Eén op vier Belgen noemt zich working class. Waarom hoor je hen dan nauwelijks nog in het parlement?
De kans dat sociologen ooit de lijst met zware beroepen halen, is redelijk klein. Nochtans is onze taak er de afgelopen jaren niet gemakkelijker op geworden.
Zo was het vijftig jaar geleden, toen in Vlaanderen de eerste postelectorale steekproef werd afgenomen, nog relatief eenvoudig om stemgedrag louter te voorspellen op basis van sociale kenmerken en politieke attitudes. Vandaag de dag geven diezelfde modellen vooral veel statistische ruis.
Anno 2026 laten kiezers zich in hun stemgedrag minder leiden door ideologie; en steeds vaker door populaire thema’s, zoals migratie, klimaat en veiligheid. In het politieke debat werken zulke nieuwe issues als kometen: ze schieten snel omhoog, om dan even snel weer te verdampen in vluchtige beloftes en complexe akkoorden.
Waar die issues exact om draaien, is voor electoraal succes niet echt belangrijk: geen Vlaming kon in 2010 precies uitleggen wat BHV was, maar dat het gesplitst moest worden stond buiten kijf. Net zomin hadden de 562.000 nieuwe Vlaams Belang-kiezers in 2019 de 31 pagina’s van het Marrakeshpact gelezen, maar dat het voor meer migratie ging zorgen stond eigenlijk van bij het begin al vast.
Buiten de waan van de dag zijn de issues waar het niet over gaat minstens even interessant. Vaak reflecteert hun verlies aan belang een bepaalde maatschappelijke verschuiving. Bijvoorbeeld: waar de kranten in de jaren 1960 nog bol stonden van commentaren over ethische kwesties of de schoolstrijd, speelt de Kerk vandaag nauwelijks nog een rol in het maatschappelijke debat. Die verschuiving is ook helemaal niet onlogisch, aangezien het aandeel kerkgangers in België is afgenomen.
Sociale klasse blijft een relevante parameter voor maatschappelijke ongelijkheid
Nog interessanter is het wanneer structurele thema’s, zoals ‘sociale klasse’, uit het politieke woordenboek verdwijnen. Want terwijl het aantal actieve Katholieken daadwerkelijk is geslonken, definieert nog steeds één op de vier Belgen zichzelf als working class. Sociale klasse blijft ook een relevante parameter voor maatschappelijke ongelijkheid: wie tot de arbeidersklasse behoort, verdient minder, wordt minder oud en is vaker ongelukkig. Ook in de meeste politieke vertegenwoordigingsorganen blijven arbeiders buiten beeld.
Mede daardoor gaat het in politieke debatten nauwelijks nog over klasse. Een tekstanalyse van alle parlementaire tussenkomsten sinds 1830 bevestigt dit beeld (FIGUUR 1). Waar de woorden “arbeider(s)”, “ouvrier(s)” en “ouvrière(s)” na de stichting van de Vlaamsche Socialistische Arbeiderspartij het parlementair debat domineerden, verloor het thema vanaf de jaren 1950 aan belang. Los van tijdens enkele pieken, zoals bij de staking van 1955 en de sluiting van Ford Genk, gaat het niet meer over klasse. Vooral de laatste jaren, waarin linkse partijen zich steeds meer op een hoogopgeleide middenklasse begonnen te richten, komen verwijzingen naar arbeiders minder voor. Vandaag de dag hebben thema’s zoals klimaat en migratie zo de agenda overgenomen.

Dit beeld – waarbij sociale klasse een relevante bron van ongelijkheid blijft, maar politiek niet langer wordt gearticuleerd – wordt door de Duitse socioloog Klaus Dörre beschreven als een ‘gedemobiliseerde klassenmaatschappij’. Daarin dient klasse nog steeds als een objectieve marker voor ongelijkheid, maar is de subjectieve arbeidersidentiteit verdwenen. Dat verlies aan collectieve identiteit is het gevolg van een reeks bekende sociale transformaties, zoals de ontzuiling, de de-industrialisering, en de transnationalisering van arbeid. Daarbij heeft ook het tanende belang van massaorganisaties – zoals volkshuizen, vakbonden en culturele arbeidersverenigingen – de arbeidersgemeenschap doorbroken.
Alles tezamen kan links nog maar een vierde van de arbeidersstem bekoren
Een gedemobiliseerde klassenmaatschappij is slecht nieuws voor links, want door het verlies van een verbindende identiteit is het working class electoraat meer dan ooit verdeeld. In 2019 trokken Vlaams Belang, N-VA, cd&v en zelfs Anders (Open Vld) meer working class kiezers aan dan Vooruit. Alles tezamen kan links nog maar een vierde van de arbeidersstem bekoren; in 1974 was dit nog één op twee. Ook niet onbelangrijk is dat uit deze data een flink communautair verschil blijkt. Want waar Vooruit in 2019 slechts 10,4% van de arbeidersklasse kan bekoren, scoort PS – dat het klassenbewustzijn nog regelmatig aanwakkert – in Franstalig België er nog steeds 48,3%.
In dat verschil schuilt een les voor de sociaaldemocratie. Wetenschappelijk onderzoek levert consistent bewijs dat links te winnen heeft bij het re-mobiliseren van zijn arbeidersidentiteit. Uit een paper van sociologen Linus Westheuser en Thomas Lux blijkt dat zowel links als extreemrechts baat heeft bij een sterker klassenbewustzijn. Voor links kan dat door klasse voor te stellen als een inclusieve identiteit, die voortkomt uit een conflict tussen arm en rijk. Voor extreemrechts door het klassenconflict te politiseren als een strijd tussen het hardwerkende (en eigen) volk en een graaiend profitariaat.
Links heeft te winnen bij het re-mobiliseren van zijn arbeidersidentiteit
Wie in Vlaanderen aan het langste eind trekt valt nog te bezien. Vooruit hoopt het te doen met een nieuwe personal brandmanager. Volgens uitgekozene Jordy Van Overmeire is zijn taak alvast niet moeilijk, want “Conner, dat is authenticiteit. Dat is een gewone man die in gewone taal aan politiek doet”. Afwachten dus of die gewone klassentaal de arbeider ook daadwerkelijk opnieuw kan mobiliseren.