Abonneer Log in

In de bres voor het verleden

Het zijn geen met hooivorken bewapende woke-brigades die opleidingen geschiedenis tot sluiten dwingen. Dat doen wel overheden met de mond vol besparing en rationalisatie, daarbij gewillig geadviseerd door beleidsmakers met de blik op een utopische toekomst vol ingenieurs en zonder historici.

Wat doen historici nu eigenlijk voor nuttigs? Ze lijken wel luizen in de pels.

Heel wat opiniemakers te lande liggen de laatste tijd wakker van onze geschiedenis. Meer bepaald klagen ze de 'verloedering van het onderwijs' aan 'die transmissie van […] geschiedenis is gaan verwaarlozen.' (Mia Doornaert). Of ze maken zich zorgen over mensen die niets liever willen dan 'het verleden uitwissen.' (Griet Vandermassen). Ook zijn ze bang dat onze boeken, standbeelden, historische figuren, en bij uitbreiding ons hele collectief geheugen gewist en vergeten wordt (Johan Op de Beeck; Ilja Leonard Pfeiffer). Het is een ziekte die ons komt aanwaaien uit de Angelsaksische wereld, zo weten ze.

Ze hebben natuurlijk gelijk. Recent kondigden verschillende Britse universiteiten aan hun onderwijsaanbod in te krimpen en niet langer de opleiding geschiedenis aan te bieden. Experten vrezen dat meer instellingen zullen volgen. Eind vorige maand verkondigde de Amerikaanse Howard University ook al haar vakgroep Classics te zullen opdoeken. Het Londense Victoria & Albert Museum liet in februari weten het personeel drastisch te moeten in krimpen en als gevolg de collectie en organisatie grondig te reorganiseren. Specialisten vrezen dat dit de kwaliteit van het museum en de historische expertise die ze herbergt ernstig zal aantasten. Het voorbije jaar waren trouwens ook al het Whitney Museum of American Art in New York en het Tate Museum tot gelijkaardige maatregelen verplicht.

Angelsaksische universiteiten die opleidingen geschiedenis opdoeken en musea die delen van hun collectie achter slot en grondel moeten steken: veel goeds voorspelt het inderdaad niet over de maatschappelijke plaats van geschiedenis. De lange schare aan bezorgde opiniemakers in onze kranten weet wie schuld treft: de 'beeldenstormers', de 'woke-brigade', de aanhangers en voorvechters van een alomvattende 'cancel cultuur.' Het liefst van al, zo menen ze, willen die het verleden zuiveren, en alles wegwissen dat niet meer in onze tijdsgeest past. Het begint met zwarte piet en eindigt met Leopold II, zo lijkt het wel.

Nochtans zijn het geen met hooivorken bewapende woke-brigades die opleidingen geschiedenis tot sluiten dwingen. Dat doen wel overheden met de mond vol besparing en rationalisatie, daarbij gewillig geadviseerd door beleidsmakers met de blik op een utopische toekomst vol ingenieurs en zonder historici. En wie kan het hen eigenlijk kwalijk nemen? Want wat doen historici nu eigenlijk voor nuttigs? Ze lijken wel luizen in de pels. Stiekem morrelen ze aan ons begrip van het verleden, stilletjes verzetten ze de bakens voor het heden, en zonder dat iemand het merkt verruimen ze de horizon naar een andere toekomst.

Wat doen historici nu eigenlijk voor nuttigs? Ze lijken wel luizen in de pels.

Voor wie het eigen verleden ziet als een nobele queeste voor de verspreiding van Verlichting, vrijheid en moderniteit, is het immers niet minder dan confronterend om ook schaduwzijden gepresenteerd te krijgen. In Engeland woedt sinds enkele maanden een debat over een historisch onderzoeksproject dat de nauwe verwevenheid toont tussen de statige landhuizen in het bezit van de National Trust, en de geldstromen die voortgebracht werden door slavernij en kolonisatie. Een grote groep conservatieve parlementsleden kon die 'transmissie van historische kennis' maar weinig waarderen en protesteerde luidkeels, terwijl pogingen ondernomen werden om de financiering van het project te laten stilleggen. Voor wie historisch erfgoed enkel ziet als uiting van nationale trots en traditie, is de verbreding van de historische context slechts moeilijk te verteren.

Voor wie de geschiedenis van het Westen enkel ziet als een triomf van liberale waarden, van vrijheid en van individualisme, is het evenmin eenvoudig om donkere bladzijden onder ogen te zien. In 2019 lanceerde de krant The New York Times een journalistiek project rond de 400-jarige herdenking van het eerste schip dat in augustus 1619 twintig Afrikaanse slaven in Virginia afleverde. Daar waar 1776 het wijd gevierde beginpunt is van de Verenigde Staten van Amerika, staat 1619 symbool voor het begin van een alternatieve geschiedenis die voor het land even ingrijpend zou zijn: de geschiedenis van slavernij als systeem, en van de aanwezigheid van slaven, vrijgelatenen en hun kinderen op het Amerikaanse continent. Het project won een Pulitzerprijs, maar het verruimen van de nationale geschiedenis viel niet bij iedereen in goede aarde. Republikeinse senatoren haastten zich om scholen te verbieden over het 1619 project te onderrichten, en Donald Trump dreigde ermee scholen hun overheidsfinanciering te ontzeggen indien ze het project in hun curriculum opnamen.

Toch zijn het niet deze ontwikkelingen die onze opiniemakers zorgen baren. Het gaat bij hen niet over aanhoudende besparingen op onderwijs in de mens- en cultuurwetenschappen, over noodlijdende musea of teruggefloten historische projecten. Wel liggen ze wakker van een omver geworpen standbeeld, een zin van Dante, een kritische kanttekening bij de verwezenlijkingen van Churchill of Napoleon, en van een bekritiseerde Disneyattractie over Sneeuwwitje. Als die symbolen al zo veel inkt laten vloeien, dan zal de stroom aan verontwaardigde stukken niet meer te stuiten zijn eens de ernst van de werkelijkheid tot hen doordringt. Toch?