AI, globalisering en de metaverse zetten onze welvaartsstaat onder druk. Het is tijd voor een radicaal nieuw fiscaal model dat banen en rechtvaardigheid centraal stelt.
"The Times They Are A-Changin'". Bob Dylan wist het al begin jaren 1960. Belangrijke sociale, culturele, politieke en economische veranderingen volgden elkaar in snel tempo op. Ook op fiscaal vlak waren de jaren 1960 opmerkelijk. In de VS werden een reeks belastingverlagingen doorgevoerd, geïnspireerd door de economische theorieën van John Maynard Keynes, die stelden dat lagere belastingen de economische groei kunnen stimuleren door meer geld in handen van consumenten en bedrijven te laten. Zo werd het hoogste tarief van de personenbelasting verlaagd van 91% naar 70% en werd ook de vennootschapsbelasting verlaagd.1
In België werd in 1962 het cedulaire belastingsysteem vervangen door een eenvoudiger stelsel van belasting op het globaal inkomen en de invoering van een afzonderlijke vennootschapsbelasting. In de Memorie van Toelichting werd de noodzaak tot hervormen als volgt omschreven: "Het verouderd, ingewikkeld, weinig rechtvaardig en doelmatig fiscaal apparaat dat wij thans kennen, moet vervángen worden door een modern fiscaal stelsel. Het is noodzakelijk dat het fiscaal stelsel van morgen de investeringen en de inspanningen aanmoedigt, de ontduiking tegenwerkt en de rechtvaardigheid herstelt".2 Deze rechtvaardiging zou trouwens niet misstaan in een nieuwe fiscale hervorming.
DIGITALE REVOLUTIE
Ondertussen zijn er 60 jaar verstreken en lijkt de samenleving in een nog sneller veranderend tempo terecht te zijn gekomen. Tijdens het eerste kwart van de 21ste eeuw wordt onze samenleving op verschillende vlakken ingrijpend veranderd. De globalisering van de economie heeft mensen en economieën over de hele wereld dichter bij elkaar gebracht. Deze samenwerking op diverse terreinen heeft geleid tot een wereldwijde handel in goederen, diensten, technologie en informatie, en heeft sterk bijgedragen aan de algemene economische ontwikkeling. Tegelijkertijd heeft globalisering ervoor gezorgd dat multinationale bedrijven zich in meerdere landen vestigen, op zoek naar goedkope arbeidskrachten en gunstige belastingregimes.
Veel digitale bedrijven betalen geen belasting in de landen waarin ze wel handeldrijven maar geen fysieke aanwezigheid hebben.
De digitale revolutie, die zich in een steeds sneller tempo ontwikkelt, heeft de manier waarop we communiceren, werken en informatie delen, drastisch veranderd. De digitalisering van de economie heeft bedrijfsprocessen geoptimaliseerd, wat heeft geleid tot lagere productiekosten en snellere levering van producten en diensten. Grensoverschrijdende handel is eenvoudiger geworden, waardoor bedrijven wereldwijd nieuwe klanten kunnen bereiken zonder de noodzaak van een fysieke aanwezigheid in elk land. Dit heeft echter tot gevolg dat veel digitale bedrijven geen belasting betalen in de landen waarin ze wel handeldrijven maar geen fysieke aanwezigheid hebben, wat leidt tot ongelijkheid in belastingbetaling tussen traditionele en digitale bedrijven.
AUTOMATISERING, ROBOTISERING EN AI
Ondertussen hebben automatisering, robotisering en kunstmatige intelligentie hun intrede gedaan in onze samenleving. Deze technologieën verhogen het dagelijks comfort en bieden aanzienlijke voordelen voor het bedrijfsleven. Robots en kunstmatige intelligentie maken minder fouten dan mensen, werken 24/7 zonder pauzes, ziekteverlof of vakanties, en kunnen gevaarlijke taken uitvoeren die voor menselijke werknemers risicovol zijn. Dit alles leidt tot verbeterde efficiëntie en productiviteit.
