Het verschil in lezing tussen professor Cantillon en mezelf over de wortels van de welvaartsstaat is geen detail, maar raakt aan de kern van hoe solidariteit historisch moet worden begrepen.
Professor Cantillon verdient oprechte dank voor de aandachtige en inhoudelijke bespreking van mijn boek De wortels van de welvaartsstaat (Acco, 2025) in het februarinummer van SamPol. Dat een werk over de historische wortels van de welvaartsstaat aanleiding geeft tot fundamenteel debat is op zichzelf waardevol. Haar commentaar is scherp en ernstig, en precies daarom verdient het een even helder en inhoudelijk antwoord. Het verschil in lezing tussen ons is geen detail, maar raakt aan de kern van hoe solidariteit historisch moet worden begrepen.
Mijn centrale bezwaar tegen haar kritiek is dat zij mijn benadering voorstelt als een herleiding van solidariteit tot emotie en identiteit, terwijl mijn stelling precies is dat duurzame solidariteit historisch enkel werkt wanneer zij ingebed is in een gedeelde sociaal culturele context waarin mensen elkaar verstaan, herkennen en als deel van eenzelfde gemeenschap beschouwen. Dat is geen romantisering, maar een historisch patroon dat in uiteenlopende contexten zichtbaar is.
De geschiedenis van de welvaartsstaat toont inderdaad dat schaalvergroting en institutionalisering vaak voortkwamen uit nieuwe risico’s en structurele afhankelijkheden. Dat ontken ik nergens. Wat ik wel betwist, is dat functionele noodzaak op zichzelf voldoende verklaring biedt. Systemische druk kan verklaren waarom hervormingen zich opdringen, maar niet waarom ze maatschappelijk aanvaard worden, politiek draagvlak krijgen en normatief als rechtvaardig worden gezien.
Solidariteit bestaat pas echt waar mensen elkaar herkennen, begrijpen en als deel van een gedeelde sociaal-culturele gemeenschap ervaren. Zonder dit sociaal-culturele weefsel vervliegt legitimiteit, draagvlak en normatieve kracht. Wie solidariteit reduceert tot louter instrument of eigenbelang, mist de kern van haar historische werking.
Wie solidariteit reduceert tot louter instrument of eigenbelang, mist de kern van haar historische werking
Het verleden ontrafelen, is het werk van historici. Dat werk is per definitie complex en steunt op bronnenkritiek, contextkennis en argumentatie. Het laat zich niet reduceren tot één verklaringsmodel. Wanneer solidariteit in de bronnen verschijnt, gebeurt dat zelden als louter technisch of functioneel mechanisme. Zij wordt bijna altijd gemotiveerd in termen van gemeenschap, verbondenheid, wederzijdse verplichting en herkenbaarheid. Dat zijn sociaal-culturele categorieën. Ze verschillen van tijd tot tijd en van plaats tot plaats, maar ze zijn nooit afwezig.
Het voorbeeld van Bismarck bevestigt dit eerder dan het tegenspreekt. Sociale zekerheid werd daar inderdaad ook strategisch ingezet om stabiliteit te verzekeren en integratie te bevorderen. Maar precies daarom moest zij aansluiten bij een reeds bestaand of in opbouw zijnd gemeenschapsbesef. Instrumenteel gebruik sluit culturele inbedding niet uit, het veronderstelt haar. Beleidsmaatregelen die volledig losstaan van sociaal-culturele herkenning missen legitimiteit en duurzaamheid.
Mijn gebruik van het begrip identiteit verwijst bovendien niet naar een enge of statische definitie. Het gaat om gedeelde taal, gedeelde normen, gedeelde praktijken en wederzijdse verstaanbaarheid binnen een concrete gemeenschap. Solidariteit functioneert historisch het sterkst waar mensen zich niet alleen economisch, maar ook sociaal-cultureel verbonden weten. Dat verband is contextgebonden en veranderlijk, maar daarom niet minder reëel.
Professor Cantillon stelt daar een systemische opvatting van solidariteit tegenover, gebaseerd op wederzijdse afhankelijkheid en welbegrepen eigenbelang. Dat is een relevant analytisch perspectief, maar als exclusieve verklaring is het te smal. Het verklaart samenwerking, maar niet noodzakelijk solidariteit in de normatieve zin van het woord. Risicodeling kan contractueel zijn. Solidariteit veronderstelt bereidheid tot herverdeling en wederzijdse erkenning, ook waar het directe eigenbelang minder zichtbaar is. Historisch gezien groeit die bereidheid vooral binnen sociaal-culturele kaders die als gemeenschappelijk worden ervaren, en binnen een nationaal kader dat, hoewel sterk contextgebonden, cruciaal is voor de vorm en legitimiteit van de welvaartsstaat. De welvaartsstaat is zeker een (West-)Europees fenomeen, maar er bestaat niet zoiets als een Europese welvaartsstaat; er bestaan wel Europese welvaartsstaten, elk sterk nationaal gebonden.
Ook haar lezing van identiteit als hoofdzakelijk taal en herkomst is te beperkt. Sociaal-culturele homogeniteit omvat eveneens gedeelde instituties, opvoedingspatronen, normen van wederkerigheid en maatschappelijke verwachtingen. Sociale klasse en scholingsgraad spelen daarin een rol, maar vervangen het culturele kader niet. Klassen vormen belangen, maar geen automatische morele gemeenschap. Ook daar is gedeelde context nodig.
Solidariteit kan historisch niet duurzaam worden begrepen zonder het sociaal-culturele weefsel waarin zij ontstaat en functioneert
Het meningsverschil gaat dus niet over het bestaan van functionele of structurele factoren, maar over hun verklaringskracht. Mijn stelling blijft dat solidariteit historisch niet duurzaam kan worden begrepen zonder het sociaal-culturele weefsel waarin zij ontstaat en functioneert. Wie dat element weglaat, houdt een moreel nuttig maar onvolledig model over.
Mijn boek pretendeert geen laatste woord te spreken over de toekomst van de welvaartsstaat. Het wil wel het historisch debat verdiepen door te wijzen op voorwaarden die in veel hedendaagse analyses onderbelicht blijven. Als deze gedachtewisseling bijdraagt aan een scherper en eerlijker debat over solidariteit, gemeenschap en welvaartsstaat, dan is haar doel bereikt.