gehele middenveld. De PVDA-oppositie mag zich niet beperken tot het vertegenwoordigen van de sociale noden in het parlement. Ze heeft ook een opdracht in de vernieuwing van de sociale beweging zelf en dat gaat over meer dan partijopbouw en electorale steun winnen.

NAAR EEN NIEUW VERHAAL

De coronacrisis heeft de vitale rol van de overheid opnieuw onderstreept. De openbare diensten moeten opnieuw worden uitgerold na bijna veertig jaar stagnatie. Maar ze moeten ook worden vernieuwd. We moeten op zoek naar een nieuw evenwicht tussen vermarkte activiteit, publieke basisvoorzieningen en zelfactiviteit in de commons. Dat regulatiemodel moet nog worden uitgewerkt. Groen noch sp.a heeft daarover al een duidelijk programma.

Ik weet niet of Meyrem Almaci dat allemaal in gedachten had toen ze de bevoegdheden Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven binnenhaalde. Maar hoe dan ook denk ik dat de bevoegdheden én de persoonlijkheid van Petra De Sutter zouden kunnen zorgen voor een onvermoed breed maatschappelijk debat, al dan niet via een ronde tafel, over de voorwaarden van toegankelijke basisvoorzieningen in een vernieuwde openbare dienstverlening. En niemand legt ons op te wachten op een initiatief van een vicepremier om dat debat in onze eigen kringen, partijen en vakbonden alvast op gang te trekken en van daaruit de druk op te voeren. Opnieuw een beetje ernstige politieke en ideologische analyses en debatten invoeren. En daartoe kan het nuttig zijn wat verder te kijken dat de neoliberale of Derde Weg recepten, opnieuw een beetje geschiedenis en oude teksten te bestuderen. Over structuurhervormingen, of openbaar industrieel initiatief of eigendomsposities. We houden ons aanbevolen.

VOETNOOT

  1. Corijn, E. (2015) Strijd om hegemonie en regimewissel, in: Oikos. 73-2, https://www.oikos.be/tijdschrift/archief/jaargang-2015/oikos-73-2-2015/974-73-02-eric-corijn-strijd-om-hegemonie-en-regimewissel/fil. Corijn, E. (2019) Vlaanderen Trumpland,Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pp. 25-30.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 44 tot 49