Toch zullen deze innovaties ongetwijfeld een grote invloed hebben op de arbeidsmarkt. De verschuiving van werk van mensen naar robots en AI kan leiden tot aanzienlijk banenverlies. Bovendien zullen niet alle werknemers de benodigde digitale vaardigheden bezitten om opnieuw aan de slag te gaan in de veranderde arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt zal dus fundamenteel worden hervormd, wat de financiering van onze welvaartsstaat onder druk kan zetten.
Inmiddels dient zich weer een nieuw fenomeen aan. De metaverse (een virtuele wereld waarin mensen als avatars kunnen samenkomen, communiceren, werken, leren en spelen) zal ongetwijfeld een extra dimensie toevoegen aan ons dagelijks leven en biedt het bedrijfsleven tal van nieuwe kansen. De opkomst van deze virtuele wereld roept fundamentele vragen op over de toereikendheid van zowel het internationale als het nationale belastingstelsel, en over de manier waarop soevereiniteit binnen deze digitale context kan worden uitgeoefend.
INTERNATIONALE BELASTINGONTWIJKING
Deze ingrijpende omwentelingen hebben ook op fiscaal vlak hun effecten. Zo blijft internationale belastingontwijking een hardnekkig probleem, dat voortvloeit uit de combinatie van nationale fiscale soevereiniteit, globalisering en de complexiteit van belastingwetgeving. Multinationale ondernemingen blijven winsten verschuiven naar landen met lage belastingtarieven, zelfs wanneer daar nauwelijks economische activiteit plaatsvindt. Dit verstoort de economische realiteit en leidt tot een wereldwijde fiscale concurrentie, waarbij staten elkaar beconcurreren met lage tarieven om bedrijven aan te trekken. In essentie gaat het om het gebruik van legale constructies door bedrijven en individuen om hun belastingdruk te minimaliseren. Hoewel deze praktijken strikt genomen niet illegaal zijn, roepen ze fundamentele ethische en juridische vragen op. Zeker wanneer ze leiden tot een aanzienlijke vermindering van de belastinginkomsten die staten nodig hebben om publieke taken te financieren.
Met de Global Tax Deal en de invoering van de wereldwijde minimumbelasting (Pijler II) werd weliswaar een belangrijke doorbraak bereikt.3 Eind 2022 keurde de Europese Raad de Richtlijn tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing unaniem goed,4 waarna België deze eind 2023 in haar wetgeving omzette.5
De beperkte reikwijdte van de wereldwijde minimumbelasting houdt in dat de belastingconcurrentie tussen landen zal blijven bestaan.
De beperkte reikwijdte van deze minimumbelasting houdt echter in dat de belastingconcurrentie tussen landen zal blijven bestaan, zowel voor grote multinationals met een groepsomzet van minder dan 750 miljoen euro als voor ondernemingen zonder internationale vennootschapsstructuur. Verder valt te verwachten dat landen subsidies zullen inzetten, als middel om ondernemingen aan te trekken. De race to the bottom in vennootschapstarieven kan daardoor mogelijk omslaan in een race to the top op het gebied van subsidies. Daarenboven rijst de vraag wat deze wereldwijde minimumbelasting in de praktijk nog zal betekenen nu de VS zich onder president Trump uit de Global Tax Deal hebben teruggetrokken.6
DIGITALISERING VAN DE ECONOMIE
De digitalisering van de economie is een andere fundamentele verandering van de manier waarop bedrijven opereren. Waar vroeger fysieke aanwezigheid in een land noodzakelijk was om belastingen te heffen, kunnen digitale bedrijven tegenwoordig wereldwijd diensten en producten aanbieden zonder daadwerkelijk ergens fysiek gevestigd te zijn. Dit heeft geleid tot aanzienlijke uitdagingen voor het internationale belastingrecht, dat nog altijd grotendeels uitgaat van fysieke aanwezigheid als basis voor belastingheffing. Hierdoor ontstaan aanzienlijke problemen zoals winstverschuiving, dubbele niet-belasting en een oneerlijk speelveld tussen digitale en traditionele bedrijven. Tegelijkertijd leidt dit tot een verlies aan belastinginkomsten voor overheden. De digitalisering heeft daarenboven geleid tot het fenomeen van 'staatloos inkomen': winsten die nergens belast worden. Dit is niet altijd het gevolg van bewuste fiscale planning, maar vaak van het feit dat de huidige regels niet zijn aangepast aan gefragmenteerde, digitale bedrijfsmodellen.
Een belangrijk discussiepunt is waar de winst van digitale bedrijven belast moet worden. Het loslaten van de eis van fysieke aanwezigheid zou delokalisatie minder aantrekkelijk maken. Aangezien een groot deel van de waarde van digitale bedrijven voortkomt uit gebruikersdata, is het verdedigbaar dat de landen waar deze gebruikers zich bevinden, recht hebben op een deel van de belastingopbrengsten. Data zijn in de 21ste eeuw immers wat olie was in de 20ste eeuw: de bron van economische groei en verandering. Steeds meer landen vinden dat zij niet hun 'eerlijk deel' aan belastingen ontvangen van grote digitale bedrijven en pleiten ervoor om belastingrechten te koppelen aan de locatie van de gebruikers.
Steeds meer landen vinden dat zij niet hun 'eerlijk deel' aan belastingen ontvangen van grote digitale bedrijven.
Hoewel algemeen wordt erkend dat het huidige internationale belastingstelsel niet geschikt is voor de moderne digitale economie, blijkt het moeilijk om op internationaal of Europees niveau consensus te bereiken over een nieuwe nexus die ook bedrijven zonder fysieke vestiging in een land deels kan belasten. Zowel binnen de OESO7 als op het niveau van de Europese Unie8 zijn verschillende voorstellen gedaan om bedrijven in de gedigitaliseerde economie op een rechtvaardiger manier te belasten. Geen van deze voorstellen heeft echter ooit voldoende draagvlak gekregen. Binnen de EU ontbrak het steeds aan de vereiste eenparigheid, waarbij de lidstaten zich regelmatig verscholen achter hun voorkeur voor een mondiale oplossing voor internationale digitale belasting. In afwachting van een internationale oplossing hebben verschillende landen, waaronder Frankrijk, Italië, het VK en Spanje, unilaterale maatregelen genomen.9 Deze DST's belasten digitale inkomsten uit advertenties, bemiddelingsdiensten en dataverkoop.
Even leek het erop dat de breed gedragen oplossing er zou komen met de Global Tax Deal en meer specifiek met Pijler I.10 Deze pijler heeft als doel een deel van de overwinst van multinationale ondernemingen toe te wijzen aan de landen waar hun klanten zich bevinden, zelfs als die bedrijven daar geen fysieke aanwezigheid hebben. Alleen de grootste ondernemingen - met een omzet van meer dan 20 miljard euro en een winstmarge van meer dan 10% - zouden onder deze regeling vallen. Inmiddels is echter duidelijk geworden dat dit niet het geval zal zijn, gezien de terugtrekking van de VS onder Trump uit het akkoord.11 Dit betekent dat de bal nu opnieuw in het kamp van de Europese Unie ligt, die in 2021 al had aangegeven een eigen digitale heffing in te voeren bij gebrek aan een mondiaal akkoord.12 Het is voorlopig afwachten welk initiatief de Europese Unie zal nemen. Bovendien kan worden verwacht dat een aantal landen, die al een belasting op digitale diensten hadden ingevoerd of van plan waren dit te doen, hun plannen opnieuw zullen oppakken.
DIGITAKS?
De regering-De Wever heeft aangekondigd dat België, ten laatste vanaf 2027, unilateraal een digitaks zal uitwerken, als er geen akkoord op Europees of internationaal niveau kan worden bereikt.13 Het is voorlopig onduidelijk of het eerdere wetsvoorstel tot invoering van een digitale dienstenbelasting (DDB) opnieuw zal worden opgepikt. Wel kan worden gesteld dat dit voorstel, mits een zorgvuldige juridische onderbouwing en motivering, verenigbaar is met de internationale verplichtingen van België, zoals die blijken uit de dubbelbelastingverdragen, de Europese vrijheden, het Europese verbod op staatssteun en de GATS. Aangezien vooral Amerikaanse bedrijven onder de DDB vallen, blijft het risico bestaan op internationale repercussies, vooral vanuit de VS, die dergelijke belastingen als discriminerend beschouwen.
Voor het geval België om welke reden dan ook geen digitaks zou kunnen of willen invoeren, is een alternatieve piste mogelijk. Aangezien de internationaal aanvaarde nexus ongewijzigd blijft, kan België de winsten van digitale bedrijven niet belasten als deze geen fysieke aanwezigheid in België hebben. Inkomsten uit digitale diensten die vanuit het buitenland worden geleverd, kunnen dus niet in het land van de consument worden belast.
Een heffing op fysieke leveringen door buitenlandse e-commercebedrijven zou de maatschappelijke kosten helpen internaliseren.
Voor de levering van producten door buitenlandse e-commercebedrijven ligt de situatie echter anders. Aangezien deze leveringen een fysieke handeling op Belgisch grondgebied vereisen, zou België een heffing kunnen opleggen op deze fysieke leveringen. Deze maatregel zou de maatschappelijke kosten van e-commerce - zoals luchtvervuiling, verkeersdrukte en infrastructuurschade - helpen internaliseren. In België zou deze belasting ook kunnen worden ingevoerd door de gewesten, met tarieven afhankelijk van de afstand van de levering en vrijstellingen voor milieuvriendelijke leveringen. De invoering van een belasting op de levering van online bestelde pakketten lijkt niet in strijd te zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, noch met de daarop gebaseerde internationale verplichtingen. Wel blijft het noodzakelijk dat elk onderscheid, voortvloeiend uit toegestane belastingvrijstellingen of -verminderingen, steeds gebaseerd is op een objectief criterium en redelijk verantwoord wordt in het licht van de nagestreefde doelstellingen en gevolgen.
ROBOTTAKS?
De opkomst van robotisering en automatisering vormt een nieuwe fase in de globalisering. Waar aanvankelijk goedkope arbeid uit lageloonlanden de arbeidsmarkt beïnvloedde, zijn het nu robots en kunstmatige intelligentie die een fundamentele hertekening van werk en welvaart veroorzaken. Waar automatisering eerder routinematige en administratieve taken overnam, waardoor vooral banen in de blue collar-sectoren verdwenen, bedreigt de snelle opmars van kunstmatige intelligentie nu in het bijzonder de dienstensector. Vooral functies met repetitieve, regelgebaseerde taken in administratieve, juridische, klantenservice- en logistieke sectoren lopen het grootste risico door de inzet van kunstmatige intelligentie. Technologische vooruitgang biedt uiteraard ook kansen voor meer efficiëntie, hogere productiviteit en nieuwe carrièremogelijkheden. Niet iedereen zal echter in gelijke mate van deze kansen profiteren. Werknemers zonder toegang tot scholing of met minder technologische vaardigheden lopen een groter risico op baanverlies. Levenslang leren, bijscholing en omscholing worden daarom steeds belangrijker om inzetbaar te blijven op de arbeidsmarkt. Met het toenemend gebruik van robots en kunstmatige intelligentie zal de arbeidsmarkt ingrijpend veranderen en dreigen staten nog meer belastinginkomsten mis te lopen, wat de financiering van onze welvaartsstaat onder druk kan zetten.
Een robottaks, waarbij bedrijven belasting betalen voor het gebruik van robots, wordt vaak genoemd als antwoord op de dalende belastinginkomsten uit arbeid. Hoewel het idee aantrekkelijk lijkt, stuit het op tal van praktische bezwaren. De definitie van wat een robot is, is vaag en moeilijk toepasbaar. Bovendien bestaat het risico dat innovatie wordt afgeremd en bedrijven hun activiteiten verplaatsen naar landen zonder dergelijke belasting. Kortom, een robottaks is om verschillende redenen geen geschikte oplossing voor de terechte bezorgdheid dat automatisering niet mag leiden tot een grotere ongelijkheid.
Een concreet voorstel zou erin kunnen bestaan bestaande fiscale instrumenten te koppelen aan de creatie van werkgelegenheid binnen het bedrijf.
Om aan deze zorg tegemoet te komen wordt een pleidooi gehouden om in de toekomst enkel nog investeringen die daadwerkelijk jobs creëren, fiscaal te begunstigen. Een concreet voorstel voor België zou erin kunnen bestaan bestaande fiscale instrumenten te heroriënteren en (mede) te koppelen aan de creatie van werkgelegenheid binnen het bedrijf. Zo zouden investeringsaftrekken en afschrijvingen kunnen worden afgestemd op de mate waarin een investering bijdraagt aan extra tewerkstelling. Bedrijven die investeren in arbeidsvervangende technologieën zouden dan minder fiscale voordelen genieten dan ondernemingen die effectief nieuwe banen scheppen.
Een andere piste is de hervorming van de vennootschapsbijdrage. Deze forfaitaire belasting zou kunnen worden gedifferentieerd op basis van het aantal werknemers dat een vennootschap in dienst heeft. Vennootschappen zonder personeel zouden een hogere bijdrage kunnen betalen, als compensatie voor het ontbreken van sociale bijdragen. Op die manier kan degelijke hervorming ook bijdragen aan de financiering van de sociale zekerheid. Dit pleidooi behelst met andere woorden een taxshift van de huidige algemene investeringsstimuli naar een fiscale begunstiging van arbeidsstimulerende investeringen, waarbij de aftrekbaarheid van kapitaalinvesteringen afhankelijk wordt gemaakt van hun impact op de tewerkstelling.
METAVERSE
We staan aan de vooravond van een nieuw tijdperk op het internet: de metaverse. Dit concept, waarin onderling verbonden virtuele 3D-ruimtes naadloos integreren met de fysieke werkelijkheid, biedt gebruikers de mogelijkheid om via avatars en hologrammen interactief deel te nemen aan diverse digitale activiteiten in virtuele werelden. Betalingen verlopen doorgaans via digitale munten, terwijl digitaal bezit wordt opgebouwd met Non-Fungible Tokens (NFT's).
Hoewel de metaverse zich nog in een vroege ontwikkelingsfase bevindt, wordt steeds duidelijker dat deze technologie in de komende jaren een geheel nieuwe dimensie zal toevoegen aan ons dagelijks leven. Deze virtuele ruimte zal tal van ongekende economische mogelijkheden bieden, maar ook fundamentele juridische en fiscale uitdagingen stellen. Een eerste vraag is of staten soevereiniteit kunnen uitoefenen in de metaverse. Aangezien de digitale ruimte geen fysieke locatie heeft en daarom niet aan het grondgebied van een bepaalde staat kan worden toegewezen, impliceert dit dat geen enkele staat er op traditionele wijze staatsgezag kan uitoefenen.
Hoewel België dus geen fiscale soevereiniteit kan uitoefenen in de metaverse, kan het wel inkomsten belasten die door Belgische belastingplichtigen in deze virtuele ruimte worden gegenereerd. De stelling van de minister van Financiën (2021) dat de algemene bepalingen van onze fiscale wetgeving van toepassing zijn,14 is evenwel te eenvoudig en volstrekt ontoereikend. De bestaande fiscale kaders, zoals inkomstenbelasting, btw, schenk- en erfbelasting zijn in principe wel toepasbaar, maar stuiten op aanzienlijke juridische en praktische knelpunten. Voor de btw bestaat er enige duidelijkheid. Cryptomunten worden behandeld als traditionele betaalmiddelen, terwijl de handel in NFT's en andere metaverse-diensten als btw-plichtige prestaties worden beschouwd.
Op het vlak van de inkomstenbelasting is de situatie echter veel minder helder. Zo is het onderscheid tussen privébeheer en speculatief handelen met cryptomunten cruciaal, maar moeilijk te maken, wat leidt tot rechtsonzekerheid. Hoewel er initiatieven zijn zoals de vragenlijst van de Dienst Voorafgaande Beslissingen, blijft de nood aan wetgevende duidelijkheid groot.
Moet belasting worden geheven bij ontvangst van cryptomunten of pas bij omzetting naar euro's?
Het regeerakkoord van 2025-2029 voorziet in een solidariteitsbijdrage van 10% op meerwaarden van financiële activa, inclusief crypto-activa, met een vrijstelling voor de eerste 10.000 euro.15 Dit zou een stap kunnen zijn richting een meer coherente fiscale behandeling van crypto-inkomsten. Ook voor het rendement op cryptomunten via staking is er onduidelijkheid. Moeten deze inkomsten worden belast als roerend inkomen of zijn ze vrijgesteld? Een wetgevend initiatief om dit te verduidelijken is wenselijk. Voor NFT's is het bovendien niet altijd duidelijk of ze als unieke ontwerpen of als digitale kopieën moeten worden beschouwd, wat gevolgen heeft voor hun auteursrechtelijke bescherming en het bijhorende fiscale gunstregime. Verder is er onzekerheid over het juiste moment van belastbaarheid. Moet belasting worden geheven bij ontvangst van cryptomunten of pas bij omzetting naar euro's? Een duidelijke wettelijke bepaling hierover zou veel rechtsonzekerheid kunnen wegnemen.
'AANMERKELIJKE ECONOMISCHE AANWEZIGHEID'
De invoering van een wereldwijde minimumbelasting van 15% betekent weliswaar een belangrijke stap vooruit, maar grondslaguitholling en winstverschuiving blijven hardnekkige problemen. Volgens de huidige internationale afspraken is de heffingsbevoegdheid van een land nog steeds grotendeels gebaseerd op de fysieke aanwezigheid van een onderneming, zoals een hoofdzetel of vaste inrichting. Multinationale ondernemingen maken hier gebruik van door kunstmatig structuren op te zetten die de kwalificatie als vaste inrichting vermijden, waardoor belastingheffing in de bronstaat wordt ontweken.
De opkomst van de digitale economie heeft deze tekortkomingen verder blootgelegd. Digitale bedrijven kunnen immers economische activiteiten ontplooien in een land zonder daar fysiek aanwezig te zijn. Omdat het huidige systeem vooral uitgaat van fysieke aanwezigheid, is enkel het vestigingsland bevoegd om winstbelasting te heffen. Landen waar digitale bedrijven waarde creëren via immateriële activa zoals software, algoritmes, data en merken, blijven daardoor verstoken van belastinginkomsten, ondanks het feit dat er lokaal wel degelijk economische waarde wordt gegenereerd. Internationaal groeit het besef dat het begrip 'vaste inrichting' niet langer volstaat. De traditionele, eerder conservatieve invulling van dit concept sluit niet meer aan bij de manier waarop economische activiteiten vandaag georganiseerd zijn. Daardoor vormt het een belemmering in de strijd tegen internationale belastingontwijking en biedt het onvoldoende houvast om nieuwe fenomenen zoals de digitale economie en de metaverse adequaat te reguleren.
Omdat het huidige systeem vooral uitgaat van fysieke aanwezigheid, is enkel het vestigingsland bevoegd om winstbelasting te heffen.
Het is echter niet nodig om het begrip 'vaste inrichting' volledig los te laten. Een inhoudelijke aanvulling of uitbreiding ervan lijkt aangewezen. Daarbij kan gedacht worden aan het concept van 'aanmerkelijke economische aanwezigheid' ('significant economic presence'). Dit houdt in dat een onderneming, ook zonder fysieke aanwezigheid, toch als belastbaar kan worden beschouwd wanneer zij een substantiële en duurzame economische band met een land heeft. Die band kan worden aangetoond aan de hand van verschillende criteria. Denk bijvoorbeeld aan de omvang van de inkomsten die in een bepaald land worden gegenereerd, wat kan wijzen op een sterke economische verwevenheid. Ook digitale elementen spelen een rol, zoals het gebruik van een lokale domeinnaam, het aanbieden van een digitaal platform gericht op de lokale markt, of het ondersteunen van lokale betaalmethoden. Zulke kenmerken duiden op een structurele relatie met klanten of gebruikers in dat land. Daarnaast kunnen gebruikersgerelateerde factoren in overweging worden genomen, zoals het aantal maandelijks actieve gebruikers, het afsluiten van contracten via digitale kanalen, en de hoeveelheid verzamelde gebruikersdata. Al deze elementen samen kunnen een duidelijk beeld geven van een duurzame economische aanwezigheid. Op basis van dit concept zou een land dus belasting kunnen heffen op ondernemingen die, hoewel niet fysiek gevestigd, toch een aanzienlijke economische activiteit uitoefenen binnen zijn grenzen.
Helaas ontbreekt het voorlopig aan voldoende internationale consensus om het verouderde belastingstelsel fundamenteel te hervormen en af te stemmen op de realiteit van een geglobaliseerde, digitale en door kunstmatige intelligentie aangedreven economie.
EINDNOTEN
- Revenue Act to amend the Internal Revenue Code of 1954 to reduce individual and corporate income taxes, to make certain structural changes with respect to the income tax, and for other purposes, Public Law 88-272, 26/2/1964.↑
- Wetsontwerp houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, Parl.St. Kamer 1961-62, nr. 38-264, 1.↑
- OECD (2020), Cover Statement by the Inclusive Framework on the Reports on the Blueprints of Pillar One and Pillar Two.↑
- Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie, Pb.L. 22/12/2022, afl. 328/1.↑
- Wet 19/12/2023 houdende de invoering van een minimumbelasting voor multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen, BS 28/12/2023, 123489.↑
- Memorandum for the Secretary of the Treasury, The Organisation for Economic Cooperation and Development (OECD) Global Tax Deal, 20/1/2025.↑
- OECD (2019), Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy - Policy Note, as approved by the Inclusive Framework on BEPS on 23 January 2019, OECD, Paris, 2; OECD (2019), Programme of Work to Develop a Consensus Solution to the Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy, OECD/G20 Inclusive Framework on BEPS, OECD, Paris, 11; OECD (2020), Tax Challenges Arising from Digitalisation - Report on Pillar One Blueprint: Inclusive Framework on BEPS, OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, OECD Publishing, Paris, 12.↑
- Europese Commissie (2018), Voorstel voor een richtlijn van de raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid, 21/3/2018, art. 4.3, COM(2018) 147 final, 23 p.; Europese Commissie (2021), Inception Impact Assessment, Brussels, 14/1/2021, 4 p.↑
- (Frankrijk) Loi n° 2019-759 du 24 juillet 2019 portant création d'une taxe sur les services numériques et modification de la trajectoire de baisse de l'impôt sur les sociétés, JORF n°0171, 25/7/ 2019; (Italië) Legge 27 dicembre 2017, n. 205, Bilancio di previsione dello Stato per l'anno finanziario 2018 e bilancio pluriennale per il triennio 2018-2020,; (het VK) Finance Act 2020, Digital services tax,; (Spanje) Ley 4/2020, de 15 de octubre, del Impuesto sobre Determinados Servicios Digitales, Boletin official del estado, n° 274, 16/10/2020.↑
- OECD (2020), Cover Statement by the Inclusive Framework on the Reports on the Blueprints of Pillar One and Pillar Two.↑
- Memorandum for the Secretary of the Treasury, The Organisation for Economic Cooperation and Development (OECD) Global Tax Deal, 20/1/2025.↑
- Europese Raad (2021), Statement of the Members of the European Council, Brussel, 25/3/2021, 5.↑
- Federaal Regeerakkoord, 2025-2029, 31/1/2025, 42.↑
- Hand. Kamer 2020-2021, 31/3/2021, CRIV 55 COM 433, 2-7.↑
- Federaal Regeerakkoord, 2025-2029, 31/1/2025, 12.↑